ECLI:NL:HR:1984:AB7952
16 maart 1984Eerste KamerNr. 12.230AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser] ,wonende te [woonplaats 1] , EISER tot cassatie,advocaat: Mr. R. Laret, t e g e n [verweerster] ,wonende te [woonplaats 2] ,VERWEERSTER in cassatie,advocaat: Mr. A.G. Maris.
Bij dit arrest heeft de Hoge Raad het eindarrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 november 1975 vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
De vrouw heeft bij exploit van 24 januari 1979 de man gedagvaard voor het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde voort te procederen na verwijzing der zaak door de Hoge Raad der Nederlanden.
Nadat een op grond van een tussenarrest van 4 maart 1982 bevolen comparitie van partijen tot het beproeven van een minnelijke schikking niet was gehouden, heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij eindarrest van 4 november 1982 het vonnis van de Rechtbank wederom vernietigd en alsnog toegewezen de vordering van de vrouw, voor zover deze ertoe strekt de man te veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan het doen inschrijven van de litigieuze onroerende goederen op straffe van een dwangsom van f 100,-- voor iedere dag dat hij daarmee in gebreke zou blijven.
Het eindarrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage is aan dit arrest gehecht.
De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep ten aanzien van de cassatiemiddelen I t/m V en tot referte ten aanzien van cassatiemiddel VI.
De zaak is voor partijen bepleit door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Biegman-Hartogh strekt tot vernietiging van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van 's Hofs arrest, en voor het overige tot verwerping van het beroep.
De beslissing van de Hoge Raad laat geen ruimte voor een discussie na verwijzing over de vraag of rechtens mogelijk is lastgeving tot belegging van gelden in onroerende goederen die, zolang de lastgever geen overschrijving op eigen naam wenst, op naam van de lasthebber en diens eigendom blijven. Deze mogelijkheid ligt immers in het arrest van de Hoge Raad besloten.
3.2 Terecht uitgaande van deze mogelijkheid, heeft het Hof uit de in de vijfde en de aanhef van de zesde rechtsoverweging vastgestelde feiten afgeleid (rov. 6), dat de man bij de aankoop van de onroerende goederen in het kader van het beheer van de gelden van de vrouw als eigenaresse van het modehuis en de hem verstrekte volmacht als procuratiehouder van deze onderneming "is opgetreden als middellijk vertegenwoordiger van de vrouw", waarmee het Hof tot uitdrukking brengt dat hij is opgetreden als lasthebber van de vrouw, bevoegd om ter belegging van de bedoelde gelden van de vrouw onroerende goederen op zijn eigen naam aan te kopen. Terecht trekt het Hof daaruit de conclusie dat de man jegens de vrouw gehouden is de onroerende goederen aan de vrouw te leveren, nu zij de wens daartoe te kennen heeft gegeven.
3.3 De klachten van de middelen I, II (onderdelen 1 en 2) en V berusten deels op een miskenning van het onder 3.1 opgemerkte, deels missen zij, blijkens het voorgaande, feitelijke grondslag. Waar de gedachtengang van het Hof duidelijk is, falen ook de klachten over gebrek aan begrijpelijkheid.
3.4 Het derde middel en het derde onderdeel van het tweede middel miskennen dat, zoals het Hof aan het slot van de vijfde rechtsoverweging vaststelt, tegen de beslissing door de Rechtbank dat de financiering van de panden geheel uit de opbrengst van het aan de vrouw in eigendom toebehorende bedrijf geschiedde, noch in het principale appel, noch in het incidentele appel een grief is aangevoerd. Dat bracht mee, dat in appel - ook na het verwijzingsarrest van de Hoge Raad - van dit door de Rechtbank vastgestelde feit moest worden uitgegaan.
3.5 Het vierde middel komt tevergeefs op tegen 's Hofs niet onbegrijpelijke uitleg van de huwelijksvoorwaarden waaronder partijen getrouwd waren, welke uitleg inhoudt, dat artikel 5 van die voorwaarden er niet aan in de weg staat, dat de man zich als lasthebber van de vrouw tegenover haar verbond, de door hem op eigen naam ter belegging van gelden van de vrouw aan te kopen onroerende goederen aan haar in eigendom over te dragen op het moment dat zij daartoe de wens te kennen zou geven.
3.6 Bij het zesde middel heeft de man geen belang, nu de vrouw ervan heeft afgezien, gebruik te maken van de bij dit middel aangevochten uitvoerbaarheid bij voorraad van 's Hofs arrest, waarna de man zijn incidentele conclusie tot staking van de executie heeft ingetrokken.
3.7 Waar geen van de middelen tot cassatie kan leiden, dient het beroep te worden verworpen.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Drion als voorzitter en de raadsheren Snijders, Royer, Martens en Van den Blink, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Ras op 16 maart 1984.