(1954)en dateert dus uit een periode, waarin geen sprake was van Europese richtlijnen op dit gebied. Deze betekenis van dit begrip kán dus anders zijn dan het begrip ‘’belastingplichtige'' en ís het in casu ook. Kortom, ‘’ondernemer'' is niet identiek aan ‘’belastingplichtige''! In casu houdt dit in, dat, áls al de Europese richtlijnen consequenties zouden verbinden aan het uitsluitend verrichten van prestaties om niet, voor het zijn van belastingplichtige, dit ten onzent niet het geval kan zijn. Verwezen moge worden naar de uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 1978, BNB 1978/169, inzake de IJ-veren; Bijl en Van der Zanden in Zesde richtlijn en Nederlandse omzetbelasting (Kluwer 1978), bladzijde 104; Tuk, Wet op de omzetbelasting 1968, bladzijde
- Voorts Bijl in Weekblad voor Fiscaal Recht 1981/5520 en 1981/5493 en Elseviers BTW-Almanak 1982, bladzijde 11, punt
- Vanouds is ieder die regelmatig prestaties in het maatschappelijk verkeer verricht ondernemer, ongeacht het oogmerk of resultaat. Nimmer werd erop gelet of een kostendekkende, winst-opleverende of verliesgevende vergoeding werd gevraagd. Ook de advocaat die pro-deo werkt of de gemeente die voetgangers gratis overzet door middel van haar veerdienst of de ondernemer die relatiegeschenken weggeeft zijn ondernemer. Het ondernemerschap staat buiten kijf gezien de aard van de prestaties. Het al dan niet vragen van een grotere of kleinere vergoeding doet aan de aard der prestaties niets toe of af. Wel kan de teruggaaf ongewenst voorkomen. Dan moeten we deze echter alleen toetsen aan de ter zake in het leven geroepen bepalingen (artikel 15 en 16 van de Wet) en niet inperken door artikel 7 op een bepaalde wijze te interpreteren. Ten slotte kan de wetgever zich uiteraard geroepen voelen de aftrek verder in te perken. De conclusie is dan ook dat belanghebbende in casu wel degelijk ondernemer is en als zodanig recht op aftrek van voorbelasting heeft, nu dit de enige grond voor afwijzing van de teruggaaf door het Gerechtshof was.''; Overwegende dienaangaande: dat uit 's Hofs uitspraak blijkt dat belanghebbende jegens derden uitsluitend prestaties om niet verricht; dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij arrest van 1 april 1982 in de zaak 89/81 (Jurisprudentie 1982, bladzijde 1277 en volgende; BNB 1982/311) voor recht heeft verklaard dat hij die regelmatig, doch uitsluitend om niet, diensten verricht jegens ondernemers, niet kan worden aangemerkt als belastingplichtige in de zin van artikel 4 van de Tweede richtlijn van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting, vastgesteld op 11 april 1967, hierna te noemen: de Tweede richtlijn; dat het Hof van Justitie tot die verklaring voor recht is gekomen op grond van zijn oordeel dat de context van artikel 4 van de Tweede richtlijn en de samenhang van het gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde duidelijk aantonen dat degene die uitsluitend diensten om niet verricht niet kan worden aangemerkt als belastingplichtige in de zin van genoemd artikel; dat de door het Hof van Justitie ter zake relevant geoordeelde kenmerken van bedoeld stelsel door de Zesde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid- Staten inzake omzetbelasting, vastgesteld op 17 mei 1977, hierna te noemen: de Zesde richtlijn, niet zijn gewijzigd, terwijl ook de context van het met artikel 4 van de Tweede richtlijn corresponderende artikel 4 van de Zesde richtlijn in wezen dezelfde is gebleven; dat dan ook redelijkerwijs niet eraan kan worden getwijfeld dat de door het Hof van Justitie aan artikel 4 van de Tweede richtlijn gegeven uitlegging evenzeer geldt voor artikel 4 van de Zesde richtlijn; dat mitsdien belanghebbende, anders dan zij in het beroepschrift stelt, niet kan worden aangemerkt als belastingplichtige in de zin van artikel 4, lid 1, van de Zesde richtlijn; dat belanghebbende subsidiair betoogt dat zij als ondernemer als bedoeld in artikel 7, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 kan worden aangemerkt ook indien zij niet als belastingplichtige in de zin van artikel 4, lid 1, van de Zesde richtlijn kan worden beschouwd; dat dit betoog moet worden verworpen aangezien ervan dient te worden uitgegaan dat de Nederlandse wetgever bij de totstandkoming van voormelde wet en vervolgens bij de aanpassing van die wet - bij wet van 28 december 1978, Staatsblad 677 - aan de Zesde richtlijn, waarbij artikel 7, lid 1, van eerstbedoelde wet ongewijzigd is gebleven, aan de in deze bepaling gebezigde term ondernemer geen andere betekenis heeft willen toekennen dan toekomt aan de term belastingplichtige zoals gehanteerd in artikel 4 van de Tweede richtlijn onderscheidenlijk in artikel 4, lid 1, van de Zesde richtlijn; dat uit het voorgaande volgt dat het beroep niet tot cassatie kan leiden; Verwerpt het beroep. Gedaan bij de Heren Vroom, Vice-President, Stol, Jansen, Van der Linde en Roelvink, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van de tweede mei 1900 vier en tachtig, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van den Dries.