Bij vervroeging 9 april 1985 Strafkamer nr. 78.202 ed Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 23 mei 1984 alsmede tegen de op de terechtzitting van dit Hof genomen beslissingen in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950, wonende te [woonplaats].
(1982)van 17 november 1982, opgemaakt door [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , onderscheidenlijk opperwachtmeester-rayoncommandant, wachtmeester 1e klasse en wachtmeester, van de Rijkspolitie, voor zover inhoudende: als relaas van die verbalisanten, danwel van één of meer hunner: dat zij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , op zaterdag 30 oktober 1982 om 01.50 uur zagen, dat een persoon als bestuurder van een voertuig (personenauto) dit bestuurde op de voor het openbaar verkeer openstaande weg Rijksweg 321, plaatselijk genoemd Graafseweg, gelegen te Nederasselt in de gemeente Heumen; dat zij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , ter controle op de naleving van de bij of krachtens de wegenverkeerswet gegeven voorschriften een onderzoek instelden; dat de adem van de bestuurder, nadat deze was uitgestapt, sterk rook naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank; dat de man zich bij het uitstappen aan zijn auto moest vasthouden om behoorlijk ter been te blijven; dat zij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , derhalve een onderzoek ingevolge artikel 26 van de wegenverkeerswet instelden; dat de bestuurder desgevorderd geen medewerking verleende aan een onderzoek met een ademtestbuisje met een 0,5%0-merkstreep, welke vordering door hem, verbalisant [verbalisant 2] , aan de bestuurder was gedaan; dat de bestuurder hem, verbalisant [verbalisant 2] , opgaf te zijn: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950, wonende te [woonplaats] , [verbalisant 3] ; dat zij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , de verdachte vervolgens hebben aangehouden ter geleiding voor een hulpofficier van justitie als verdacht van overtreding van artikel 26 van de wegenverkeerswet, waarna verdachte is overgebracht naar het bureau van politie te [woonplaats] ; dat de bestuurder desgevorderd geen medewerking verleende aan een onderzoek met een 0,8 %0-merkstreep, welke vordering door hem, verbalisant [verbalisant 2] , aan de bestuurder was gedaan; dat hij, verbalisant [verbalisant 2] , verdachte heeft gevraagd of deze toestemming gaf tot het verrichten van een onderzoek, als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de wegenverkeerswet; dat de verdachte geen toestemming verleende; dat hij, verbalisant [verbalisant 1] , gedurende die tijd als regio-opperwachtmeester aangewezen als hulpofficier van justitie, op zaterdag 30 oktober 1982 de verdachte heeft bevolen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek, in de zin van artikel 33a van de wegenverkeerswet, waarbij de verdachte is medegedeeld, dat weigering een misdrijf oplevert; dat de verdachte geen gevolg gaf aan dit bevel en geen medewerking verleende aan het bevolen bloedonderzoek.
- Verwerping van een gevoerd verweer Naar aanleiding van een door de verdachte gevoerd verweer heeft het Hof overwogen: ‘’dat de raadsman van verdachte heeft aangevoerd, dat verdachte van het hem telastegelegde feit moet worden vrijgesproken, omdat van een ‘’echte’’ weigering geen sprake zou zijn geweest; dat hij daartoe heeft aangevoerd, dat verdachte — na aanvankelijke weigering — nog binnen een uur na de vorderingen tot het doen van ademtestproeven en die tot de medewerking aan een bloedproef aan de verbalisanten te kennen heeft gegeven, dat hij alsnog de blaas- en bloedproef wilde ondergaan, doch dat de verbalisanten hierop toen niet meer wensten in te gaan, omdat de weigering van verdachte al was ‘’geaccepteerd’’; dat — aldus de raadsman — de wet toch niet rept over een termijn, waarbinnen gevolg aan de vordering tot medewerking aan een bloedproef dient te worden gegeven, noch dat daaraan op de eerste vordering gevolg dient te worden gegeven; dat het hof dit verweer verwerpt: dat op grond van vorenstaande bewijsmiddelen genoegzaam verdachtes weigering als telastegelegd blijkt en vaststaat, waaraan niet afdoet, dat hij nadien te kennen heeft gegeven, dat hij daarop wenste terug te komen, ook al zou die wens zijn geuit binnen een uur nadat de vordering tot medewerking aan de eerste ademtest is gedaan, en een andersluidende mening geen steun vindt in het recht’’.
- Beoordeling van het middel In het recht is geen steun te vinden voor de door het middel voorgestane opvatting volgens welke bij verdenking dat de bestuurder van een motorrijtuig heeft gehandeld in strijd met art. 26 WVW, die bestuurder — ofschoon hij aanvankelijk heeft geweigerd gevolg te geven aan een bevel als bedoeld in art. 33a, tweede lid, van genoemde wet — er recht op zou hebben dat nochtans een bloedonderzoek wordt verricht. Het middel faalt derhalve.
- Slotsom Nu het middel niet tot cassatie kan leiden , terwijl de HR ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
- Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president Van der Ven als voorzitter en de raadsheren De Groot, Jeukens, Haak en Beekhuis, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, en bij vervroeging uitgesproken op 9 april 1985.