13 december 1985 Eerste Kamer Nr. 12.572 AT Hoge Raad der Nederlanden, Arrest in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: Mr. A.R.M. Berntsen, tegen [verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: Mr. R.A.A. Duk.
- Het geding in feitelijke instanties Op 22 juni 1981 heeft [eiser] zich gewend tot de Kantonrechter te 's-Hertogenbosch en gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling van het aan [eiser] verschuldigde loon ad f. 1.400, -- netto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, als ook met de verhoging ex. art. 1638q BW en de wettelijke rente vanaf 30 maart 1981 tot aan de dag dat de dienstbetrekking op richtige wijze zal zijn beëindigd. Nadat [verweerder] tegen die vordering verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter, na bij tussenvonnis [verweerder] te hebben toegelaten tot het bewijs dat er een dringende reden was voor het geven van het ontslag op staande voet, bij eindvonnis van 12 januari 1982 de vordering ontzegd. Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te 's-Hertogenbosch. Bij tussenvonnis van 7 oktober 1983 heeft de Rechtbank het vonnis van de Kantonrechter vernietigd en, alvorens verder te beslissen, [verweerder] opgedragen door getuigen te bewijzen dat [eiser] door de firma [A] te Boxtel met ingang van 24 augustus 1981 werd aangenomen dan wel kon worden aangenomen. Nadat vervolgens [verweerder] ter voldoening aan die bewijsopdracht een getuige had voorgebracht, heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 30 maart 1984 [verweerder] veroordeeld aan [eiser] te voldoen het nettoloon ad f. 1.400, -- per maand over de periode van 30 maart 1981 tot 24 augustus 1981, vermeerderd met vakantietoeslag en rente. De beide vonnissen van de Rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.
- Het geding in cassatie Tegen de vonnissen van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor [verweerder] bepleit door zijn advocaat. De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt tot verwerping van het beroep.
- Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan. [eiser] is sedert 1 augustus 1978 op grond van een arbeidsovereenkomst met [verweerder] bij deze als hovenier werkzaam geweest. Op 30 maart 1981 heeft [verweerder] [eiser] op staande voet ontslagen. [eiser] heeft met inroeping van de nietigheid van dit ontslag tegen [verweerder] een loonvordering ingesteld. De Rechtbank heeft - in cassatie niet bestreden - vastgesteld dat het ontslag inderdaad nietig was, maar heeft de loonvordering slechts toegewezen over de periode van 30 maart 1981 tot 24 augustus
- Aan deze beslissing heeft de Rechtbank ten grondslag gelegd dat [eiser] met een nieuwe werkgever, [A], een arbeidsovereenkomst had gesloten, ingevolge welke overeenkomst [eiser] de werkzaamheden bij [A] op 24 augustus 1981 had dienen aan te vangen, zij het ook dat [eiser] met zijn werkzaamheden bij [A] nooit is begonnen. Voorts heeft de Rechtbank blijkens haar eindvonnis geoordeeld dat het aangaan van een nieuwe dienstbetrekking elders weliswaar niet steeds beëindiging van de eerdere door de wederpartij niet rechtsgeldig opgezegde arbeidsverhouding behoeft mee te brengen, doch dat hier de arbeidsovereenkomst met [verweerder] wèl door de dienstbetrekking met [A] is geëindigd "omdat niet is gesteld of gebleken dat [eiser] tegenover [verweerder] heeft doen blijken dat hij bij zijn in dienst treden bij [A] had bedongen dat hij vrij moest zijn zich weer ter beschikking van [verweerder] te stellen indien deze dit zou wensen, of dat een dergelijke vrijheid van [eiser] op andere gronden door [verweerder] mocht worden verondersteld of aangenomen". Dit heeft de Rechtbank tot de conclusie geleid dat [verweerder] er op mocht vertrouwen dat [eiser] door de werkkring bij [A] te aanvaarden alsnog met het gegeven ontslag instemde, hetgeen naar het oordeel van de Rechtbank meebracht dat de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op 24 augustus 1981 is beëindigd. 3.2 Voorop moet worden gesteld dat de werknemer recht heeft op doorbetaling van het naar tijdsruimte vastgestelde loon, indien hij bereid was de bedongen arbeid te verrichten, doch de werkgever daarvan geen gebruik gemaakt heeft, bijv. doordat deze zich, naar achteraf is gebleken ten onrechte, op het standpunt heeft gesteld de werknemer rechtsgeldig te hebben ontslagen. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat in dit geval de werknemer na het ontslag bereid is gebleven de bedongen arbeid te verrichten. Denkbaar is echter - zoals door de Rechtbank dan ook terecht tot uitgangspunt is genomen - dat de werknemer vervolgens met een nieuwe werkgever een nieuwe arbeidsovereenkomst sluit in zodanige omstandigheden dat de oorspronkelijke werkgever daaruit mag afleiden hetzij dat de bereidheid om de bij de oorspronkelijke overeenkomst bedongen arbeid te verrichten niet langer aanwezig is, hetzij dat, zoals de Rechtbank hier heeft aangenomen, alsnog met het niet geldig gegeven ontslag wordt ingestemd. Voor zover de klachten van de onderdelen 1-3 van het middel van een andere opvatting of een andere lezing van de vonnissen van de Rechtbank uitgaan, falen zij derhalve of missen zij feitelijke grondslag. Nu, zoals hierna zal blijken, onderdeel 4 doel treft, behoeven de in onderdeel 3 voorkomende motiveringsklachten geen behandeling meer. 3.3 Onderdeel 4 slaagt. De Rechtbank heeft, haar bovenvermelde uitgangspunt aldus herhalend, dat het aangaan van een nieuwe dienstbetrekking elders niet steeds beëindiging van de eerdere door de wederpartij opgezegde arbeidsverhouding behoeft mede te brengen, geoordeeld dat zulks in casu wel het geval is geweest, "omdat niet is gesteld of gebleken dat [eiser] tegenover [verweerder] heeft doen blijken dat hij bij zijn in dienst treden bij [A] had bedongen dat hij vrij moest zijn zich weer ter beschikking van [verweerder] te stellen indien deze dit zou wensen, of dat een dergelijke vrijheid van [eiser] op andere gronden door [verweerder] mocht worden verondersteld of aangenomen". Aldus oordelend heeft de Rechtbank blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Nu ervan moet worden uitgegaan dat [eiser] na het ontslag bereid is gebleven de bedongen arbeid te verrichten, maakt de omstandigheid dat [eiser] - die na het ontslag geen loon meer van [verweerder] ontving - een andere bron van inkomsten heeft gezocht en daartoe een arbeidsovereenkomst met een ander is aangegaan, aan het voortduren van zijn eenmaal aan de werkgever kenbaar gemaakte bereidheid niet zonder meer een einde. (HR 5 januari 1979, NJ 1979, 207). Tegen deze achtergrond kan het oordeel dat [eiser] geacht moet worden alsnog met het door hem als nietig bestreden ontslag te hebben ingestemd, niet worden gegrond op het enkele feit dat [eiser], tegenover de door [verweerder] gestelde en door deze eventueel ook te bewijzen instemming, niet heeft gesteld of aangetoond, kort samengevat, dat hij na de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met [A] - waarbij volgens de stellingen van [eiser] overigens een proeftijd bedongen was - opnieuw aan [verweerder] kenbaar maakte dat hij voor de hervatting van de bedongen werkzaamheden ter beschikking bleef. Dit brengt mee dat het eindvonnis van de Rechtbank niet in stand kan blijven, waarbij aantekening verdient dat de tweede zin van de voorlaatste rechtsoverweging van het tussenvonnis, waarin een met voormelde passage uit het eindvonnis vergelijkbare gedachte wordt geuit, in het licht van dat eindvonnis kennelijk als een voorlopig oordeel en derhalve niet als een bindende eindbeslissing moet worden gezien. Na verwijzing zal in het licht van de stellingen van partijen alsnog moeten worden onderzocht of [verweerder] uit de gedragingen van [eiser] in verband met de door deze gesloten overeenkomst met [A] heeft mogen afleiden dat [eiser] toen alsnog met het door hem bestreden ontslag heeft ingestemd. De bewijslast te dezer zake rust op [verweerder]. 3.4 Onderdeel 5 faalt, nu het voor beëindiging van een arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden een eis stelt die geen steun vindt in het recht. 3.5 Onderdeel 6 faalt eveneens. De Rechtbank heeft kennelijk gebruik gemaakt van de haar in art. 1638q lid 1 toegekende bevoegdheid tot matiging en heeft geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting te dier zake te zijn uitgegaan.
- Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep tegen het tussenvonnis van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 7 oktober 1983; vernietigt het eindvonnis van die Rechtbank van 30 maart 1984; verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing; compenseert de kosten van het geding in cassatie zodat elke partij de hare draagt. Dit arrest is gewezen door de raadsheren Mrs. Snijders, als voorzitter, Van den Blink, Hermans, Bloembergen en Boekman, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Ras op 13 december 1985.