Bij vervroeging 15 juli 1985 Strafkamer nr. 78:375 JC Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 september 1984 in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949, wonende te [woonplaats].
- De bestreden uitspraak Het: Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 15 december 1983 - de verdachte ter zake van "moord" veroordeeld tot zes jaren gevangenisstraf.
- Het cassatieberoep Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens hem heeft Mr. K.G.W. van Oven, advocaat te 's-Gravenhage, het volgende middel van cassatie voorgesteld: Verzuim van vormen en/of schending van het recht, doordien het Hof ten aanzien van de straftoemeting heeft overwogen en beslist gelijk door het College gedaan, zulks ten onrechte om de navolgende redenen: Het Hof neemt het bij het arrest gerelateerd deskundig oordeel, ingevolge hetwelk requirant van cassatie ten tijde van het feit "geacht. moet worden .. lijdende te zijn geweest aan een zodanig gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke storing zijner geestvermogens, dat dit feit hem slechts in sterk verminderde mate kan worden toegerekend." over en maakt dit tot het zijne. Desondanks legt het Hof requirant van cassatie een gevangenisstraf op voor de tijd van zes jaar, in welk verband het College kennelijk als "tegenwicht" tegen de geconstateerde sterk verminderde toerekenbaarheid hanteert het vervolgens overwogene, dat "daarbij anderzijds is uitgegaan van de aard en de ernst van het bewezen te verklaren feit, tot uitdrukking gebracht in het tegen dit feit bedreigde strafmaximum van levenslange gevangenisstraf of gevangenisstraf voor de tijd van twintig jaar, de omstandigheden, waaronder dit feit is, gepleegd, en de persoon van verdachte, zoals een en ander ter terechtzitting naar voren is gekomen". Hetgeen het Hof hier overweegt met betrekking tot "'de aard en de ernst" van het feit lijkt in het verband, van het aldus overwogene te zien op het misdrijf moord in zijn algemeenheid en niet specialiter op de onderhavige zaak, zulks terwijl "de persoon van verdachte" en, naar het gevoelen van requirant van cassatie in casu evenzeer "de omstandigheden, waaronder (het) feit is gepleegd", "zoals een en ander ter terechtzitting naar voren is gekomen", niet los te denken zijn van de sterk verminderde mate van toerekenbaarheid van het feit aan de verdachte, die immers lijdende aan de geconstateerde gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke storing zijner geestvermogens in die omstandigheden tot dit feit is kunnen komen. Het Hof overweegt dan vervolgens, dat het "op grond van het vorenstaande en met name met het oog op een juiste normhandhaving van oordeel is, dat geen andere straf dan gevangenisstraf meebrengende vrijheidsneming behoort te worden opgelegd en dat niet kan worden volstaan met een kortere gevangenisstraf of een mildere vorm van die straf dan door de Rechtbank is opgelegd". Uit het aldus met betrekking tot de strafoplegging overwogene is voor requirant van cassatie niet onbegrijpelijk, dat hem gevangenisstraf wordt opgelegd, immers ervan uitgaande dat het feit hem slechts in sterk verminderde mate kan worden toegerekend, zou er te dezen (nog) enige toerekenbaarheid resteren en lijkt een ingevolge artikel 37a, eerste lid Sr. rechtdoen met inachtneming van de Tweede Titel, gelet op de aard en de ernst van het feit gevangenisstraf te indiceren. Onbegrijpelijk is echter, waarom hem gevangenisstraf voor de tijd van zes jaar wordt opgelegd, ten aanzien waarvan het Hof alleen lijkt te overwegen "dat niet kan worden volstaan met een kortere gevangenisstraf .. dan door de Rechtbank is opgelegd", hetgeen te dezen even zo weinigzeggend als wanneer zou zijn, overwogen, dat een gevangenisstraf voor langere duur dan de door de Rechtbank opgelegde te zwaar zou zijn, -zulks terwijl als reeds gesignaleerd het aan het hier overwogene- voorafgaande benevens de daar bij verdachte geconstateerde sterk verminderde mate van toerekenbaarheid overigens met betrekking tot dit feit en déze verdachte niets, althans naar het gevoelen van requirant van cassatie te weinig inhoudt, en in ieder geval te weinig om daar beantwoord te krijgen de aldus in wezen onbesproken gebleven, althans onvoldoende besproken vraag, waarom deze in sterk verminderde mate toerekeningsvatbare verdachte, gelet op alle omstandigheden waaronder het feit werd begaan terzake een gevangenisstraf voor de wel zéér lange duur van zes jaar krijgt opgelegd. Requirant van cassatie meent, dat hier niet is voldaan aan de bij artikel 359 Sv. op straffe van nietigheid voorgeschreven eis, dat. "zoveel mogelijk de omstandigheden (worden aangegeven), waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet"", nu zulks voor hem in het arrest onbegrepen blijft. Tenslotte is onbegrijpelijk, waarom "niet (zou kunnen) worden volstaan met ... een mildere vorm van (gevangenisstraf) dan door de Rechtbank is opgelegd", bij welk overwogene requirant van cassatie ieder inzicht in 'sHofs bedoelingen ontbeert.
- De conclusie van het Openbaar Ministerie De Advocaat-Generaal Meijers heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
- Bewezenverklaring Ten: laste van de verdachte is bewezenverklaard: "dat hij op 28 juli 1983 in de gemeente Arcen en Velden, na kalm beraad en rustig overleg, en met het opzet [slachtoffer] van het leven te beroven, door middel van een om diens hals aangebracht stuk touw samendrukkend geweld op de hals van deze [slachtoffer] heeft uitgeoefend, tengevolge waarvan deze [slachtoffer] is overleden.".
- Beoordeling van het middel 5.l. Het. Hof heeft in het bestreden arrest de strafoplegging als volgt gemotiveerd: "Overwegende ten aanzien van de straftoemeting: dat zowel het op 16 november 1983 als het op 13 augustus 1984 door [psychiater], psychiater bij de Psychiatrische Observatiekliniek van het. Gevangeniswezen te Utrecht, omtrent verdachte uitgebracht rapport respectievelijk aanvullend rapport - zoals deze rapporten door deze arts ter terechtzitting in hoger beroep als getuige-deskundige zijn toegelicht- de volgende conclusie behelzen, zakelijk weergegeven dat de verdachte ten tijde van het begaan van het te zijne laste bewezen te verklaren feit weliswaar de ongeoorloofdheid daarvan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid, overeenkomstig een dergelijk besef, te bepalen en dat hij daarom geacht moet worden toen lijdende te zijn geweest aan een zodanig gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke storing zijner geestvermogens, dat dit feit hem slechts in sterk verminderde mate kan worden toegerekend; Overwegende, dat het Hof dit deskundig oordeel overneemt en tot de zijne maakt; Overwegende, dat bij het bepalen van de op te leggen straf enerzijds rekening is gehouden met verdachtes, in voege als hierboven vermeld, sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid, doch daarbij anderzijds is uitgegaan van de aard en de ernst van het bewezen te verklaren feit, tot uitdrukking gebracht in het tegen dit feit bedreigde strafmaximum van levenslange gevangenisstraf of gevangenisstraf voor de tijd van twintig jaar, de omstandigheden, waaronder dit feit is gepleegd, en de persoon van verdachte, zoals een en ander ter terechtzitting naar voren is gekomen; Overwegende, dat het Hof op grond van het vorenstaande en met name met het oog op een juiste normhandhaving van oordeel is, dat geen andere straf dan gevangenisstraf meebrengende vrijheidsneming behoort te worden opgelegd en dat niet kan worden volstaan met een kortere gevangenisstraf of een mildere vorm van die straf dan door de Rechtbank is opgelegd ". 5.
- Aldus heeft het Hof genoegzaam opgegeven de bijzondere redenen die de strafoplegging hebben bepaald. De rechter die over de feiten oordeelt is, binnen de door de wet gestelde grenzen, vrij de straf op te leggen welke hem juist voorkomt. Tegen zijn op feitelijke waardering berustende beslissing kan in cassatie niet met vrucht worden opgekomen. Opmerking verdient dat de mate van schuld niet de enige factor is die de rechter daarbij in acht behoort te nemen, doch dat hij ook rekening kan houden met andere omstandigheden van feitelijke aard zoals de schok die een ernstig misdrijf in de rechtsorde heeft teweeggebracht en de generaal en speciaal preventieve werking welke van een dergelijke straf uitgaat. 5.
- Het middel, waarin het hiervoor onder 5.
- overwogene wordt miskend, faalt mitsdien.
- Slotsom Nu. het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
- Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president Van der Ven als voorzitter en de raadsheren Bronkhorst, De Groot, Haak en Beekhuis, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, en bij vervroeging uitgesproken op 15 juli 1985.