1 juli 1985Strafkamernr. 78.765 UJC Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 5 maart 1985 omtrent een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika (U.S.A.) tot uitlevering van:[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1De bestreden uitspraakDe Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar verklaard ter strafvervolging van de in de bestreden uitspraak onder 3b. en 4d. omschreven feiten. 2Het cassatieberoepHet beroep is ingesteld door [de opgeëiste persoon] . Namens deze heeft Mr. W.J. van Bennekom, advocaat te Amsterdam, het volgende middel van cassatie voorgesteld:Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van de artt. 3, 8 en 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb 1951, 154), hierna ook het Verdrag van Rome te noemen, en van art. 28 lid 2 van de Uitleveringswet, hierna ook UW te noemen, alsmede van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, door toelaatbaar te hebben verklaard de door de Verenigde Staten verzochte uitlevering van [de opgeëiste persoon] voornoemd, "ter strafvervolging ter zake van de onder 3b en 4d (in de bestreden uitspraak) omschreven feiten". Toelichting De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft in de bestreden uitspraak op zichzelf terecht overwogen dat de in het Verdrag van Rome neergelegde rechtsnormen door de rechter dienen te worden betrokken bij de toetsing van een verzoek tot uitlevering aan het Uitleveringsverdrag en de (Uitleverings)wet, als ook dat de in het Verdrag van Rome vastgelegde rechtsnormen, bij strijd met de voorwaarden waaronder Uitleveringsverdragen verplichten tot uitlevering, boven de laatstbedoelde voorwaarden prevaleren. Ten onrechte heeft de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam in de bestreden uitspraak echter niet tot de conclusie willen komen dat [de opgeëiste persoon] voornoemd na zijn uitlevering aan de Verenigde Staten in de staten waar hem strafvervolging wacht zal worden vervolgd, bestraft en bejegend op een wijze die in strijd is met de artikelen 3, 8 en 14 van het Verdrag van Rome.Requirant tot cassatie heeft tijdens de behandeling van het uitleveringsverzoek door de Rechtbank doen betogen dat hij, als – voormalig – paedofiel, in de Verenigde Staten, aan een dusdanig onevenredig zware bestraffing en bejegening zal zijn blootgesteld (pleitaantekeningen Mr W.J. van Bennekom, blz 1) dat de genoemde artikelen van het Verdrag van Rome door zijn uitlevering aan de V.S. noodzakelijkerwijs worden geschonden (idem, blz 5). Ter adstructie van dit betoog heeft requirant tot cassatie er enerzijds op doen wijzen (idem, blz 4 en 5) dat de genoemde artikelen van het Verdrag van Rome tot gevolg hebben dat niemand, wat ook zijn (sexuele) geaardheid is, mag worden onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (inhuman or degrading treatment or punishment", bedoeld in art. 3 van het Verdrag van Rome), en dat iedereen, wat ook zijn (sexuele) geaardheid is, recht heeft op respect voor zijn privé-leven ("private life" als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag van Rome), en anderzijds dat requirant tot cassatie- bij een veroordeling terzake van de feiten waar zijn uitlevering voor wordt gevraagd alleen al in de staat Florida tot tenminste 52 jaar gevangenisstraf zal moeten worden veroordeeld (pleitaantekeningen p. 5);- bij een veroordeling terzake van de feiten waar zijn uitlevering voor wordt gevraagd alleen al in de staat Florida na een veroordeling op grond van "sexual battery" tenminste 25 jaar gevangenisstraf voor iedere veroordeling afzonderlijk dient uit te zitten alvorens voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking kan komen (proces-verbaal van de terechtzitting, p. 7);- na uitlevering aan de V.S. aldaar zowel door de justitiële autoriteiten als door de media, medegevangenen etc. etc. zal worden aangepakt op een zodanige wijze dat niet slechts van "prosecution" maar ook van "persecution" moet worden gesproken (pleitaantekeningen p. 4), - ter adstructie van welke stelling namens requirant tot cassatie een advies van de Amerikaanse advocaat Michael C. Pollina d.d. 1 februari 1985 en een artikel uit het Amerikaanse weekblad "Newsweek" d.d. 14-5-1984 is overgelegd, alsook gewezen is op een groot aantal, in de bij de pleitaantekeningen van Mr. W.J. van Bennekom behorende "appendix" genoemde, grotendeels op de Amerikaanse justitiële praktijk betrekking hebbende, feiten of omstandigheden die de evenbedoelde stelling gemotiveerd staven. De Rechtbank heeft op dit betoog op geen andere wijze gerespondeerd dan door de – niet nader toegelichte of gemotiveerde – algemene overweging dat "niet aannemelijk (is) geworden dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering in strijd met de artikelen 3, 8 en 14 van het Verdrag van Rome () zal worden vervolgd en gestraft ()"en door de – evenmin nader toegelichte of gemotiveerde – overwegingen dat "niet aannemelijk is geworden dat hij zal worden vervolgd alleen op grond van zijn mogelijke behoren tot die groep van de Amerikaanse bevolking () die door hem gemanifesteerde sexuele geaardheid heeft die aan de hem telastegelegde feiten ten grondslag ligt" en dat eveneens niet aannemelijk is geworden "dat de eventueel op te leggen straffen daar zullen worden tenuitvoergelegd op een wijze die strijdig is met artikel 3 van het Verdrag van Rome". Het summiere karakter van de motivering van deze overwegingen trekt al hierom de aandacht omdat de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State het in beginsel wel degelijk mogelijk acht dat personen op grond van vervolging wegens hun sexuele geaardheid in Nederland als vluchteling (in de zin van artikel 15 Vreemdelingenwet) moeten worden toegelaten (Afd. Rechtspraak 13/8/1981 R.V. 1982, 5). Het moge zo zijn dat de vraag of requirant tot cassatie als vluchteling in de zin van artikel 15 Vreemdelingenwet is te beschouwen primair door de administratie dient te worden beantwoord, en dat het antwoord op deze vraag niet per definitie samenvalt met het antwoord op de vraag of de artikelen 3, 8 en 14 van het Verdrag van Rome zijn geschonden, een en ander neemt niet weg dat de Rechtbank zich niet op een zo weinig gemotiveerde wijze van het namens requirant voorgedragen betoog had mogen afmaken. Zulks geldt a fortiori nu de Staatssecretaris van Justitie ten tijde van de bestreden uitspraak nog niet had beslist op het op 30 januari 1985 door requirant tot cassatie ondertekende verzoek om op de voet van artikel 15 Vreemdelingenwet als vluchteling in Nederland te worden toegelaten enerzijds, en nu het advies van de Rechtbank (d.d. 5 maart 1985) aan de Minister van Justitie omtrent het aan het verzoek tot uitlevering te geven gevolg – welk advies er in een casuspositie als de onderhavige impliciet mede toe strekt c.q. dient te strekken om de Minister c.q. Staatssecretaris van Justitie van advies te dienen met betrekking tot de vraag of zijn verzoek om als vluchteling te worden toegelaten al dan niet dient te worden gehonoreerd – op geen enkele wijze is gemotiveerd anderzijds. Zowel gelet op artikel 7 lid 2 van het Amerikaans-Nederlandse uitleveringsverdrag, onder meer bepalend dat de uitvoerende autoriteit van de aangezochte Staat "in bijzondere situaties" de uitlevering kan weigeren, met name "indien zij redenen heeft om van oordeel te zijn dat uitlevering onverenigbaar is met humanitaire ovérwegingen", alsook gelet op de rechtspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State (zie onder meer AR 20 oktober 1978, AB 1979, m.n. F.H. van der Burg), inhoudend dat een beschikking tot uitlevering van de Minister van Justitie krachtens de Wet AROB niet door de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State kan worden getoetst omdat een zodanige beschikking is aan te merken als een beschikking waarover krachtens wettelijk voorschrift de rechterlijke macht is gehoord, had de Rechtbank het advies aan de Minister tenminste dienen te motiveren. Ten principale geldt echter dat de Rechtbank, door te overwegen en op grond daarvan te beslissen zoals hierboven geciteerd niet slechts ten onrechte, want in strijd met op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, in het geheel niet is ingegaan op hetgeen namens requirant tot cassatie is betoogd met betrekking tot de duur van de – vermoedelijk – in de Verenigde Staten op te leggen en te ondergane straffen, noch ook op hetgeen namens hem is gesteld met betrekking tot de wijze waarop hij door andere personen en instanties (dan de gerechtelijke) zal worden bejegend, -door welke omissies de Rechtbank de gestelde schending van de artikelen 3, 8 en 14 van het Verdrag van Rome niet behoorlijk, althans in strijd met op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, heeft getoetst, -maar dat de Rechtbank bovendien en bovenal heeft miskend dat namens requirant tot cassatie gestelde feiten en omstandigheden geen andere conclusie toelaten dan dat de artikelen 3, 8 en 14 van het Verdrag van Rome door uitlevering van requirant tot cassatie aan de Verenigde Staten inderdaad zullen worden geschonden.Daaraan doet niet af dat hij na uitlevering aan de V.S. aldaar niet zal worden vervolgd alleen op grond van zijn mogelijk behoren tot de bevolkingsgroep (der – voormalige – paedofielen), -zoals de Rechtbank op zichzelf terecht overweegt.De strekking van de artikelen 3, 8 en 14 van het Verdrag van Rome kan immers niet worden geacht zo restrictief te zijn dat bedoelde Verdragsartikelen slechts dan geacht kunnen worden te zijn geschonden indien geen strafvervolging plaatsvindt terzake van feitelijke gedragingen, maar terzake van het enkele "bezitten" van een bepaalde sexuele geaardheid. Ook in die gevallen waarin, zoals in casu, de persoon die een bepaalde sexuele geaardheid bezit daar in die zin gevolg aan heeft gegeven dat hij zich feitelijk in overeenstemming met zijn geaardheid gedraagt is het terdege denkbaar dat vervolging van dit gedrag schending van de artikelen 3, 8 en 14 van het Verdrag van Rome oplevert, -ook als dit gedrag naar het recht van verzoekende staat strafbaar is.Uiteraard moet van land tot land en van geval tot geval worden beoordeeld of alsdan van schending van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden als bedoeld in het Verdrag van Rome sprake is. In het onderhavige geval had de Rechtbank die vraag evenwel op grond van de namens requirant tot cassatie gestelde feiten en omstandigheden bevestigend moeten beantwoorden. (Zie voor enkele gevallen waarin de Europese Commissie artikel 3 van het Verdrag van Rome geschonden achtte c.q. voorwaarden formuleerde waaronder dit Verdragsartikel zou zijn geschonden: Op.Com. 5-11-1969, §11-15, YB XII, pp. 501-503, Dec. Adm.Com. Ap. 5613/72, 5-3-1976 YB XIX, p. 256
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.