Hoge Raad der Nederlanden Derde kamer 20 februari 1985 nr. 22.618 ARREST gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 oktober 1983 betreffende de aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1974 tot en met
(5)van het Besluit van toepassing zijn, moet worden gedaan "voor den opdrachtgever"; - dat in het midden kan worden gelaten, of met het woord "opdrachtgever" wordt bedoeld, iemand, wiens opdracht strekt tot het betalen der belasting, dan wel in algemeenen zin degene die van des ondernemers dienst gebruik maakt; - dat toch de bezoeker van appellants bioscooptheater niet alleen van den dienst gebruik maakt, maar ook geacht kan worden tot het betalen der vermakelijkheidsbelasting opdracht te geven, zij het ook dat deze door den theaterexploitant redelijkerwijs te verwachten opdracht meestal reeds bij voorbaat krachtens voorschrift der gemeentelijke verordening, wordt uitgevoerd; - dat uit het hierboven overwogene voortvloeit, dat de vermakelijkheidsbelasting ter berekening der verschuldigde omzetbelasting op des ondernemers vergoeding moet worden in mindering gebracht" ". In Tariefcommissie 8707° (BNB 1959/350), beantwoordde de Tariefcommissie de vraag of leges, voldaan voor een aanvraagformulier voor een rijbewijs en voor een uittreksel uit het bevolkingsregister, alsmede kosten voor een medische verklaring ter zake, bedragen aan belasting zijn welke - ofschoon zij door de dienstverlener worden voldaan, in wezen als zodanig door de opdrachtgever, niet op diens naam, moeten worden gedragen - voor de berekening van de omzetbelasting buiten de vergoeding dienen te worden gehouden. In casu overwoog de Tariefcommissie dat volgens artikel 11 van de Wet op de omzetbelasting 1954 " "onder de vergoeding wordt verstaan het totale bedrag dat degene, aan wie de dienst wordt bewezen, ter zake van de dienst wordt in rekening gebracht; - dat volgens het vierde lid van dit artikel op de vergoeding in mindering kunnen worden gebracht de voor de opdrachtgever aan belasting - invoerrecht daaronder begrepen - gedane uitschotten; - dat de bedoeling van dit artikel is om bedragen aan belasting, welke door de dienstverlener worden voldaan, echter, hoewel zij in wezen als zodanig door de opdrachtgever moeten worden gedragen niet op diens naam, voor de berekening van de o.b. buiten de vergoeding te houden" ". Uit beide uitspraken is op te maken, dat de Tariefcommissie voor de aanwezigheid van uitschotten het wezen van belasting, welke drukt op degenen jegens wie de dienst wordt verricht, bepalend acht. Er is volgens de Tariefcommissie in zijn uitspraak 7269° (BNB 1953/344, bladzijde 850) dan ook geen sprake van uitschotten in het geval van een naar de oppervlakte geheven belasting, ook al wordt deze vermakelijkheidsbelasting genoemd, welke " "naar haar wezen niet door de bezoeker van de vermakelijkheid is verschuldigd, noch door deze wordt betaald, waaraan niet afdoet, dat uiteraard, gelijk andere kosten, ook deze kosten door de ondernemer bij de calculatie van zijn vergoeding in aanmerking zullen worden genomen" ". Voorts overwoog de Tariefcommissie in casu " "dat deze oppervlaktebelasting geheel het karakter draagt van een op de ondernemer van de vermakelijkheid drukkende bedrijfslast, welke als zodanig niet rechtstreeks deel uitmaakt van de door de bezoeker(s) betaalde vergoeding" ". De vermakelijkheidsbelasting, die een exploitant van speelapparaten op kermissen moet voldoen, mag evenmin als uitschot worden beschouwd, omdat zij " "in wezen niet door de bezoekers verschuldigd is, immers er geen relatie bestaat tussen het aantal personen dat gebruik maakt van de inrichtingen van de appellant en de door hem te betalen vermakelijkheidsbelasting" ", aldus de Tariefcommissie in zijn besluit 10708° (resolutie 11 december 1973, B 73/25756). Belanghebbende moge thans stilstaan bij het wezen van de toeristenbelasting. De strekking van de toeristenbelasting is " "een tegemoetkoming in de kosten van de huishouding der gemeente, voor zover deze voortvloeien uit voorzieningen welke (mede) in het belang van het toerisme worden getroffen" " (Memorie van Toelichting bij het ontwerp van Wet van 24 december 1970, Stb. 608, TK 9538, bladzijde 24, linker kolom). Artikel 276 van de Gemeentewet schrijft niet bindend voor wie als belastingplichtigen voor de heffing van toeristenbelasting moeten worden aangemerkt. In het eerste lid van dit artikel wordt als belastbaar feit genoemd " "het houden van verblijf binnen de gemeente door personen die niet in het bevolkingsregister der gemeente zijn opgenomen" ". Hierbij zij opgemerkt, dat het gelegenheid bieden van verblijf niet als belastbaar feit is aangemerkt. Dat degene die gelegenheid tot verblijf geeft niet uitsluitend als belastingplichtige kan worden aangewezen - en dat derhalve ook de verblijfhouder belastingplichtig kan zijn - blijkt uit het tweede lid van artikel 276 van de Gemeentewet, waar sprake is van " "Voor zover de belasting wordt geheven van hem, die gelegenheid tot verblijf biedt, (...)" ". De keuze van de belastingplichtige door de gemeente hangt direct samen met wat in de feitelijke omstandigheden als de meest efficiënte heffingstechniek moet worden beschouwd. Hier moge tevens worden verwezen naar de Editie Vakstudie Gemeentelijke Belastingen, commentaar op artikel 276, bladzijde 13, waar wordt gesteld, dat het de bedoeling van artikel 276 van de Gemeentewet is dat in beginsel degene die gelegenheid tot verblijf biedt, wanneer hij als belastingplichtige is aangewezen, de voor hem geheven toeristenbelasting als zodanig moet verhalen op de personen die van de door hem geboden gelegenheid tot verblijf gebruik maken. Gezien het wezen van de toeristenbelasting in het algemeen en die welke in de gemeente [Z] wordt geheven op grond van de Verordening, waarvan een afdruk tot de stukken behoort, en gezien het feit dat belanghebbende in casu ter zake van het gelegenheid bieden tot verblijf met overnachten op zijn camping aan zijn gasten op de afrekeningsnota's afzonderlijk ƒ 0,25 toeristenbelasting per persoon per overnachting onder de naam toeristenbelasting als zodanig in rekening brengt, zulks ingevolge de artikelen 1, 2 en 5 van de bovengenoemde Verordening, dienen de bedragen die belanghebbende aan toeristenbelasting aan de gemeente [Z] verschuldigd is en welke als zodanig door hem aan zijn campinggasten in rekening worden gebracht, als uitschotten aan toeristenbelasting te worden aangemerkt." De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend. Belanghebbende heeft de zaak mondeling doen toelichten door mr. J.W. Meijer, advocaat te 's-Gravenhage. De Advocaat-Generaal mr. Van Soest heeft op 7 november 1984 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het Hof, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot een ten bedrage van ƒ 1.142,--.
- Beoordeling van het beroep in cassatie. 4.
- Artikel 4, aanhef en letter c, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: het Besluit) bepaalt, voor zover te dezen van belang, dat tot de vergoeding niet behoren de voor degene, aan wie de dienst wordt bewezen, aan invoerrechten en andere belastingen en heffingen gedane uitschotten. Het tweede middel keert zich terecht tegen 's Hofs opvatting van deze bepaling, welke hierop neerkomt dat van een uitschot aan belasting als daarin bedoeld slechts sprake kan zijn indien degene aan wie de dienst wordt bewezen ook zelf de bevoegdheid heeft de belasting aan de heffende instantie te voldoen. Het Besluit is tot stand gekomen nadat zich ten aanzien van het bepaalde in artikel 5, lid 5, van het Besluit op de Omzetbelasting 1940 respectievelijk in artikel 11, lid 4, letter d, van de Wet op de Omzetbelasting 1954 - welke bepalingen dezelfde begrippen hanteerden als later artikel 4, letter c, van het Besluit - een vaste jurisprudentie van de Tariefcommissie had ontwikkeld waarvan de strekking kan worden weergegeven als volgt: belasting, die naar evenredigheid van de dienst verschuldigd is door degene die de dienst verricht en als zodanig afzonderlijk en naar evenredigheid van de dienst wordt doorberekend aan degene aan wie de dienst wordt bewezen, behoort tot de uitschotten aan belasting. Aangenomen moet worden dat bij het tot stand komen van het Besluit niet is beoogd het begrip uitschotten aan belasting beperkter op te vatten dan de Tariefcommissie tot dan toe had gedaan. Indien toch de besluitgever een beperktere betekenis aan dat begrip had willen toekennen, zou hij gelet op vorenbedoelde rechtspraak zulks in de tekst van het Besluit tot uitdrukking hebben moeten brengen. De door het Hof aangenomen beperking als hiervoren vermeld kan dan ook niet worden aanvaard. Evenmin is juist het door de Inspecteur in zijn vertoogschrift bij het Hof ingenomen standpunt dat de onderhavige bepaling van het Besluit in overeenstemming is met hetgeen is neergelegd in onderdeel 13, vierde alinea, van Bijlage A bij de op 11 april 1967 vastgestelde Tweede richtlijn van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting (hierna: de Tweede richtlijn). Uit de bewoordingen van artikel 4 van het Besluit blijkt dat deze bepaling niet is afgestemd op voormeld onderdeel
- 4.
- Uit 's Hofs uitspraak blijkt: dat belanghebbende op het grondgebied van de gemeente [Z] een camping exploiteert; dat belanghebbende ter zake van het gelegenheid bieden tot verblijf met overnachten op zijn camping aan zijn gasten op de afrekeningsnota's afzonderlijk - onder de naam toeristenbelasting - per persoon per overnachting ƒ 0,25 in rekening heeft gebracht; dat belanghebbende dit heeft gedaan omdat de gemeente [Z] een toeristenbelasting van ƒ 0,25 per persoon per overnachting heft ingevolge haar Verordening op de heffing en invordering van een toeristenbelasting. Uit een en ander, in samenhang met de artikelen 1, 2, 4 en 5 van evenbedoelde verordening en met het hiervoren onder 4.1 overwogene, volgt dat de door belanghebbende aan zijn gasten in rekening gebrachte toeristenbelasting moet worden gerekend tot de uitschotten als bedoeld in artikel 4, letter c, van het Besluit. 4.
- In het vertoogschrift van de Staatssecretaris ligt besloten de stelling dat onderdeel 13, vierde alinea, van Bijlage A bij de Tweede richtlijn aldus moet worden opgevat dat door de Lid-Staten van de belastinggrondslag slechts mogen worden uitgesloten die belastingen welke bij invoer door douane-agenten en andere tussenpersonen op het gebied van de douane op eigen naam zijn betaald. Ook indien die stelling juist mocht zijn, volgt daaruit niet dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op toepassing van de onderhavige bepaling van het Besluit. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, zoals door dat Hof samengevat in zijn arrest van 25 januari 1983, zaak 126/82, Nederlandse Jurisprudentie 1984 nummer 326, blijkt dat particulieren, telkens wanneer de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, zich in rechte op die bepaling kunnen beroepen indien de betrokken Lid-Staat binnen het raam van zijn nationale wetgeving de richtlijn niet op de juiste wijze heeft ten uitvoer gelegd. Die rechtspraak noch artikel 189 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap bevat enige aanwijzing ter ondersteuning van de opvatting dat de belastingadministratie van een Lid-Staat zich op grond van het communautaire recht tegenover een belastingplichtige kan beroepen op een richtlijn van de Raad wanneer een door die belastingplichtige ingeroepen bepaling van de nationale wetgeving met die richtlijn in strijd is. De Hoge Raad acht het dan ook duidelijk dat toepassing van artikel 4, aanhef en letter c, van het Besluit ten gunste van belanghebbende niet door het recht van de Europese Gemeenschappen wordt verhinderd. 4.
- Uit het voorgaande volgt dat het tweede middel doel treft. Het eerste middel behoeft geen behandeling meer.
- Slotsom. De gegrondheid van het tweede middel brengt mede dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de hoofdzaak beslissen.
- Beslissing. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, vernietigt de uitspraak van de Inspecteur en vermindert de naheffingsaanslag tot een ten bedrage van ƒ 1.142,--. Aldus gewezen door mrs. Vroom, vice-president, Stol, Jansen, Van der Linde en Roelvink, raden. Uitgesproken door de vice-president voornoemd ter raadkamer van 20 februari 1985, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Van den Dries.