← Nederland

ECLI:NL:HR:1987:AC9839

Hoge Raad der Nederlanden derde kamer 20 mei

  1. nr.
  2. ARREST in. de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. Koninklijke Maatschappij "De Schelde", gevestigd te Vlissingen, eiseres tot cassatie, advocaat: mr. J.L.W. Sillevis Smitt, tegen [verweerder], wonende te [woonplaats], verweerder in cassatie, advocaat: mr. H.A. Groen.
  3. Het geding in feitelijke instantie. Verweerder in cassatie (hierna te noemen: [verweerder]) heeft bij exploot van 9 september 1985 eiseres tot cassatie (hierna te noemen: De Schelde) gedagvaard voor het Gerechtshof te Amsterdam (Ondernemingskamer) en gevorderd dat De Schelde zal worden veroordeeld een nieuwe jaarrekening en nieuw jaarverslag over 1984 op te stellen, die voldoen aan de daaraan door de Wet gestelde eisen, althans in te richten overeenkomstig de bij rechterlijk bevel te geven aanwijzingen, met veroordeling van De Schelde in de kosten. Nadat De Schelde tegen die vordering verweer had gevoerd en [verweerder] nog een akte had genomen, heeft de Ondernemingskamer bij arrest van 26 juni 1986 de in dat arrest bedoelde accountant ten verhoor opgeroepen en partijen gelast bij dat verhoor tegenwoordig te zijn tot het geven van inlichtingen, met aanhouding van iedere verdere beslissing. Het arrest van de Ondernemingskamer is aan dit arrest gehecht.
  4. Het geding in cassatie. Tegen het arrest van de Ondernemingskamer heeft De Schelde beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, kosten rechtens. Partijen hebben de zaak doen bepleiten, De Schelde door mr. O.L.O. de Witt Wijnen, advocaat te Rotterdam, en [verweerder] door zijn advocaat. De Advocaat-Generaal mr. Verburg heeft op 11 februari 1987 geconcludeerd tot vernietiging van 's Hofs arrest.
  5. Beoordeling van het middel van cassatie. 3.
  6. Als verweer tegen de door [verweerder] in dit geding op de voet van artikel 999 Rv. tegen De Schelde ingestelde vordering heeft deze laatste voor het Hof onder meer aangevoerd dat [verweerder] niet is aan te merken als belanghebbende in de zin van dat artikel, zodat hij in die vordering niet kan worden ontvangen. Bij zijn bestreden arrest is het Hof echter van de ontvankelijkheid van [verweerder] uitgegaan. Hiertegen keert zich het middel. 3.
  7. Voor zover het daarbij opkomt tegen 's Hofs oordeel dat een werknemer reeds uit hoofde van zijn dienstbetrekking behoort tot de kring van de bij de onderneming betrokkenen ter bescherming van wier belangen de jaarrekeningprocedure in het leven is geroepen, faalt het middel, daar dit oordeel, beschouwd tegen de achtergrond van de hedendaagse rechtsopvattingen zoals die onder meer tot uiting komen in de huidige wetgeving op het gebied van het ondernemingsrecht, juist is. 3.
  8. De omstandigheid dat de werknemer behoort tot de hiervoor bedoelde kring, brengt mee dat te zijnen aanzien het door artikel 999 vereiste belang om door middel van de jaarrekeningprocedure op te komen tegen de inrichting van de in dat artikel bedoelde stukken, wordt verondersteld, zodat hij in die procedure geen feiten en omstandigheden behoeft te stellen waaruit valt af te leiden dat voor hem nadeel is verbonden aan de wijze waarop die stukken zijn ingericht. 3.
  9. Maar hij kan niet als belanghebbende in vorenbedoelde zin gelden, indien zijn wederpartij in de procedure stelt, en in geval van betwisting bewijst, dat achterwege blijven van de door hem verlangde wijziging in de inrichting der stukken, gelet op de omstandigheden van het geval, geen nadeel voor hem in zijn betrokkenheid als werknemer bij de onderneming kan opleveren. Alsdan zal hij in zijn vordering dus niet kunnen worden ontvangen. 3.
  10. Opmerking verdient in dit verband dat De Schelde blijkens de stukken van het geding voor het Hof heeft aangevoerd - samengevat weergegeven - dat degene die, zoals [verweerder], niet alleen werknemer maar ook lid van de ondernemingsraad van de betrokken onderneming is, in geen geval kan gelden als belanghebbende in de zin van artikel 999 indien hij niet, alvorens de in dit artikel bedoelde vordering in te stellen, gebruik heeft gemaakt van de hem als lid van de ondernemingsraad openstaande mogelijkheid om zijn bedenkingen tegen de jaarstukken aan de ondernemer voor te leggen. Dit betoog kan echter niet als juist worden aanvaard, reeds op grond van de omstandigheid dat voor het benutten van die mogelijkheid slechts een beperkte tijdsruimte beschikbaar is in verband met de bij artikel 1001 Rv. voor het instellen van de vordering gestelde termijn van twee maanden. 3.
  11. Het vorenstaande brengt mee dat het middel ten dele gegrond is en het bestreden arrest niet in stand kan blijven. Na verwijzing dient De Schelde gelegenheid te worden geboden haar stellingen voor zover nodig aan te passen aan de hiervoor geformuleerde regel betreffende de stelplicht in een geval als het onderhavige.
  12. Beslissing. De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest; verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam; verwijst [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van De Schelde begroot op f. 529,35 aan verschotten en f. 3.000, -- voor salaris. Aldus gewezen door mrs. Royer, vice-president, Jansen, Van der Linde, Baardman en Bellaart, raden. Uitgesproken door de vice-president voornoemd ter openbare terechtzitting van 20 mei 1987, in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Moltmaker.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.