27 maart 1987 Eerste Kamer Nr. 12.807 AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: DE GEMEENTE AMSTERDAM, waarvan de zetel is gevestigd te Amsterdam, EISERES tot cassatie, incidenteel verweerster, advocaat: voorheen Mr. W. Blackstone, thans Mr. R.M. Schutte, t e g e n IKON BELEIDSKONSULENTEN B.V., gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTER in cassatie, incidenteel eiseres, advocaat: Mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt. 1. Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie — verder te noemen de Gemeente — heeft bij exploot van 23 mei 1978 verweerster in cassatie — verder te noemen Ikon gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd Ikon te verbieden het perceel Bachstraat 15 te Amsterdam te gebruiken anders dan als woonhuis. Nadat Ikon tegen die vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 28 mei 1980 de vordering toegewezen. Tegen dit vonnis heeft Ikon hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij tussenarresten van 25 juni 1981 en 6 oktober 1983 heeft het Hof — met aanhouding van elke verdere beslissing — de Gemeente opgedragen bij akte een overzicht te verstrekken als in die arresten vermeld en bij eindarrest van 3 januari 1985 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank vernietigd en de vordering alsnog afgewezen. De arresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de arresten van het Hof heeft de Gemeente beroep in cassatie ingesteld, waarna Ikon incidenteel beroep heeft ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie houdende het incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van de beroepen. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal Franx strekt tot vernietiging van de bestreden arresten en tot verwijzing van de zaak naar een ander hof wegens gegrondheid van het principale cassatieberoep en tot verwerping van het incidentele cassatieberoep. 3. Beoordeling van de middelen in het principale beroep 3.1 Het gaat in deze zaak om een vordering van de Gemeente ter verkrijging van een verbod aan Ikon het door haar als kantoor gebruikte perceel Bachstraat 15 te Amsterdam — waarvan de Gemeente eigenaar is en Ikon erfpachter — anders dan als woonhuis te gebruiken. Grondslag van deze vordering is, dat het perceel volgens de bij de uitgifte in erfpacht in 1929 van een rechtsvoorganger van Ikon bedongen bijzondere bepaling moet worden ingericht en gebruikt als woonhuis en dat volgens artikel 9 sub a der Algemene Bepalingen 1915 het de erfpachter niet is geoorloofd deze bestemming te veranderen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming — het artikel spreekt over ‘’vergunning’’ — van Burgemeester en Wethouders. Deze vordering is door de Rechtbank toegewezen, maar door het Hof afgewezen. In het principale cassatieberoep gaat het nog uitsluitend om het beroep op het gelijkheidsbeginsel dat naar het oordeel van het Hof (rechtsoverweging 12 en 14 e.v. van het eerste tussenarrest) besloten lag in grief 2 van Ikon en de daarop gegeven toelichting. 3.2 Onderdeel 2 van middel I — onderdeel 1 bevat geen klacht — betoogt dat het Hof met laatstbedoeld oordeel buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden en voorts dat dit oordeel onbegrijpelijk is, evenwel tevergeefs. Nu het Hof in de tweede grief van Ikon en de daarop gegeven toelichting een beroep op het gelijkheidsbeginsel besloten heeft geacht, is het niet buiten de rechtsstrijd van partijen getreden door dit beroep te behandelen. 's Hofs oordeel is ook niet onbegrijpelijk gelet op hetgeen Ikon in haar memorie van grieven heeft aangevoerd. In dit verband verdient nog opmerking dat de gemeente in het verdere verloop van het geding voor het Hof ampel de gelegenheid heeft gehad zich tegen dit beroep op het gelijkheidsbeginsel te verweren. 3.3 Onderdeel 3 van middel I richt zich in de eerste plaats tegen 's Hofs oordeel (eerste tussenarrest, rechtsoverweging 12) dat ‘’de overheid, ook bij het uitoefenen van bevoegdheden uit privaatrechtelijke overeenkomsten als de onderhavige, algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht dient te nemen’’, evenwel tevergeefs. Een overheidslichaam behoort bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden uit een erfpachtsverhouding de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en derhalve ook het gelijkheidsbeginsel als een van die beginselen — in acht te nemen. Voor zover het slot van het onderdeel onder a, betoogt dat het gelijkheidsbeginsel hier slechts aan de orde zou kunnen komen in het kader van de toepassing van een aan de overheid meer ruimte latende redelijkheidsmaatstaf en daarom hier een zwakkere werking dan in het bestuursrecht zou hebben, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting. 3.4 Terecht voert het onderdeel evenwel voorts aan dat de wijze waarop het Hof in rechtsoverweging 16 van het eerste tussenarrest het gelijkheidsbeginsel hanteert, niet juist is. Het Hof heeft in deze rechtsoverweging geoordeeld dat nu (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.