← Nederland

ECLI:NL:HR:1988:AC3185

13 september 1988 Strafkamer nr. 82.809 JF Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 februari 1987 in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [plaats].

  1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - behoudens ten aanzien van het voorwaardelijk deel van de strafoplegging - bevestigd het vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Middelburg van 3 juli 1986, waarbij de verdachte tot straf is veroordeeld ter zake van I en II: "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd". Het Hof heeft de verdachte deswege veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
  2. Het cassatieberoep Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens hem heeft Mr. G. Spong, advocaat te 's-Gravenhage, de volgende middelen van cassatie voorgesteld: MIDDEL I Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de artt. 344, 415 Sv. geschonden doordien het Hof voor het bewijs heeft gebezigd een proces-verbaal nr. 0100 van 29 januari 1986 inhoudende als verklaring van [getuige 1] voorzover hier van belang luidende: "Ik vermoed dat [verdachte] deze kascheques uit mijn woning heeft weggenomen, deze vals heeft ingevuld en verzilverd." en "Ik vermoed dat [verdachte] ook de betreffende girobetaalkaarten van mij heeft weggenomen en van een valse handtekening heeft voorzien." alsmede de verklaring van [getuige 2] luidende: "Ik vermoed dat [verdachte] deze van mij heeft weggenomen en deze van een valse handtekening heeft voorzien." Zulks ten onrechte, aangezien vorenweergegeven verklaringen een mening of gissing behelzen die niet als een mededeling van zelf waargenomen feiten of omstandigheden kunnen worden aangemerkt. MIDDEL II Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de artt. 359, 415 Sv. geschonden op grond van het volgende: Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft rekwirant voorzover hier van belang verklaard: "Het is juist dat ik gouden ringen en een fototoestel heb weggenomen bij [getuige 1] ." "Ook heb ik mij schuldig gemaakt aan flessetrekkerij." In vorenweergegeven verklaring had het Hof reden moeten zien te motiveren waarom deze erkende feiten niet ad informandum bij de bepaling van de straf in aanmerking zijn genomen, temeer nu uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet kan worden afgeleid dat bij het Openbaar Ministerie het voornemen leeft rekwirant alsnog voor deze feiten te vervolgen. Voorts is de motivering van de straf onbegrijpelijk op grond van het volgende. Voorzover hier van belang heeft de Politierechter, wiens vonnis in dit opzicht door het Hof is bevestigd, zakelijk weergegeven overwogen: "De Politierechter acht onvoorwaardelijke gevangenisstraf in deze juist nu verdachte zich keer op keer aan bovengenoemd ernstig misdrijf heeft schuldig gemaakt en steeds opzettelijk misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat de benadeelden hem schonken, zonder kennelijk geraakt te worden door het inzicht in de laakbaarheid van zijn handelen." Deze motivering is onbegrijpelijk, aangezien uit het vonnis noch uit het onderzoek ter terechtzitting zoals dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft plaatsgehad kan blijken dat rekwirant steeds opzettelijk misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat de benadeelden hem schonken. Ook de omstandigheid dat rekwirant kennelijk niet geraakt is geworden door het inzicht in de laakbaarheid van zijn handelen is onbegrijpelijk nu rekwirant blijkens het proces-verbaal in hoger beroep heeft verklaard dat hij ter genoegdoening van [getuige 1] een fototoestel merk Cannon T 70 aan de politie heeft afgestaan, welke verklaring bezwaarlijk anders valt te verstaan dan dat rekwirant wel degelijk de laakbaarheid van zijn handelen inziet en bovendien ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij spijt heeft.
  3. De conclusie van het Openbaar Ministerie De Advocaat-Generaal Meijers heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof.
  4. Bewezenverklaring en bewijsvoering 4.
  5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard: I. dat verdachte op verschillende tijdstippen omstreeks de periode december 1984 tot en met juni 1985 in de [plaats] telkens opzettelijk valselijk heeft opgemaakt een kascheque van de Postgiro en de Rijkspostspaarbank en een girobetaalkaart van de Postcheque- en Girodienst, die ten name van [getuige 1] , [a-straat 1] te [plaats] was gesteld, zijnde een kascheque en een girobetaalkaart een geschrift waaruit enig recht kan ontstaan door toen aldaar telkens opzettelijk valselijk op drie kascheques als boven bedoeld het getal 500 en op 20 girobetaalkaarten als boven bedoeld respectievelijk eenmaal het getal 100, eenmaal het getal 105 en 18 maal het getal 200, zowel in cijfers als in letters als uit te betalen bedrag te vermelden; en voorts die kascheques en girobetaalkaarten van tekens te voorzien die voor de handtekening van die [getuige 1] moesten doorgaan, welk valselijk opmaken telkens geschiedde met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken, uit welk gebruik enig nadeel kon ontstaan. II. dat hij op verschillende tijdstippen in de periode gevormd door de maanden juli 1985 tot en met augustus 1985 in de [plaats] telkens opzettelijk valselijk heeft opgemaakt een Eurocheque van de Algemene Bank Nederland, die ten name van [getuige 2] was gesteld, zijnde een Eurocheque een geschrift waaruit enig recht kon ontstaan, door toen aldaar telkens opzettelijk, valselijk op 5 Eurocheques als boven bedoeld respectievelijk 3 maal het getal 200, eenmaal het getal 250 en eenmaal het getal 300, als uit te betalen bedrag te vermelden, en voorts die Eurocheque van tekens te voorzien die voor de handtekening van die [getuige 2] moesten doorgaan, welk valselijk opmaken telkens geschiedde met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken, uit welk gebruik enig nadeel kon ontstaan. 4.
  6. De Politierechter heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen: een ambtsedig proces-verbaal nr. 0100 van 29 januari 1986 opgemaakt door [verbalisant] , hoofdagent-rechercheur van de gemeentepolitie te Middelburg, voor zover inhoudende als relaas van bevindingen en verrichtingen van de verbalisant: Feit I. "Op 21 augustus 1985 hoorde ik een persoon die opgaf te zijn genaamd: [getuige 1] . Deze deed aangifte. En verklaarde: "In de maanden maart, april en juni 1985 kreeg ik rekeningafschriften van de girodienst waarop kasopnamen stonden vermeld van mijn girorekening [rekeningnummer 1] van drie maal 500,
  7. Ik heb toen fotokopieën van de gebruikte kascheques opgevraagd en ik zag die die kascheques ieder voor f 500,00 waren verzilverd en van een valse handtekening voorzien. Ik had de kascheques nooit ingevuld of ondertekend. Ik vermoed dat [verdachte] deze kascheques uit mijn woning heeft weggenomen, deze vals heeft ingevuld en verzilverd. Ik heb niemand toestemming gegeven de kascheques weg te nemen en de kascheques te vervalsen en als echt en onvervalst uit te geven. Ik doe hierbij aangifte tegen [verdachte] ." Op 15 januari 1986, ontving ik op mijn verzoek van de Postale Recherche te 's Gravenhage, girobetaalkaarten, volgnummers 2, 56, 59, 61, 62, 63, 65, 66, 67, 68, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 86, 98, 99 en
  8. Alle girobetaalkaarten waren voorzien van het [rekeningnummer 1] ten name van aangeefster [getuige 1] . Op 16 januari 1986, hoorde ik [getuige 1] , voornoemd. Vervolgens toonde ik haar de girobetaalkaarten met de volgnummers 2, 56, 59, 61, 62, 63, 65, 66, 67, 68, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 86, 98, 99, 100 van de girorekening [rekeningnummer 1] . Zij deed aangifte en verklaarde: "De girobetaalkaarten die u mij toont, heb ik zelf nooit ingevuld of ondertekend. Ik vermoed dat [verdachte] ook de betreffende girobetaalkaarten van mij heeft weggenomen en van een valse handtekening heeft voorzien. Ik herken op de bescheiden het handschrift van [verdachte] . De girobetaalkaarten waren in het geheel mijn eigendom. Ik heb niemand toestemming gegeven deze uit mijn woning weg te nemen met het oogmerk zich deze wederrechtelijk toe te eigenen en de girobetaalkaart te vervalsen en als echt en onvervalst uit te geven. Alleen [verdachte] kon bij de bescheiden. Door die handelingen van hem heeft hij mij nog eens financieel benadeeld." Feit II. Op 21 augustus 1985 hoorde ik [getuige 2] . Deze verklaarde: "Ik ben van echt gescheiden van [betrokkene 1] ." Op 21 oktober 1985 ontving ik op mijn verzoek van de stichting Bevordering Chequeverkeer vijf Eurocheques van de Algemene Bank Nederland. De Eurocheques waren voorzien van het [rekeningnummer 2] ten name van [getuige 2] . Ik zag dat de Eurocheque nummer 32 voor een bedrag van tweehonderdvijftig gulden was ingevuld op 5 augustus 1985; Eurocheque-nummer 43 voor een bedrag van driehonderd gulden op 5 augustus 1985; Eurocheque-nummer 44 voor een bedrag van tweehonderd gulden op 1 augustus 1985; Eurocheque-nummer 45 voor een bedrag van tweehonderd gulden op 31 juli 1985 en Eurocheque-nummer 49 voor een bedrag van tweehonderd gulden op 13 juni
  9. Alle vijf de Eurocheques waren voorzien van een duidelijk leesbare handtekening [getuige 2] . Op 22 oktober 1985 hoorde ik [getuige 2] . Vervolgens toonde ik haar de Eurocheques volgnummers 32, 43, 44, 45 en 49, waarna zij verklaarde: "De Eurocheques die u mij toont, heb ik niet ingevuld of ondertekend. Ik vermoed dat [verdachte] deze van mij heeft weggenomen en deze van een valse handtekening heeft voorzien. Deze cheques zijn geheel mijn eigendom. Ik had niemand toestemming gegeven om de cheques weg te nemen en de handtekening te vervalsen en ze als echt en onvervalst uit te geven." De verdachte, ter terechtzitting ondervraagd, verklaart -zakelijk weergegeven -: A. "Ik heb in de periode tussen december 1984 tot en met juni 1985 in [plaats] drie kascheques ten name van [getuige 1] , [a-straat 1] te [plaats] opzettelijk valselijk opgemaakt door in cijfers en letters het getal 500 op deze kascheques te plaatsen en deze cheques te ondertekenen met een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van eerdergenoemde [getuige 1] . Ik heb dit gedaan om op die manier geld van haar rekening te halen. Ik heb tevens in dezelfde periode en in [plaats] 19 girobetaalkaarten van diezelfde [getuige 1] voor hetzelfde doel gebruikt. Ik heb eenmaal het bedrag f 105, -- (honderdenvijf gulden), eenmaal het bedrag f 100, -- (eenhonderd gulden) en 17 maal het getal 200 op deze kaarten vermeld. Ook deze kaarten heb ik ondertekend met een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van eerdergenoemde [getuige 1] . Ik heb dit gedaan om op die manier geld van haar rekening te halen. A
  10. Ik heb in de maanden juli tot en met augustus 1985 in [plaats] vijf Eurocheques vervalst van [getuige 2] . Ik heb op drie cheques het getal 200, op één cheque het getal 250 en éénmaal op een cheque het getal 300 gulden vermeld. Die cheques heb ik ondertekend met een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van [getuige 2] . Ik heb dit gedaan om geld van haar rekening te halen. 4.
  11. Blijkens de aantekening van het mondeling vonnis in het proces-verbaal van de terechtzitting van de Politierechter is voormelde verklaring van verdachte, voor zover sub A vermeld ten aanzien van feit I en voor zover sub A2 vermeld ten aanzien van feit II gebezigd. 4.
  12. Het Hof heeft het vonnis van de Politierechter bevestigd, met dien verstande dat het in plaats van de in voormelde verklaring van de verdachte onder A voorkomende zin: "Ik heb tevens in dezelfde periode en in [plaats] 19 girobetaalkaarten van diezelfde . [getuige 1] voor hetzelfde doel gebruik." thans tot het bewijs doet medewerken de opgave van de verdachte, gedaan ter terechtzitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende: "U toont mij 20 girobetaalkaarten ten name van [getuige 1] , " [a-straat 1] te [plaats] . Ik heb deze cheques in de periode "tussen december 1984 tot en met juni 1985 in [plaats] telkens "opzettelijk valselijk opgemaakt en ondertekend met een "handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van die " [getuige 1] . Ik herken mijn handschrift."
  13. Beoordeling van het eerste middel 5.
  14. Voor zover het middel erover klaagt dat het Hof de daarin aangehaalde, op feit I betrekking hebbende volzinnen uit de hiervoren onder 4.2 weergegeven verklaring van [getuige 1] niet voor het bewijs had mogen gebruiken omdat deze een mening of gissing behelzen, faalt het. Immers, vorenbedoelde volzinnen heeft het Hof kennelijk verstaan - gelijk het deze ook heeft kunnen verstaan - als behelzende mededelingen van die [getuige 1] nopens de gedachten die bij haar zijn opgekomen naar aanleiding van haar in het vervolg van deze verklaring gerelateerde waarnemingen, luidende: "Ik herken op de bescheiden het handschrift "van [verdachte] . " en "Alleen [verdachte] kan bij de bescheiden." Aldus verstaan bevatten de betrokken volzinnen niets wat niet vatbaar is voor eigen waarneming en ondervinding. 5.
  15. De in het middel laatstweergegeven, op feit II betrekking hebbende volzin uit de hiervoren onder 4.2 weergegeven verklaring van [getuige 2] kan niet worden geacht een mededeling te behelzen omtrent feiten of omstandigheden welke die [getuige 2] zelf heeft waargenomen of ondervonden, zodat de bewezen- verklaring in zoverre niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. 5.
  16. De in het middel vervatte klacht dienaangaande is derhalve gegrond.
  17. Slotsom Het vorenoverwogene brengt mede dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en verwijzing moet volgen.
  18. Beslissing De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam ten einde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. Dit arrest is gewezen door de raadsheer De Waard als voorzitter, en de raadsheren Jeukens en Davids, in bijzijn van de waarnemend griffier Borst; en uitgesproken op 13 september 1988.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.