21 februari 1989 Strafkamer nr. 2316 Besch. JM Hoge Raad der Nederlanden Beschikking op het beroep in cassatie tegen een beschikking als bedoeld in artikel 27, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet, van de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 14 juli 1988 op het bezwaarschrift van: [klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1934, wonende te [woonplaats].
- De bestreden beschikking De Rechtbank heeft afgewezen het in het door [klager] ingediende bezwaarschrift vervatte verzoek strekkende tot teruggave van zijn rijbewijs.
- Het cassatieberoep Het beroep is ingesteld door [klager]. Namens hem heeft Mr. H.G. Kersting, advocaat te Amsterdam, het volgende middel van cassatie voorgesteld: requirant is van oordeel dat de Rechtbank te Alkmaar artt.24 en art 25 lid SV, art.13 Verdrag van Rome heeft geschonden. De raadsman van requirant is noch opgeroepen noch gehoord teneinde requirant bij te staan tijdens de behandeling in raadkamer op 14 juli
- Hoewel de beschikking d.d. 14-7-1988 vermeldt dat de advokaat wel gehoord is in raadkamer, is het proces-verbaal van de zitting onomstreden aangaande de afwezigheid van de raadsman. Art. 24 en 25 Sv zijn duidelijk geschonden, nu requirant in raadkamer niet is bijgestaan door zijn raadsman, laatstaan dat de raadsman ex art 24 lid 2 Sv en art 25 lid 2 Sv in staat is gesteld de nodige opmerkingen te maken c.q. opneming te verzoeken van eigen woorden in het proces-verbaal. M.a.w. de wet biedt requirant waarborgen dat hij van rechtsbijstand in raadkamer verzekerd is. Zo ook art 13 Verdrag van Rome. De raadsman van requirant had zich reeds gesteld bij schrijven d.d. 22 juni 1988 en verzoekt de datum van behandeling in raadkamer aan hem mee te delen (prod.1) .
- De conclusie van het Openbaar Ministerie De Advocaat-Generaal Leijten heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en verwijzing van de zaak naar het Hof van het ressort, ten einde deze opnieuw te berechten.
- Gronden van het bezwaarschrift en de beschikking 4.
- Het namens [klager] ingediende bezwaarschrift berust op de gronden: dat klagers rijbewijs 24 maart 1988 door de gemeentepolitie Alkmaar (buro Kerkeplein) in beslag is genomen terzake verdenking van overtreding van art. 26 wVw; dat klager een opleiding volgt voor rij-instructeur, ten bewijze waarvan kopie van de ontheffing ex art. 4 wet rij- onderricht motorrijtuigen wordt overlegd; dat klager binnenkort examen moet doen voor het diploma rij- instructeur; dat klagers belangen onevenredig geschaad worden indien hij dit examen niet kan afleggen wegens gemis van een rijbewijs. 4.
- De Rechtbank heeft dit bezwaarschrift - dat blijkens zijn gronden de rechtsgeldigheid van de invordering niet aanvecht - verworpen op de overwegingen: "dat is gebleken, dat van verzoeker, indien hij de beschikking over zijn rijbewijs zou herkrijgen, ook thans nog zodanige bedreiging van de veiligheid op de weg zou zijn te duchten dat daardoor de verdere inhouding van het ingevorderde rijbewijs zou kunnen worden gerechtvaardigd: dat derhalve gerechtvaardigd is de inhouding van het rijbewijs van verzoeker voornoemd voort te zetten".
- Beoordeling van het middel 5.
- Tot de stukken van het geding behoort een akte als bedoeld in art. 451, eerste lid, Sv blijkens welke Mr. J. Boot, advocaat te Alkmaar, op 28 juni 1988 het hiervoren onder 4.1 bedoelde bezwaarschrift ter griffie van de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar heeft ingediend, daarbij verklarende dat zij daartoe door [klager] bepaaldelijk was gemachtigd. 5.
- Tot de stukken van het geding behoort tevens een brief van de griffier van voormelde Rechtbank aan de hiervoren onder 1 genoemde Mr. Kersting, gedateerd 20 juli 1988, welke onder meer inhoudt als verklaring van de griffier: Bij beschikking van 30 juni 1988 heeft de rechtbank alhier de behandelingsdatum vastgesteld op 14 juli 1988 te 11.00 uur. Aan mevr.mr. Boot is een afschrift van de door haar ondertekende akte van indiening waarop deze behandelingsdatum werd aangetekend verstrekt. 5.
- Indien de Rechtbank al moest begrijpen dat niet Mr. J. Boot, advocaat te Alkmaar, maar Mr. H.G. Kersting, advocaat te Amsterdam, verder als raadsman van [klager] zou optreden, mocht zij erop vertrouwen dat Mr. Boot Mr. Kersting, van de behandelingsdatum op de hoogte zou stellen.. 5.
- Het middel treft mitsdien geen doel.
- Slotsom Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
- Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze beschikking is gegeven door de vice- president Bronkhorst als voorzitter, de vice- president Van den Blink, en de raadsheren Beekhuis, Govaerts en Bleichrodt in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, in raadkamer van 21 februari 1989.