Hoge Raad der Nederlanden d e r d e k a m e r nr. 24.935 12 april 1989 PdM ARREST gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 augustus 1986 betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar
(1983)uitgevoerde keuring van het schip bleek het vlak (de bodembeplating) niet meer de vereiste dikte te hebben, in verband waarmee het schip toen is afgekeurd. Teneinde het schip in de vaart te houden, heeft belanghebbende op 25 april 1983 het vlak laten vernieuwen en weer op de oorspronkelijke dikte doen brengen. De totale kosten hiervan beliepen een bedrag van f 40.000,--, welk bedrag belanghebbende heeft geactiveerd. Belanghebbende stelt zich in het onderhavige geding op het standpunt dat te dezen sprake is van het aangaan door hem van een verplichting ter zake van de verbetering van een bedrijfsmiddel, een en ander in de zin van artikel 61a, lid 1, laatste volzin, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zodat de met de vlakvernieuwing gemoeide kosten voor investeringsbijdrage in aanmerking komen. Bij zijn in cassatie bestreden uitspraak heeft het Hof dat standpunt als onjuist verworpen, daartoe oordelende - samengevat weergegeven - dat de kosten niet hebben gestrekt tot verbetering van het schip, maar tot uit een oogpunt van (vaar)veiligheidsvoorschriften geboden herstel van hetgeen versleten was. 4.
- Deze beslissing wordt door het middel terecht bestreden. In een geval als het onderhavige, waarin een versleten onderdeel van een bedrijfsmiddel wordt vernieuwd en de kosten van deze vernieuwing in verhouding tot de aanschaffingskosten van het bedrijfsmiddel aanzienlijk zijn, eist goed koopmansgebruik dat de vernieuwingskosten worden geactiveerd voor zover zij niet in hoofdzaak zijn veroorzaakt door het gebruik dat van het bedrijfsmiddel is gemaakt na de aanschaffing ervan door de ondernemer. Diens gehoudenheid tot betaling van het aldus te activeren gedeelte van de vernieuwingskosten heeft te gelden als een verplichting ter zake van de verbetering van een bedrijfsmiddel, een en ander in de zin van voormelde wetsbepaling. 4.
- Het Hof heeft derhalve ten onrechte beslist dat de met de vlakvernieuwing gemoeide kosten in het geheel niet voor investeringsbijdrage in aanmerking komen, zodat het middel in zoverre doel treft, de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en het middel voor het overige geen behandeling behoeft. Verwijzing moet volgen.
- Beslissing. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest en verstaat dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van zijn beroep in cassatie gestorte griffierecht ten bedrage van f 95,--. Dit arrest is gewezen door de vice-president Royer als voorzitter en de raadsheren Jansen, Baardman, Bellaart en Korthals Altes, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Koopman, in raadkamer van 12 april 1989.