Hoge Raad der Nederlanden derde kamer nr. 24.582 11 oktober 1989 PdM ARREST gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 11 juni 1986 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting.
(2)de persoon aan wie de verhoging wordt opgelegd, naar de maatstaf van artikel 4 MRB degene is die vooraf de belasting had moeten betalen. Anders dan het geval is met de verhoging opgelegd op de voet van artikel 18, lid 1, AWR - ten aanzien waarvan de Hoge Raad bij zijn arrest van 15 juli 1988, BNB 1988/270, heeft beslist dat opzet of grove schuld een der bestanddelen vormt - maakt opzet of grove schuld echter geen deel uit van de grondslag vereist voor het opleggen van een verhoging op de voet van artikel 16, lid 1, letter a; MRB. Dit is niet in strijd met het bepaalde in artikel 6, lid 2, EVRM. Gelijk het Europese Hof voor de rechten van de mens bij zijn arrest van 7 oktober 1988 in de zaak-Salabiaku, Publ. Serie A, Vol. 141/A, heeft beslist, ontneemt die bepaling de Verdragsstaten niet de vrijheid om, onder zekere voorwaarden, een feit strafbaar te stellen ongeacht of de dader ter zake van dat feit opzet of schuld heeft. In aanmerking genomen dat het bij de toepassing van artikel 16, lid 1, letter a, MRB uitsluitend gaat om een sanctie van geldelijke aard, waarvan de hoogte - behoudens mogelijkerwijs in uitzonderingsgevallen - betrekkelijk gering blijft en die zich in geval van afwezigheid van schuld voor kwijtschelding leent, kan niet worden gezegd dat het ontbreken in de voor het opleggen van de verhoging vereiste grondslag van opzet of (grove) schuld van de belastingplichtige als - door de belastingadministratie te bewijzen - bestanddeel meebrengt dat de regeling ingevolge het bepaalde in artikel 6, lid 2, EVRM buiten toepassing zou moeten blijven. 4.
- Voor wat betreft de vraag of en in hoeverre een op de voet van artikel 16, lid 1, letter a, MRB opgelegde verhoging in aanmerking komt voor kwijtschelding wegens. afwezigheid bij de belastingplichtige van alle schuld, onderscheidenlijk wegens verminderde schuld zijnerzijds, heeft te gelden dat het op zijn weg ligt om feiten en omstandigheden aan te voeren, waaruit kan volgen dat het zonder voorafgaande betaling gemaakte gebruik van de weg hem niet, dan wel slechts in verminderde mate kan worden verweten. Voor zover middel 3 aldus moet worden verstaan dat het deze regel met de onderhavige verdragsbepaling onverenigbaar acht, wordt het evenzeer tevergeefs voorgesteld, aangezien - naar uit voormeld arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens valt af te leiden - met die bepaling niet in strijd is dat, indien alle bestanddelen van het te laste gelegde delict zijn bewezen, doch de verdachte zich beroept op gehele of gedeeltelijke afwezigheid van schuld, hij de feiten en omstandigheden dient aan te voeren, waaruit zulks kan volgen. 4.
- De omstandigheid dat het opleggen van een verhoging moet worden aangemerkt als een "criminal charge" in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM, brengt niet mee dat op zodanige oplegging de regels en/of beginselen van het nationale strafrecht van toepassing zijn. Middel 4, dat klaarblijkelijk van een tegengestelde opvatting uitgaat, faalt derhalve. 4.
- Voor zover middel 5 erover klaagt dat het Hof in strijd met artikel 6, lid 1, EVRM de zaak voor wat betreft de aan belanghebbende opgelegde verhoging niet in het openbaar heeft behandeld, wordt het tevergeefs aangevoerd, aangezien belanghebbende - naar de bestreden uitspraak vermeldt - schriftelijk erin had toegestemd dat het Hof zonder mondelinge behandeling uitspraak zou doen, welke toestemming het Hof klaarblijkelijk heeft verstaan in die zin dat belanghebbende tevens afstand deed van zijn recht op openbare behandeling van het door hem ingestelde beroep voor zover gericht tegen de hem opgelegde verhoging en het dienaangaande door de Inspecteur genomen besluit. 4.
- Uit de bestreden uitspraak blijkt niet dat het Hof van zijn beslissing omtrent de verhoging mededeling heeft gedaan in een openbare terechtzitting. De door middel 5 hiertegen aangevoerde klacht behoeft echter niet tot cassatie te leiden, daar de Hoge Raad alsnog zelf die mededeling zal doen. 4.
- Middel 6 betoogt, met een beroep op het bepaalde in artikel 14, lid 5, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat ter zake van de in de aanslag begrepen verhoging hoger beroep mogelijk moet zijn op een tweede feitelijke instantie. Het middel treft echter geen doel omdat, gesteld al dat deze bepaling met de daarin gebezigde uitdrukking "reviewed by a higher tribunal" mede het oog zou hebben op een nieuwe beoordeling van feitelijke aard, de voor zaken als de onderhavige door het middel bepleite toepassing van die bepaling de rechtsvormende taak van de rechter te buiten zou gaan. De wet draagt de behandeling van belastingzaken immers in eerste en hoogste feitelijke instantie op aan de gerechtshoven, terwijl zonder een door de wetgever aan te brengen wijziging in de rechterlijke organisatie de Hoge Raad noch enig ander gerecht in aanmerking komt om in tweede feitelijke instantie te oordelen in belastingzaken. 4.
- Middel 7 voert aan dat toepassing. van het bepaalde in artikel 16, lid 1, letter a, MRB onverenigbaar is met artikel 7 EVRM, omdat de verhoging bedoeld in die wetsbepaling niet aan enig maximum gebonden zou zijn. Deze stelling faalt echter, reeds omdat die verhoging ten hoogste wordt gesteld op een bedrag gelijk aan de na te heffen enkelvoudige belasting. Ook middel 7 kan niet tot cassatie leiden.
- Beslissing. De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de president Royer als voorzitter, en de raadsheren Jansen, Van der Linde, Baardman en Korthals Altes, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 11 oktober 1989.