2 februari 1990 Eerste Kamer Nr. 13.789 A.S. Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser], wonende te [plaats], EISER tot cassatie, advocaat: Mr. J.L.W. Sillevis Smitt, tegen
- DE STAAT DER NEDERLANDEN, waarvan de zetel is gevestigd te 's-Gravenhage,
- HET ALGEMEEN BURGERLIJK PENSIOENFONDS, gevestigd te Heerlen, VERWEERDERS in cassatie, advocaat: Mr. J.L. de Wijkerslooth.
- Het geding in feitelijke instanties Verweerders in cassatie - verder te noemen de Staat c.s. - hebben bij exploot van 15 oktober 1985 eiser tot cassatie - verder te noemen [eiser] - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd dat de Rechtbank [eiser] zal veroordelen aan de Staat te betalen een bedrag van f 45.815,18 met de wettelijke rente daarover vanaf 10 januari 1979 en aan het A.B.P. een bedrag van f 169.910,70 met de wettelijke rente over f 124.082,05 vanaf 1 februari 1984 en over de rest vanaf 1 september 1985 tot de dag der betaling. Nadat [eiser] tegen die vorderingen verweer had gevoerd en de Staat c.s. hun vorderingen hadden gewijzigd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 15 oktober 1986 [eiser] veroordeeld aan de Staat te betalen een bedrag van f 72.483,23, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van f 45.815,18 vanaf 10 januari 1979 en over een bedrag van f 26.668,05 vanaf de datum der conclusie van repliek (8 april 1986), in beide gevallen de rente te rekenen tot de dag der voldoening en aan het A.B.P. te betalen een bedrag van f 66.434, 34, te vermeerderen met de wettelijke rente over f 45.828,65 vanaf 1 september 1985, over f 5.345,67 vanaf 15 oktober 1985 en over f 15.260,02 vanaf de datum der conclusie van repliek (8 april 1986), in ieder dezer gevallen de rente te rekenen tot de dag der voldoening. Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij arrest van 8 april 1988 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
- Het geding in cassatie Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staat c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat en voor de Staat door zijn advocaat en Mr. G. Snijders. De conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.
- Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. [de ambtenaar], die ambtenaar was in de zin van de Verhaalswet Ongevallen Ambtenaren (VOA), is op 26 mei 1976 ernstig gewond geraakt bij een verkeersongeval dat aan de schuld van [eiser] was te wijten. [de ambtenaar] is dientengevolge arbeidsongeschikt geworden en is met ingang van 1 augustus 1979 in het genot gesteld van een invaliditeitspensioen. De Staat c.s. die aan [de ambtenaar] ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid uitkeringen hebben gedaan krachtens zijn rechtspositieregeling, hebben op de voet van art. 2 VOA van [eiser] vergoeding gevorderd van de uitgekeerde bedragen, verminderd met een reeds door de assuradeur van [eiser] betaald bedrag. [eiser] heeft - voor zover in cassatie van belang - het verweer gevoerd dat [de ambtenaar] in 1983, toen hij 54 jaar oud was, een hartinfarct heeft gehad en, het ongeval weggedacht, toch definitief arbeidsongeschikt zou zijn geworden ten tijde en ten gevolge van dat hartinfarct. 3.2 De Rechtbank heeft dit verweer, dat door de Staat c.s. op verscheidene gronden is bestreden, verworpen op de grond dat, nu de aansprakelijkheid van [eiser] voor de gevolgen van het aan [de ambtenaar] overkomen ongeval vaststaat, op hem de bewijslast rust van feiten of omstandigheden waarop hij zich beroept omdat zij die aansprakelijkheid kunnen beperken en hij met zoveel woorden heeft doen blijken die bewijslast niet te aanvaarden. De tegen dit oordeel van de Rechtbank gerichte grief van [eiser] heeft het Hof verworpen. De desbetreffende overweging van het Hof moet aldus worden verstaan, dat het Hof dat, evenals de Rechtbank, het verweer van [eiser] heeft aangemerkt als een beroep op beperking van aansprakelijkheid op de voet van art. 3 VOA, heeft uiteengezet van welke rechtsregel de Rechtbank naar 's Hofs oordeel bij haar verwerping van dat verweer stilzwijgend is uitgegaan. Die rechtsregel is volgens het Hof, dat een later door het slachtoffer opgelopen ziekte alleen dan tot vermindering van de schadevergoedingsplicht leidt, indien die ziekte voor het slachtoffer een ander recht op uitkering zou hebben opgeleverd. Op de grond dat dit laatste niet is gesteld of gebleken, heeft het Hof het oordeel van de Rechtbank onderschreven. 3.3 Het middel bevat 3 onderdelen. Onderdeel 1 dat de juistheid bestrijdt van de door het Hof geformuleerde rechtsregel is gegrond. Het Hof is kennelijk ervan uitgegaan dat in dit geval naar de maatstaven van art. 3 VOA voor de grens van de aansprakelijkheid van [eiser] bepalend is welke bedragen hij - bij gebreke van de door de Staat c.s. op grond van het ongeval aan [de ambtenaar] verstrekte uitkeringen - zou hebben moeten betalen ter vergoeding van de door [de ambtenaar] geleden en te lijden inkomensschade veroorzaakt door diens arbeidsongeschiktheid tengevolge van het ongeval. Het Hof heeft echter miskend dat wanneer bij zulk een voortdurende inkomensschade blijkt dat de gelaedeerde, ook indien het ongeval niet had plaatsgevonden, op enigerlei tijdstip geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zou zijn geworden tengevolge van een omstandigheid die voor zijn risico komt - zoals het geval kan zijn bij een door de gelaedeerde opgelopen ziekte, wanneer die geen verband houdt met het door het ongeval veroorzaakte letsel - er geen reden is om de inkomensschade vanaf het tijdstip dat de voor eigen risico komende arbeidsongeschiktheid zou zijn ingetreden, nog toe te rekenen aan degeen die voor het ongeval aansprakelijk is. In geval van voor eigen risico komende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid geldt hetzelfde voor het deel van de inkomensschade dat van die gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid het gevolg zou zijn. De vraag of die ziekte (of andere omstandigheid) voor de gelaedeerde een ander recht op uitkering oplevert, is daarbij rechtens niet relevant. De verplichting tot vergoeding van door een ongeval veroorzaakte schade gaat niet zover dat degeen die voor die schade aansprakelijk is, de gelaedeerde ook moet behoeden voor schade die zonder dat ongeval voor diens eigen risico zou komen. Het arrest van het Hof kan derhalve niet in stand blijven. De andere onderdelen behoeven geen behandeling.
- Beslissing De Hoge Raad: vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 april 1988; verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing; veroordeelt de Staat c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op f 839, -- aan verschotten en f 3.000, -- voor salaris. Dit is arrest is gewezen door de vice-president Martens als voorzitter, de raadsheer in buitengewone dienst Ras en de raadsheren De Groot, Hermans en Boekman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Hermans op 2 februari
- Voor eensluidend afschrift, De Griffier van de Hoge Raad der Nederlanden,