ECLI:NL:HR:1990:AB9374
6 april 1990 Eerste Kamer Nr. 14.207 A.S.
Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [de vrouw], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: Mr. E. van Staden ten Brink, tegen [de man], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: Mr. J. Wuisman.
Nadat de vrouw tegen de vordering verweer had gevoerd en de Rechtbank op 25 augustus 1986 een tussenvonnis had gewezen, heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 12 oktober 1987 het huwelijk tussen partijen ontbonden verklaard, en de man veroordeeld om aan de vrouw te betalen een bedrag van f 20.000, -- ineens.
Tegen deze vonnissen heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij tussenarrest van 3 februari 1989 heeft het Hof de man in de gelegenheid gesteld voor het bedrag van f 20.000, -- een bankgarantie af te geven en bij eindarrest van 12 mei 1989 heeft het Hof de vonnissen van de Rechtbank van 25 augustus 1986 en 12 oktober 1987 bekrachtigd.
De arresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.
De man heeft geconcludeerd. tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Asser strekt tot verwerping van het beroep.
3.2 De Hoge Raad zal eerst het tweede onderdeel van het middel behandelen.
Het Hof heeft in het thans bestreden arrest geoordeeld dat het aan voormelde uitspraak van het Hof toekomende, door de vrouw ingeroepen gezag van gewijsde niet eraan in de weg staat dat de man thans opnieuw een vordering tot ontbinding van het huwelijk instelt wanneer hij aan die vordering gewijzigde, voor de rechtsbetrekking in geschil relevante omstandigheden ten grondslag legt en die omstandigheden komen vast te staan. Tegen dit - overigens juiste - oordeel komt het onderdeel niet op.
Vervolgens heeft het Hof geoordeeld - en hiertegen richt zich het onderdeel - dat hier sprake is van zulke gewijzigde omstandigheden, te weten het tijdsverloop met de daaraan in 's Hofs rechtsoverweging 3.5 verbonden gevolgen en de thans voor het eerst gebleken omstandigheid dat de man thans niet meer kan aanbieden dan f 20.000, --. Dit oordeel geeft, mede in aanmerking hetgeen hierna in 3.3 zal worden overwogen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan verder wegens zijn verwevenheid met waarderingen van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het onderdeel stuit hierop af.
3.3 Onderdeel 1 keert zich tegen 's Hofs oordeel dat gezien het belang van de man bij ontbinding van het huwelijk in vergelijking met dat van de vrouw bij een hogere uitkering, de door de man voorgestelde voorziening gelet ook op de overige omstandigheden van het geval moet worden aangemerkt als voor beide partijen billijk. Het strekt ten betoge dat het Hof had moeten onderzoeken of de aangeboden voorziening ook "onafhankelijk van de belangen van de man" ten opzichte van de vrouw billijk. was; bij de beantwoording van die vraag mochten derhalve het belang van de man bij de ontbinding van het huwelijk en de omstandigheid dat hij niet in staat is meer aan te bieden, niet worden betrokken.
Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. Art. 1:180, lid 1, BW bepaalt dat de vordering niet kan worden toegewezen voordat een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide partijen billijk is te achten. Hierin ligt besloten dat bij de beantwoording van de vraag of de voorziening ten opzichte van elk der echtgenoten billijk is te achten, de belangen en omstandigheden van beide echtgenoten, in onderling verband beschouwd, in aanmerking moeten worden genomen.
3.4 Onderdeel 3 bouwt op de beide voorafgaande onder- delen voort en moet het lot daarvan delen.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Martens als voorzitter en de raadsheren Hermans, Bloembergen, Roelvink en Boekman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Hermans op 6 april 1990.
Voor eensluidend afschrift, De Griffier van de Hoge Raad der Nederlanden,