9 november 1990 Eerste Kamer Nr. 14.201 AS. Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: Mr. H.D.O Blauw, t e g e n [verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: Mr. J.W. Lely. 1. Het geding in feitelijke instanties Verweerder in cassatie — verder te noemen [verweerder] — heeft bij exploot van 16 juni 1982 eiser tot cassatie — verder te noemen [eiser] — gedagvaard voor de Rechtbank te Breda en gevorderd te verklaren voor recht, dat [eiser] bij de uitvoering van de in maart 1978 aan [verweerder] gedane rugoperatie wanprestatie heeft geleverd, dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatige daad, met veroordeling van [eiser] tot vergoeding aan [verweerder] van de daaruit ontstane schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Nadat [eiser] tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 22 maart 1983 een comparitie van partijen gelast, bij tussenvonnis van 22 november 1983 een deskundigenonderzoek bevolen en bij tussenvonnis van 4 september 1984 drie deskundigen benoemd. Bij tussenvonnis van 2 april 1985 heeft de Rechtbank de deskundigen opgedragen aanvullend rapport uit te brengen en bij eindvonnis van 1 april 1986 de vordering van [verweerder] afgewezen. Tegen het eindvonnis van 1 april 1986 heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij tussenarrest van 11 mei 1987 heeft het Hof de deskundigen om een nadere toelichting op hun rapportage verzocht en bij eindarrest van 17 april 1989 het bestreden vonnis vernietigd en de vorderingen van [verweerder] toegewezen. De genoemde arresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de arresten van 11 mei 1987 en 17 april 1989 van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eiser] mede door Mr. M.J. Schenck. De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] voor zover het beroep is gericht tegen het arrest van 11 mei 1987 alsmede voor zover het de rechtsklacht van onderdeel 8 betreft, en tot verwerping van het beroep voor het overige. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. [verweerder] heeft zich met intermitterende rugpijnklachten gewend tot [eiser], orthopaedisch chirurg. Deze heeft een hemisacralisatie van de L5-S1 rechts geconstateerd (een vergroeiing van de vijfde lendewervel aan het heiligbeen) en geconcludeerd dat de pijnklachten daardoor werden veroorzaakt. [eiser] besloot tot operatieve opheffing van de hemisacralisatie door ‘’transversectomie’’ waarbij de processus transversus voor zover vergroeid aan het heiligbeen zou worden verwijderd. [eiser] heeft deze operatie uitgevoerd op 21 maart 1978. De operatie was zeer moeilijk, zoals door [eiser] voorzien en verliep moeizaam en langdurig. Na deze operatie is er bij [verweerder] zeer veel pijn opgetreden. Hij heeft hiervoor vele behandelingen en ziekenhuisopnames ondergaan en tot aan het uitbrengen van het rapport door de deskundige Prof. Dr. H.A.M. van Alphen op 29 augustus 1984 circa 20 operaties. De pijnklachten die na de eerste operatie zijn opgetreden, waren toen nog steeds aanwezig. 3.2 [verweerder] heeft gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat [eiser] bij de uitvoering van de in maart 1978 gedane rugoperatie wanprestatie heeft gepleegd dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan een onrechtmatige daad, met veroordeling van [eiser] tot vergoeding aan hem van de daaruit ontstane schade op te maken bij staat. Nadat de Rechtbank de vordering had afgewezen, heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank vernietigd, voor recht verklaard dat [eiser] door de uitvoering van de in maart 1978 bij [verweerder] verrichte rugoperatie zich heeft schuldig gemaakt aan een onrechtmatige daad en [eiser] veroordeeld tot vergoeding van de daardoor veroorzaakte schade, op te maken bij staat. [eiser] komt hiertegen in cassatie op. 3.3 Aangezien het middel geen klachten richt tegen het tussenarrest van het Hof van 11 mei 1987, is [eiser] niet ontvankelijk in zijn beroep, voor zover gericht tegen dat tussenarrest. 3.4 Het eerste onderdeel betoogt onder 1.1 dat het bestreden arrest een op straffe van nietigheid in acht te nemen vorm heeft verzuimd omdat het Hof er geen rekenschap van heeft afgelegd dat het eindarrest van 17 april 1989 door het Hof in een andere samenstelling is gewezen dan die waarin het Hof de deskundige Prof. Van Alphen op 1 juni 1987 heeft gehoord. Dit betoog faalt. Weliswaar is het in verband met het belang van het verhoor van een deskundige voor een juiste oordeelsvorming door de rechter wenselijk dat aan de beslissing zoveel mogelijk wordt deelgenomen door dezelfde rechters die bij het verhoor aanwezig waren, doch nu de wet hieromtrent geen enkele aanwijzing bevat, kan niet worden aangenomen dat op dit punt een rechtsregel bestaat over schending waarvan in cassatie kan worden geklaagd of die het hof tot een nadere motivering noopte. Het onderdeel is derhalve in zoverre vergeefs voorgesteld. 3.5 Onder 1.2 klaagt het onderdeel er voorts over dat het Hof de beginselen van een behoorlijke procesvoering niet in acht heeft genomen doordat het Hof het verzoek van [eiser] om het verhoor van Prof. Van Alphen te verzetten naar een ander tijdstip heeft afgewezen en dit verhoor toen buiten zijn aanwezigheid heeft plaatsgevonden. Het onderdeel faalt ook in zoverre. Het Hof heeft [eiser] in de gelegenheid gesteld bij het verhoor aanwezig te zijn. Het was aan het beleid van het Hof overgelaten om al of niet aan het verzoek van [eiser] tegemoet te komen. 3.6 Tenslotte strekt het onderdeel onder 1.3 ten betoge dat het Hof de regels van een behoorlijke procesorde heeft geschonden doordat het geheel voorbijgaat aan het door [eiser] in het geding gebrachte rapport van de orthopaedisch chirurg [betrokkene 1] van 19 oktober 1987. Het onderdeel faalt ook in zoverre. Het Hof heeft geen rechtsregel geschonden door in het eerst bij memorie na deskundigenbericht in het geding gebrachte rapport van [betrokkene 1] geen aanleiding te vinden voor een nader onderzoek als in het onderdeel voorgestaan. 3.7 Het tweede onderdeel strekt ten betoge dat het Hof bij zijn beoordeling van het handelen van [eiser] een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. Dit betoog faalt. In hetgeen het Hof onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.