26 maart 1991 Strafkamer Nr. 88.871 AG Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 3 januari 1990 in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944, wonende te [woonplaats].
(6)weken na heden door [betrokkene 7] niet zijn aangeschaft of verkocht, is [betrokkene 7] verplicht deze goederen aan [betrokkene 6] te retourneren.Voor goede ontvangst getekend. [plaats] . d.d. I Juni 1986.[betrokkene 7] . Overwegende, dat het ambtsedig proces-verbaal no. 511/346/1987, dossier 57/AH/9 d.d. 19 mei 1987, opgemaakt door [verbalisant 6] , opperwachtmeester-districtsrechercheur der rijkspolitie, behorende tot de afdeling taktische recherche van de justitiële dienst Breda, onder meer --zakelijk weergegeven-- inhoudt: Als relaas van eigen waarnemingen, verrichtingen en bevindingen van de verbalisant voornoemd: In het kader van het onderzoek contra [betrokkene 7] , wonende te [plaats] werd met verlof van de rechtbank huiszoeking gedaan in het pand [a-straat 1] te [plaats] . Er werden drie herenhorloges van het merk Rolex inbeslaggenomen. Overwegende, dat het ambtsedig proces-verbaal no. 511/346/1987, dossier 57/V 6/2 d.d. 1 mei 1987, opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , beiden voornoemd, onder meer – zakelijk weergegeven – inhoudt: Als de op 1 mei 1987 aan verbalisanten voornoemd afgelegde verklaring van [betrokkene 6]: De Rolexhorloges zijn/waren eigendom van [betrokkene 7] . Deze wetenschap heb ik van [verdachte] . [verdachte] vroeg aan mij of ik mijn medewerking wilde verlenen om deze Rolexhorloges terug te krijgen. Dit moet geweest zijn in de week volgende op de aanhouding van [betrokkene 7] . Nu u mij vertelt dat [betrokkene 7] op een vrijdag is aangehouden, moet dit zijn geweest donderdag of vrijdag, de week daaraan volgende. Indien het terug verkrijgen van deze Rolexen zou zijn gelukt, was de beloning voor [verdachte] en mij een van de Rolexen. Overwegende, dat het ambtsedig proces-verbaal no. 511/346/1987, dossier 57/V 1/2 d.d. 22 april 1987, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden voornoemd, onder meer – zakelijk weergegeven – inhoudt: Als de op 22 april 1987 aan verbalisanten voornoemd afgelegde verklaring van [verdachte]: U vraagt mij wat ik weet van een drietal Rolex-horloge’s die door de politie tijdens de huiszoeking inbeslag waren genomen. Er moest een constructie gemaakt worden op grond waarvan die horloge’s mogelijk terug konden komen, uit handen van de politie. Omstreeks september/oktober bezocht ik [betrokkene 7] in het huis van bewaring te ’s-Hertogenbosch. Bij dat bezoek vroeg [betrokkene 7] mij hoe het stond met de constructie die men aan het opbouwen was om die Rolex-horloge’s terug te krijgen. [betrokkene 7] gaf mij een omschrijving van die Rolex-horloge’s. Hij dicteerde mij dat en ik schreef dat op in mijn schrijfblok.
- Beoordeling van het eerste middel Het middel kan niet tot cassatie leiden en noopt niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.
- Beoordeling van het tweede middel 6.
- Met betrekking tot de vraag of degene op wiens naam een rechtsmiddel is aangewend, door een advocaat die heeft verklaard daartoe bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd, in dat rechtsmiddel ontvankelijk is, onderzoekt de rechter de deugdelijkheid van die verklaring alleen indien degene op wiens naam het rechtsmiddel is aangewend daartoe het initiatief heeft genomen. 6.
- Het evenoverwogene brengt echter niet mee dat de omstandigheid dat van een zodanig initiatief niet is gebleken in de weg zou staan aan een strafvervolging van een advocaat wegens het in een desbetreffende akte valselijk doen opnemen dat hij tot het aanwenden van een rechtsmiddel bepaaldelijk is gevolmachtigd. 6.
- Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, is mitsdien vruchteloos voorgesteld.
- Beoordeling van het derde middel 7.
- Met betrekking tot het in het middel bedoelde verweer heeft het Hof overwogen en beslist: Overwegende dat art. 450 van het Wetboek van Strafvordering onder meer bepaalt, dat het aanwenden van de rechtsmiddelen, als bedoeld in art. 449 van dat Wetboek, ook kan geschieden door een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene die het middel aanwendt bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd; Overwegende, dat onder ‘’degene die het rechtsmiddel aanwendt’’ in dit verband dient te worden verstaan degene die het rechtsmiddel zelf kan aanwenden op grond van artikel 449 van genoemd Wetboek; Overwegende, dat het ‘’bepaaldelijk volmachtigen’’ door degene, in de vorige overweging bedoeld, niet anders kan betekenen dan dat door deze met zoveel woorden aan de advocaat — schriftelijk of mondeling — volmacht wordt gegeven tot het aanwenden van rechtsmiddelen, hetgeen in casu op zich reeds uitsluit het door verdachte gestelde ‘’ervan kunnen uitgaan’’ dat hij bepaaldelijk gevolmachtigd was of het door verdachte uit feiten of omstandigheden menen te mogen ‘’opmaken’’ dat hem impliciet een volmacht tot indiening was gegeven; Overwegende, dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt, dat verdachte zich niet alleen niet bepaaldelijk gevolmachtigd kon of mocht achten, nu hij zelf tegenover verbalisanten verklaart: ‘’Om die reden heb ik die drie klaagschriften ingediend, zogenaamd namens de ondertekenaars’’, doch ook dat hij niet bepaaldelijk gevolmachtigd was door die ondertekenaars; Overwegende, dat verdachte door zulks niettemin te verklaren tegenover de Griffier van de Arrondissementsrechtbank te Breda, en door die verklaring voorts in een akte inlevering klaagschrift te doen neerleggen en die verklaring als comparant door ondertekening van die akte te bevestigen, het bewezen te verklaren feit heeft gepleegd. 7.
- Het Hof heeft het bewezen verklaarde onder II uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden. 7.
- Een advocaat kan slechts bepaaldelijk zijn gevolmachtigd door degene die het rechtsmiddel aanwendt, in de zin waarin die woorden voorkomen in art. 450, aanhef en onder a, Sv, indien hij daartoe rechtstreeks of door tussenkomst van een andere advocaat is gemachtigd door de betrokkene die het rechtsmiddel wenst aan te wenden. 7.
- Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, faalt mitsdien.
- Beoordeling van het vierde middel 8.
- Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte onder III, eerste subsidiair onder B telastegelegd, dat: ‘’ dat [betrokkene 6] in of omstreeks de periode van juni 1986 tot en met december 1986 in de gemeente [woonplaats] , althans in Nederland opzettelijk een geldsbedrag van ƒ 25.000,- en/of een geldsbedrag van ƒ 55.000,- althans een geldsbedrag van ƒ 25.000,- en/of een geldsbedrag van ƒ 45.000,-, althans ƒ 40.000,-, in elk geval geldsbedragen, althans een geldsbedrag, zijnde (een deel van) de koopsom van door [betrokkene 5] (van [betrokkene 7] ) gekochte, althans (een deel van) de verkoopopbrengst van door die [betrokkene 5] (aan derden) verkochte amfetamine en/of cocaïne, en aldus door verkoop van middelen/een middel als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub d van de Opiumwet, vermeld op de bij deze wet behorende lijst I, in elk geval door misdrijf verkregen, uit winstbejag heeft bewaard en/of vervoerd (van [plaats] naar [woonplaats] ) en/of voormeld geldsbedrag, althans een geldsbedrag van ƒ 33.700,-, in elk geval enig geldsbedrag (vervolgens) — Nederlander zijnde — vervoerd van [woonplaats] althans van [plaats] , in elk geval van Nederland naar Antwerpen-Berchem; welk(e) onder A en/of B vermeld(e) feit(en) hij, verdachte, in of omstreeks de periode van juni 1986 tot en met december 1986 in de gemeente [woonplaats] , althans in Nederland door gift(en)/belofte(n)/het verschaffen van gelegenheid/middelen/inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, althans tot het plegen van welk(e) onder A en/of B vermeld(e) feit(en) hij, verdachte, in of omstreeks de periode van juni 1986 tot en met december 1986 in de gemeente [woonplaats] , althans in Nederland, als medeplichtige, opzettelijk gelegenheid/middelen/inlichtingen heeft verschaft, hebbende hij daar toen immers: die [betrokkene 5] op zijn kantoor ontvangen, in aanwezigheid van die [betrokkene 9] en/of die [betrokkene 6] ; en/of aan die [betrokkene 5] alstoen meegedeeld of beaamd dat hij de advocaat en/of vertrouwensman van [betrokkene 7] was; en/of aan die [betrokkene 5] meegedeeld of beaamd althans duidelijk gemaakt dat het geld dat die [betrokkene 5] aan die [betrokkene 7] verschuldigd was (op grond van een transactie betreffende verdovende middelen) aan hem, verdachte, en/of aan die [betrokkene 9] en/of die [betrokkene 6] betaald kon worden; althans overhandigd kon worden, waarop of waarna die [betrokkene 5] dat geld, in elk geval een of meer geldsbedragen, aan die [betrokkene 6] en/of die [betrokkene 9] , althans aan hem, verdachte, heeft overhandigd; en/of aan die [betrokkene 6] verzocht om een geldsbedrag van ƒ 40.000,-, althans ƒ 33.700,- althans enig geldsbedrag van [woonplaats] althans van [plaats] , in elk geval van Nederland naar Antwerpen-Berchem te brengen; en/of aan die [betrokkene 6] voormeld geldsbedrag voor dat transport naar Antwerpen-Berchem ter hand gesteld. 8.
- Op grond van de hiervoren onder 4.2 weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen moet worden aangenomen dat het Hof bewezen heeft geacht dat het geldbedrag (een deel van) de koopsom van door [betrokkene 5] gekochte amfetamine betrof en dat ten gevolge van een kennelijke misslag het in de telastelegging voorkomende woord ‘’amfetamine’’ in de bewezenverklaring niet is overgenomen. De Hoge Raad leest de bewezenverklaring met verbetering van die misslag. 8.
- Door deze lezing van de bewezenverklaring komt aan het middel de feitelijke grondslag te ontvallen, zodat het middel faalt.
- Beoordeling van het vijfde middel 9.
- Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 28 augustus 1987, hetwelk als verklaring van de verdachte onder meer inhoudt hetgeen in het middel is weergegeven, heeft de verdachte aldaar de door de getuigen [betrokkene 5] en [betrokkene 6] ter terechtzitting van 27 onderscheidenlijk 28 augustus 1987 afgelegde verklaringen betwist. 9.
- Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is de verdachte daar verschenen en hebben de getuigen [betrokkene 5] en [betrokkene 6] aldaar volledig volhard bij de verklaringen die zij op 27 onderscheidenlijk 28 augustus 1987 hebben afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg. 9.
- Anders dan in het middel wordt betoogd heeft het Hof, door de weergave van de inhoud van de tot het bewijs gebezigde gedeelten van de verklaringen van die eerdergenoemde getuigen te ontlenen aan de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg van 27 en 28 augustus 1987, niet het bepaalde in art. 422, tweede lid, Sv geschonden, aangezien het de daarmede overeenstemmende door die getuigen ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaringen aldus heeft kunnen verstaan. 9.
- Het middel faalt derhalve.
- Slotsom Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
- Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president Bronkhorst als voorzitter, en de raadsheren Beekhuis, Keijzer, Govaerts en Neleman, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, en uitgesproken op 26 maart 1991.