Hoge Raad der Nederlanden derde kamer nr. 27.426 19 juni 1991 PdM. ARREST gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 6 april 1990 betreffende de aan [X] te [Z] opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar
- Aanslag en bezwaar. Aan belanghebbende is voor het jaar 1983 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 110.747, -- , welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
- Geding voor het Hof. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft als vaststaande aangemerkt:
- Belanghebbende en zijn werkgeefster zijn in oktober 1982 de beëindiging van belanghebbendes dienstbetrekking in 1982 en de gelijktijdige verkoop van belanghebbendes woning aan de werkgeefster overeengekomen.
- De vorenbedoelde verkoop van de woning is aanvankelijk gerealiseerd als "overdracht in economische eigendom", welke overdracht heeft plaatsgevonden op 6 januari
- Deze overdracht is tot deze datum uitgesteld op verzoek van de instrumenterende notaris, die de koopsom voor de woning ultimo 1982 van belanghebbendes werkgeefster ten behoeve van belanghebbende had ontvangen.“
- De onder 2.2 bedoelde overdracht van de woning vond plaats voor een bedrag van f 262.500, --.
- De hiervoor bedoelde woning is op 6 mei 1983 voor een bedrag van f 200.000, -- in volle eigendom overgedragen aan een derde.
- Bij het regelen van de onderhavige aanslag heeft de Inspecteur het verschil tussen de hiervoor onder 2.3 en 2.4 vermelde bedragen (f 62.500, -- ) als inkomsten uiț arbeid gerekend tot belanghebbendes belastbaar inkomen
- Het Hof heeft met betrekking tot het tussen partijen bestaande geschil en de. standpunten van partijen vermeld:
- Tussen partijen is, de juistheid van de door de Inspecteur uitgevoerde correctie als bedoeld onder 5 in geschil.
- Belanghebbende stelt zich daarbij op de volgende standpunten: primair. De woning is voor een reëel bedrag aan de werkgever verkocht. Bedoeling tot en bewustheid van . bevoordeling waren niet aanwezig zodat er in zoverre geen inkomsten uit dienstbetrekking kunnen worden geconstateerd. Dat de werkgever bij de verkoop van de woning daarop verlies heeft geleden doet aan een en ander niet af. subsidiair. Zo er te dezen al sprake is van belastbare inkomsten uit dienstbetrekking dan is dat voordeel reeds in 1982 genoten omdat alstoen alle rechten en verplichtingen jegens elkaar zijn aangegaan en afdwingbaar waren. De overdrachtsakte is slechts in verband met het daartoe strekkende verzoek van de notaris gepasseerd in
- meer subsidiair. Eventueel te constateren inkomsten als, hier in geding dienen door middel van naheffing in de loonbelasting en niet rechtstreeks in de inkomstenbelasting te worden betrokken. nog meer subsidiair. Gelet op de ambtelijke taxatie op f 225.000, --. van de woning en het bedrag van f 228.000, -- waarvoor de woning in de heffing van de onroerend-goedbelastingen is betrokken, is het eventueel te belasten voordeel niet hoger dan f 34.500, -- à f 37.500, --. Daarop dienen nog in mindering. te worden gebracht mogelijke belastingvrije uitkeringen ter grootte van een maandsalaris (f 8.000, -- ) wegens 20-jarig-dienstjubileum; een maandsalaris wegens einde dienstbetrekking en anderhalf maandsalaris als verhuiskostenvergoeding zodat maximaal te belasten resteert een bedrag van f 9.500, --. 3.
- De Inspecteur heeft belanghebbendes standpunten bestreden. 3.
- Voor de (uitvoerige) weergave van de standpunten en argumenten van partijen wordt verwezen naar de stukken waaraan ter zitting door de Inspecteur nog is toegevoegd dat belanghebbendes voordeel niet eerder genoten en belastbaar moet worden geacht dan bij de realisatie daarvan op 6 januari
- Het Hof heeft vervolgens omtrent het geschil overwogen:
- Het Hof acht de conclusie van belanghebbendes subsidiaire standpunt, dat een - eventueel - door belanghebbende bij de verkoop van de woning genoten voordeel in 1982 en niet in 1983 belastbaar is, juist. Immers, een werknemer, die aan zijn werkgever, die hem in het kader van .de beëindiging van zijn dienstbetrekking wenst te bevoordelen, een woning verkoopt voor een prijs die uitgaat boven de waarde in het economische verkeer van die woning, geniet dat voordeel, dat naar zijn aard is belichaamd in een complex van rechten en verplichtingen en dat niet rechtstreeks tot een betaling of verrekening leidt, op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst, zodat dat voordeel - als inkomsten uit arbeid - betrokken dient te worden in de inkomstenbelasting over het jaar, waarin de overeenkomst tot stand is gekomen.
- Reeds wegens het onder 4.1 overwogene is belanghebbendes beroep gegrond bevonden, zodat belanghebbendes primaire standpunt geen bespreking meer behoeft. Op deze gronden heeft het Hof de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een. naar een belastbaar inkomen van f 48.247, --.
- Geding in cassatie. De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en . daarbij de volgende klacht aangevoerd: Schending van het Nederlandse recht, met name van artikel 33 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, doordat .het Hof heeft beslist dat een werknemer, die aan zijn werkgever welke hem in het kader van de beëindiging van zijn dienstbetrekking wenst te bevoordelen, een woning verkoopt voor een prijs die uitgaat boven de waarde in het economische verkeer van die woning, dat voordeel geniet op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst, zulks ten onrechte. Ter toelichting moge het volgende dienen. Belanghebbende heeft in het kader van de beëindiging van zijn. dienstbetrekking de economische eigendom van zijn woning verkocht aan zijn werkgever voor f 262.500, --. De werkgever heeft de woning korte tijd later verkocht aan een derde voor f 200.000, --. De eerstgenoemde verkoopovereenkomst is (mondeling) gesloten in
- De notariële akte is gedateerd 6 januari
- Uit deze akte blijkt, dat het bedrag van f 262.500, -- in 1983 door belanghebbende is ontvangen, dat in 1983 is geleverd en dat vanaf 6 januari 1983 de verkochte woning voor rekening en risico van de koper kwam. De onderhavige transactie is te splitsen in twee onderdelen, te weten de verkoop van de woning tegen de waarde in het economisch verkeer en de betaling van een bedrag, dat deze waarde te boven gaat. Met betrekking tot dit laatste voordeel dient vastgesteld te worden op welk moment het is genoten. Vaststaat. dat het bedrag in 1983 is ontvangen. Wil 's Hofs oordeel juist zijn dan moet het bedrag in 1982 vorderbaar en inbaar zijn geweest. Uit niets blijkt dat dit het geval is geweest. Aangezien er een relatie is met de vorderbaar- en inbaarheid van de koopsom van de woning kan aangenomen worden dat met betrekking tot de vorderbaar- en inbaarheid van genoemd voordeel hetzelfde geldt als voor de vorderbaar- en inbaarheid van voornoemde koopsom. Aangezien de levering van de (economische eigendom van de) woning pas in 1983 heeft plaatsgevonden en het verkochte pas in 1983 voor rekening en risico van de . koper is gekomen, kan aangenomen worden dat de koopsom pas in 1983 vorderbaar en inbaar is geworden. Hetzelfde zal hebben te gelden voor het met de verkoop verbonden voordeel. Dit voordeel is naar mijn mening vorderbaar en inbaar in
- 's Hofs oordeel is kennelijk gebaseerd op de in het arrest van de Hoge Raad van 7 september 1988, rolnummer 24884, gepubliceerd in BNB 1988/319*, ontwikkelde gedachtengang. Er is evenwel een essentieel verschil met het in dit arrest besliste geval. Dit is gelegen in de omstandigheid dat in de onderhavige situatie loon in geld wordt genoten, terwijl het voordeel, waarvan in genoemd arrest sprake was, genoten werd in de vorm van een besparing in die zin dat een woning door de werknemer tegen kostprijs werd verkregen en niet tegen de waarde in het economische verkeer. Het in deze laatste transactie gelegen voordeel wordt genoten op het moment van het sluiten van de overeenkomst. In het onderhavige geval is bij overeenkomst slechts een recht op loon (in geld) toegekend. Het loon is pas in 1983 vorderbaar en inbaar (en ontvangen) en derhalve pas in 1983 genoten. Er is geen sprake van het in 1982 genieten van loon in de vorm van een recht. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.
- Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Belanghebbende heeft betoogd dat kort nadat het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van het Hof was ontvangen, telefonisch overleg met de Inspecteur heeft plaatsgevonden waarbij deze te kennen gaf het geschil verder als afgedaan te beschouwen en dat de Inspecteur daarmee impliciet heeft aangegeven af . tẹ zien van beroep in cassatie, zodat de Staatssecretaris niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn beroep. 4.
- Gelet op het onder overwogene kan om redenen van proces-economie dit verweer, dat een nader onderzoek vergt, blijven rusten.
- Beoordeling van de klacht. Voor zover de klacht inhoudt dat de in de notariële akte van 6 januari 1983 uitgedrukte koopprijs van f 262.500, -- slechts in schijn op dat bedrag is bepaald en dat daarom de transactie moet worden gesplitst in twee onderdelen, te weten de verkoop van de woning tegen de waarde in het economische verkeer en de betaling van een bedrag dat deze waarde te boven gaat, mist de klacht feitelijke grondslag. Uit 's Hofs, uitspraak en de stukken van het geding blijkt niet van feiten of omstandigheden waaruit kan volgen dat de koopprijs slechts in schijn op f 262.500, -- is bepaald. Ingeval niet sprake is van schijn, vindt de splitsing geen steun in het recht. 5.
- Indien een werknemer, gelijk te dezen, zijn woning verkoopt aan zijn werkgever tegen een werkelijk overeengekomen prijs, geniet de werknemer een eventueel, als loon aan te merken voordeel op het tijdstip waarop de koopovereenkomst zonder opschortende voorwaarde tot stand komt danwel op het tijdstip waarop een eventuele opschortende voorwaarde is vervuld. Uit 's Hofs uitspraak volgt dat de koopovereenkomst, is tot stand gekomen in 1982, terwijl uit de uitspraak noch uit de stukken van het geding blijkt dat de overeenkomst is aangegaan onder enige opschortende voorwaarde. 5.
- De klacht faalt mitsdien.
- Beslissing. De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de raadsheer Stoffer. als voorzitter, en de raadsheren Mijnssen, Wildeboer, Urlings en Zuurmond, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Zandhuis, in raadkamer van 19 juni 1991.