← Nederland

ECLI:NL:HR:1992:ZC0549

20 maart 1992 Eerste Kamer Nr. 14.516 AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: DE GEMEENTE DIEMEN, waarvan de zetel is gevestigd te Diemen, EISERES tot cassatie, advocaat: Mr. J.K. Franx, tegen REP-TAX B.V., gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: Mr. H.A. Groen.

  1. Het geding in feitelijke instanties Verweerster in cassatie - verder te noemen Rep-Tax - heeft bij exploit van 18 maart 1987 eiseres tot cassatie - verder te noemen de Gemeente - gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd de Gemeente te veroordelen tot betaling aan Rep-Tax van de somma van f 7.102,66 met de wettelijke rente. Nadat de Gemeente tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 10 augustus 1988 de vordering afgewezen. Tegen dit vonnis heeft Rep-Tax hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest van 22 maart 1990 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd en de vordering van Rep-Tax alsnog toegewezen. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
  2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het Hof heeft de Gemeente beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Rep-Tax heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt tot vernietiging van het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, tot bekrachtiging van het vonnis van de Rechtbank aldaar van 10 augustus 1988 en tot veroordeling van Rep-Tax in de kosten van alle instanties.
  3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan. a. Op 27 november 1984 omstreeks 01.30 uur heeft zich op de busbaan te Diemen ter hoogte van de Ouderkerkerlaan een ongeval voorgedaan waarbij een taxi merk Opel, kenteken [kenteken 1], eigendom van Rep-Tax, bestuurd door [de bestuurder], in een bussluis is gereden. De taxi is daardoor ernstig beschadigd. Een in de taxi zittende passagier is daarbij gewond geraakt en moest naar het A.M.C. gebracht worden. b. De bussluis is op 23 december 1983 door de Gemeente Diemen aangelegd ter fysieke ondersteuning van een bij haar besluit van 28 april 1983 genomen verkeersmaatregel die ertoe strekt het desbetreffende weggedeelte af te sluiten voor alle verkeer met uitzondering van het openbaar vervoer. De bussluis bestaat uit een in het wegdek aangelegd gat met rondom zodanige stalen constructies en geleidingsbuizen dat autobussen wel, maar gewone personenauto's de sluis niet kunnen passeren omdat deze vanwege hun smallere wielbasis in dat gat terecht komen. c. De weg waarin de bussluis zich bevindt is aan beide ingangen voorzien van verkeersborden "verboden voor alle (rij-)verkeer", voorzien van een onderbord "Uitgezonderd lijndienst-bussen", en verkeersborden met het opschrift "bussluis" en een pictogram van een personenauto die gedeeltelijk in een gat in het wegdek is terechtgekomen. Op het wegdek van de busbaan staat aan weerszijden van de sluis met witte letters "BUS" geschilderd. De busbaan is voorzien van straatverlichting. Naast de bussluis staat een lantaarnpaal. d. Het speciale waarschuwingsbord "bussluis" sluit qua vorm en kleurstelling (blauwe ondergrond) aan bij de borden die krachtens het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens worden geplaatst ter verstrekking van algemene informatie en is als zodanig niet direct als waarschuwingssignaal herkenbaar. e. Ten tijde van het ongeval genoot het verschijnsel bussluis geen algemene bekendheid. 3.2 Het Hof heeft geoordeeld dat de Gemeente door het aanleggen en in stand houden van de bussluis een verkeersgevaarlijke situatie heeft gecreëerd en dusdoende onrechtmatig jegens Rep-Tax heeft gehandeld. De vraag of een bepaalde handeling een zodanig gevaar voor eens anders persoon of goed in het leven roept dat zij jegens de ander, die daardoor schade lijdt, onrechtmatig is, moet door de rechter naar de gewone hiervoor geldende rechtsregels worden beoordeeld, ook wanneer die handeling is verricht door een gemeente bij de uitvoering van haar taak ter zake van de openbare wegen waarvoor zij de zorg heeft. Het eerste onderdeel van het middel, waarin wordt betoogd dat het Hof in dit geval een andere en meer beperkte maatstaf had moeten aanleggen, faalt derhalve. 3.3 Het tweede onderdeel bestrijdt in zijn subonderdelen a tot en met d 's Hofs oordeel dat de Gemeente onrechtmatig jegens Rep-Tax heeft gehandeld. Vooropgesteld moet worden dat in het algemeen op de gemeente die moet zorgen dat een openbare weg in goede staat verkeert, de plicht rust ervoor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt. Hieruit vloeit voort dat, wanneer de gemeente ter fysieke ondersteuning van verkeersmaatregelen een weg zodanig inricht dat deze zonder beveiligingsmaatregelen gevaar oplevert voor personen of zaken, zij door deugdelijke beveiligingsmaatregelen, zoals waarschuwingen, ervoor zorg behoort te dragen dat de veiligheid van personen en zaken voldoende gewaarborgd blijft, waarbij de gemeente mede in aanmerking heeft te nemen dat niet alle verkeersdeelnemers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid zullen betrachten. Indien deze veiligheid niet voldoende kan worden gewaarborgd, dient de gemeente van een zodanige inrichting van de weg af te zien. Het onderhavige geval wordt hierdoor gekenmerkt dat de Gemeente, teneinde kracht bij te zetten aan een door verkeersborden aangegeven inrijverbod, een gat in het wegdek heeft doen aanbrengen om andere voertuigen dan autobussen feitelijk te beletten het betreffende weggedeelte, een busbaan, te berijden, waardoor een voor verkeersdeelnemers, die zich op dat weggedeelte begeven, gevaarlijke situatie in het leven is geroepen. Ter voorkoming van ongelukken heeft de Gemeente geen andere beveiligingsmaatregelen getroffen dan die welke hiervoor in 3.1 onder c en d zijn vermeld. Met zijn oordeel dat de Gemeente aldus onrechtmatig jegens Rep-Tax heeft gehandeld, heeft het Hof een juiste toepassing gegeven aan de hiervoor omschreven maatstaf. Evenzeer heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat het belang van bevordering van een vlotte doorstroming van het openbaar vervoer het scheppen van voornoemde voor de veiligheid van personen en zaken gevaarlijke situatie niet kan rechtvaardigen. De in onderdeel II onder a tot en met d aangevoerde klachten stuiten hierop af. 3.4 Onderdeel II onder e bevat de klacht dat het Hof in rov. 4.6 en 4.7 een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven door het beroep van de Gemeente op eigen schuld aan de zijde van Rep-Tax te verwerpen. Deze klacht treft doel. Het Hof is er immers van uitgegaan dat de bestuurder van de Rep-Tax toebehorende auto een inrijverbodsbord heeft genegeerd en heeft veronderstellenderwijs aangenomen dat de bestuurder dusdoende zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de wegenverkeerswetgeving. Gelet op deze omstandigheid is de verwerping van het beroep op eigen schuld zonder nadere redengeving niet begrijpelijk, ook niet in het licht van 's Hofs overweging (rov. 4.6) dat de bestuurder "moest rekening houden met de mogelijkheid van een bekeuring, niet met de aanwezigheid van een valkuil". Indien het Hof hiermede tot uitdrukking heeft gebracht dat bij de bestuurder schuld ontbreekt omdat deze geen rekening behoefde te houden met de wijze waarop in dit concrete geval de schade is ingetreden, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting: voor schuld van de bestuurder is slechts vereist dat hem van de verkeersovertreding een verwijt kan worden gemaakt. En indien het Hof hiermede tot uitdrukking heeft gebracht dat deze schade gezien de wijze waarop zij is ingetreden niet als gevolg van zijn overtreding aan de bestuurder kan worden toegerekend, heeft het miskend dat bij overtreding van een verkeersnorm een beschadiging van een voertuig, die zonder die overtreding niet zou ontstaan, aan de overtreder kan worden toegerekend, ook als zij in het concrete geval is ontstaan op een wijze die buiten de lijn der normale verwachtingen ligt.
  4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 maart 1990; verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing; veroordeelt Rep-Tax in de kosten van het geding in cassatie, tot deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op f 540,15 aan verschotten en f 3.000, -- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Hermans, Bloembergen, Neleman en Heemskerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Hermans op 20 maart 1992.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.