27 maart 1992 Eerste Kamer Nr. 14.504 AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: Mr. R. Kossen, tegen CIBA-GEIGY B.V., gevestigd te Arnhem, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: Mr. J.L.W. Sillevis Smitt. 1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 17 juni 1988 gedateerd verzoekschrift heeft eiser tot cassatie - verder te noemen [eiser] - zich gewend tot de Kantonrechter te Arnhem met verzoek verweerster in cassatie - verder te noemen Ciba-Geigy - te veroordelen tot betaling aan [eiser] ter zake van materiële schade van een bedrag van f 865.000, -- , alsmede tot vergoeding van de immateriële schade die de Kantonrechter redelijk en billijk zou achten, een en ander met rente en kosten. Nadat Ciba-Geigy tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter bij vonnis van 27 februari 1989 [eiser] niet ontvankelijk verklaard in diens vordering. Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Arnhem; daarbij heeft hij zijn eis ter zake van materiële schade verminderd tot een bedrag van f 565.000, --. Bij vonnis van 3 mei 1990 heeft de Rechtbank het bestreden vonnis van de Kantonrechter, met verbetering van gronden, bekrachtigd. Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Ciba-Geigy heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis van de Rechtbank en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing. 3. Beoordeling van de middelen 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Bij beschikking van 8 november 1983 heeft de Kantonrechter te Beetsterzwaag de sedert 1 november 1974 tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 december 1983 op de voet van art. 7A:1639w BW ontbonden, onder toekenning aan [eiser] als werknemer van een vergoeding ten bedrage van f 240.000, -- , te betalen in zes jaarlijkse termijnen van f 40.000, -- , eindigende op 31 januari 1989. Omdat partijen het niet eens konden worden over een afrekening betreffende enige posten (vacantiedagen, onkosten, autohuur e.d.), heeft [eiser] te dier zake in april 1985 tegen Ciba-Geigy een vordering aanhangig gemaakt bij de Kantonrechter te Arnhem. Aan dat geding hebben partijen door middel van een dading een einde gemaakt. Volgens de daarvan opgemaakte akte, gedagtekend 6 november 1985, behelst deze dading onder meer een finale kwijting over en weer ter zake van de bedoelde afrekening en bepaalt zij dat [eiser] de procedure bij de Kantonrechter te Arnhem zal intrekken. Eind 1985 heeft [eiser] Ciba-Geigy verzocht de toen resterende vier termijnen van f 40.000, -- te voldoen door storting ineens bij een levensverzekeringmaatschappij als koopsom voor een periodieke uitkering. Ciba-Geigy was bereid daarin te bewilligen, maar ten processe zijn partijen verdeeld over de vraag of deze bereidheid alstoen onvoorwaardelijk was. In verband met het renteverlies dat Ciba-Geigy door betaling ineens zou lijden, werd het te storten bedrag op f 150.000, -- bepaald. Begin januari 1986 is aan Ciba-Geigy ter kennis gekomen dat [eiser] de procedure bij de Kantonrechter te Arnhem niet had ingetrokken, maar de Kantonrechter had verzocht Ciba-Geigy in de proceskosten te veroordelen. Naar aanleiding hiervan heeft op 8 januari 1986 een telefoongesprek plaatsgevonden tussen het hoofd personeelszaken van Ciba-Geigy en [eiser]. Naar aanleiding van dit gesprek heeft [eiser] bij brief van 11 januari 1986 aan Ciba-Geigy geschreven, voor zover thans van belang, dat hij de proceskosten alsnog zou voldoen en dat hij, indien Ciba-Geigy de koopsom ad f 150.000, -- voor een periodieke uitkering uiterlijk 31 januari 1986 zou storten, zich accoord verklaarde met "een algehele finale kwijting over een weer tussen Ciba-Geigy B.V. enerzijds en mijzelve anderzijds, voor alle vorderingen voortvloeiende uit het dienstverband dat tussen partijen heeft bestaan". Ciba-Geigy heeft de koopsom binnen genoemde termijn gestort. In het onderhavige geding vordert [eiser] vergoeding van schade volgens zijn stellingen door hem geleden ten gevolge van door Ciba-Geigy bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst gepleegde wanprestatie. Ten verweer tegen deze vordering heeft Ciba-Geigy zich, voor zover in cassatie van belang, beroepen op de haar door [eiser] bij diens brief van 11 januari 1986 verleende finale kwijting. De stelling van [eiser] dat hij deze kwijting had verleend onder invloed van bedrog, dwang en/of misbruik van omstandigheden, heeft de Rechtbank verworpen. Daartegen keren zich de middelen. 3.2 Middel 5 klaagt tevergeefs over de vaststelling van de Rechtbank dat beide partijen het erover eens zijn dat de door [eiser] bij diens brief van 11 januari 1986 verleende kwijting mede omvat de vordering waarop de onderhavige procedure betrekking heeft. Deze vaststelling, die als van feitelijke aard in cassatie niet op haar juistheid kan worden getoetst, berust op de aan de Rechtbank voorbehouden lezing van de gedingstukken; zij is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. 3.3 Middel 1 komt met onder meer een motiveringsklacht op tegen het oordeel van de Rechtbank, besloten in haar overwegingen omtrent appelgrief 3, dat de door [eiser] bij diens brief van 11 januari 1986 aan Ciba-Geigy verleende algehele finale kwijting deel uitmaakt van een tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst. Het middel treft doel. Bij zijn memorie van grieven had [eiser] betoogd dat te dezer zake geen sprake is van een overeenkomst, waarbij beide partijen zich tot een algehele kwijting jegens elkaar hadden verplicht, doch slechts van een hem door Ciba-Geigy afgedwongen verklaring. Door zonder enige motivering aan dit betoog voorbij te gaan, heeft de Rechtbank haar beslissing niet naar de eis der wet met redenen omkleed. 3.4 Middel 3 keert zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat [eiser] niet heeft aangegeven waarin de - door hem aan zijn beroep op bedrog ten grondslag gelegde - bedrieglijke voorstelling van zaken zou hebben bestaan. Het middel faalt, aangezien dit oordeel, dat als van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst, in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk is. 3.5 . Middel 4 betreft de verwerping door de Rechtbank van het door [eiser] gedane beroep op dwang en op misbruik van omstandigheden. De Rechtbank heeft haar oordeel dat misbruik van omstandigheden "in geen enkel opzicht aannemelijk (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.