← Nederland

ECLI:NL:HR:1992:ZC8675

10 maart 1992 Strafkamer nr. 2731 Besch. AG Hoge Raad der Nederlanden Beschikking op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 30 juli 1991 op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door: 1. [klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats]. 2. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, [A] B.V., gevestigd te Zoetermeer. 1. De bestreden beschikking De Rechtbank heeft klagers ontvankelijk verklaard in hun beklag. Voorts heeft de Rechtbank gegrond verklaard het door klagers ingediende beklag en gelast de teruggave aan [klager] van de in bovenvermelde beschikking omschreven personenauto. 2. Het cassatieberoep 2.1. Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie in het arrondissement 's-Gravenhage, die de volgende middelen van cassatie heeft voorgesteld: I 1. De Rechtbank heeft met betrekking tot de ontvankelijkheid van het klaagschrift overwogen en beslist: "Zowel [klager] als [A] zijn ontvankelijk in hun klaagschrift. Immers weliswaar heeft de kantonrechter te 's-Gravenhage bij vonnis van 27 juni 1991 een beslissing genomen over de inbeslaggenomen auto, maar die beslissing luidt dat de inbeslaggenomen auto dient te worden teruggegeven. Daarom en omdat de officier van justitie van dat vonnis in hoger beroep is gekomen, het beslag tot op heden voortduurt en de auto niet is teruggegeven bestaat er noch voor [klager] noch voor [A] een uit het wettelijk systeem voortvloeiende belemmering om zich op grond van artikel 552 a van het Wetboek van Strafvordering bij de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage te beklagen." 2. Aldus heeft de rechtbank naar het bescheiden oordeel van requirant ten onrechte en/althans op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen, klagers en hun klaagschrift ontvankelijk verklaard. 3. In 's-Hogen Raads beschikking van 22 mei 1984, NJ 1985, 17 m.nt. ThWvV is beslist dat, indien inbeslaggenomen voorwerpen bij een rechterlijke uitspraak zijn verbeurdverklaard, tegen de inbeslagneming- en naar requirant begrijpt: óók tegen de voortduring daarvan - niet kan worden opgekomen langs de weg van art. 552 a van het Wetboek. van strafvordering, doch uitsluitend door aanwending van het tegen de uitspraak, waarbij de verbeurdverklaring is uitgesproken, openstaande rechtsmiddel (vig.ook HR 24 januari 1989, DD 89.243; Melai c.s., aantekening 4 op art. 552 a Wetboek van Strafvordering, supplement 22; A.M. van Poelgeest in het onderdeel 11. 6.5 van het hoofdstuk "Inbeslagneming" in Vademecum Strafzaken) . 4. In de onderwerpelijke zaak heeft de Kantonrechter te 's-Gravenhage bij vonnis van 27 juni 1991 beslist dat de onder [klager] inbeslaggenomen personenauto aan hem dient te worden teruggegeven. Van deze beslissing is de uitvoerbaarheid ingevolge het bepaalde in art. 557, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering door het aanwenden van het rechtsmiddel van hoger beroep geschorst. Daarom is de Officier van Justitie bevoegd de inbeslaggenomen auto onder zich te houden (vlg. HR 21 juni 1991, NJB 1991, nr. 170 (p.1155/56) voor wat betreft de bevolen teruggave van een ingevorderd rijbewijs) . 5. Aangezien te dezen niet sprake is van een einduitspraak van de Kantonrechter waarbij in het geheel geen beslissing over het inbeslaggenomene is genomen, dan wel waarbij de rechter zich tot het geven van een last tot teruggave niet - in - staat verklaarde, ligt het in de lijn van de beschikking van de Hoge Raad van 22 mei 1984 dat door een belanghebbende aan de (raadkamer van

  1. de)rechtbank niet middels een klaagschrift als bedoeld in art. 552 a van het Wetboek van Strafvordering een eerdere, op de beslissing in de hoofdzaak van de appelrechter vooruitlopende en daarmede wellicht tegenstrijdige beslissing over de (voortduring van
  2. de)inbeslagneming kan worden uitgelokt. 6. Indien het vorenstaande op juistheid berust zal de bestreden beschikking niet in stand kunnen blijven. Aangezien een feitelijk onderzoek achterwege kan blijven, zal de Hoge Raad, doende wat de Rechtbank had behoren te doen, klagers in hun beklag niet-ontvankelijk kunnen verklaren. II 1. De Rechtbank heeft haar beslissing dat de inbeslaggenomen auto niet vatbaar is voor verbeurdverklaring gebaseerd op een grond die deze beslissing niet kan dragen. Mitsdien is de beschikking niet naar de eis der wet met (voldoende) redenen is omkleed. 2. Met betrekking tot de vraag of [A] B.V. redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat [klager] met de aan hem uit hoofde ener lease-overeenkomst ter beschikking gestelde auto forse snelheidsovertredingen zou begaan (art. 33a lid 2 Wetboek van Strafrecht) heeft de Rechtbank overwogen: "Klagers hebben er voorts op gewezen, dat [A] niet wist en ook niet redelijkerwijze kon vermoeden dat [klager] met de aan hem ter beschikking gestelde auto forse snelheids-overtredingen zou begaan. Dit argument treft doel. Uit niets blijkt, dat [A] op dit punt wetenschap heeft gehad. Rest de vraag of [A] dit redelijkerwijze had kunnen vermoeden. De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het een feit van algemene bekendheid is, - en een risico dat door [A] wordt aanvaard - dat met auto's in de regel - vooral door "jeugdige zakenlieden - snelheidsovertredingen worden gepleegd. Dit standpunt kan niet als juist worden aanvaard. [A] mag er in beginsel van uit gaan, dat personen aan wie zij op basis van een lease-overeenkomst auto's ter beschikking stolt, zich bij het gebruik van die auto's in het verkeer zullen houden aan de bepalingen van de Wegenverkeerswetgeving. Slechts indien aan [A] feiten of omstandigheden bekend zijn waaruit blijkt, dat er rekening mee moet worden gehouden dat degene aan wie een auto ter beschikking wordt of is gesteld, zich niet aan de verkeersregels zal houden, dient [A] zich rekenschap te geven van de gevolgen "van het toch ter beschikking (blijven) stellen van een auto. Van dergelijke feiten of omstandigheden is in deze zaak evenwel niets gebleken. De auto is sinds 1 augustus 1989 bij [A] geleased. Sindsdien is er door [A] slechts een met de auto gepleegde snelheidsovertreding geconstateerd. Deze overtreding dateerde van 25 augustus 1989. [A] ontving daarvoor een transactievoorstel van f. 225, --. Dit enkele gegeven behoefde bij [A] niet tot extra "waakzaamheid te leiden." (Vlg. in dit verband ook de beschikking van de Kantonrechter 's- Hertogenbosch van 20 juni 1991, NJ 1991, 521) 3. Ten onrechte heeft de Rechtbank in haar oordeel niet betrokken het door de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie blijkens diens in raadkamer overgelegde requisitoir - aantekeningen verkondigde standpunt, hierop neerkomend dat op een lease-maatschappij de plicht rust te informeren of degene, die op basis van de lease-overeenkomst van een personenauto gebruik zal maken, zich wel gedraagt - en in het verleden heeft gedragen - gelijk het een goed verkeersdeelnemer betaamt. 4. In 's-Hogen Raads beschikking van 20 december 1988, DD 89.199 is beslist dat art. 33a lid 2 wetboek van Strafrecht niet omvat de mogelijkheid van verbeurdverklaring enkel op grond van de omstandigheid dat het ontbreken van een vergunning bij de huurder (van speelautomaten) mede "tot de risicosfeer van de verhuurder behoort". 5. Indien [A] B.V. te dezen de hierboven onder 3 bedoelde informatie had ingewonnen, zou [klager] toch hebben moeten bekennen dat hij al diverse snelheidsovertredingen op zijn naam had staan. (vgl p. 6 van de bijlage bij het verzoekschrift als bedoeld in art. 552 a Wetboek van Strafvordering). Die wetenschap vormt tesamen met het onder 2 gememoreerde feit van algemene bekendheid een omstandigheid die ertoe leidt dat [A] B.V. redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat er (een groot risico
  3. is)dat er met de geleasde personenauto (een) snelheidsovertreding (
  4. en)zou(den) worden gepleegd. 6. Aangezien de Rechtbank die informatieplicht niet in haar oordeelsvorming heeft betrokken, heeft zij niet een juiste maatstaf gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of de litigieuze personenauto voor verbeurdverklaring vatbaar is. 2.2. Namens klagers heeft Mr. A.J.N. van Stigt, advocaat te Rotterdam, het beroep tegengesproken. 3. De conclusie van het Openbaar Ministerie De Advocaat-Generaal Meijers heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 4. Motivering van de bestreden beschikking De bestreden beschikking houdt onder meer in; ten aanzien van de ontvankelijkheid van het door klagers gedane beklag: 2.1. Zowel [klager] als [A] zijn ontvankelijk in hun klaagschrift. Immers weliswaar heeft de kantonrechter te 's-Gravenhage bij vonnis van 27 juni !? 91 een beslissing genomen over de inbeslaggenomen auto, maar die beslissing luidt dat de inbeslaggenomen auto dient te worden teruggegeven. Daarom en omdat de officier van justitie van dat vonnis in hoger beroep, is gekomen, het beslag tot op heden voortduurt en de auto niet is teruggegeven bestaat er noch voor [klager] noch voor [A] een uit het, wettelijk systeem voortvloeiende belemmering om zich op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering bij de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage te beklagen. 2.2. Het standpunt van de officier van justitie, dat [A] pas per 1 augustus 1991 als belanghebbende kan worden aangemerkt, omdat de met betrekking tot de auto gesloten lease-overeenkomst inhoudt dat [klager] tegen betaling van de leaseprijs tot I augustus 1991 de inbeslaggenomen auto onder zich mag hebben is niet juist. [A] is immers eigenares van de auto en behoeft als zodanig door haar niet-gewenste inbreuken op dat eigendomsrecht niet te dulden. Reeds daarom is [A] belanghebbende in de zin van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering.
  5. b)ten aanzien van de gegrondheid van het door klagers gedane beklag, voor zover thans van belang: Klagers hebben er voorts op gewezen, dat [A] niet wist en ook niet redelijkerwijze kon vermoeden dat [klager] met de aan hem ter beschikking gestelde auto forse snelheidsovertredingen zou begaan. Dit argument treft doel. Uit niets blijkt, dat [A] op dit punt wetenschap heeft gehad. Rest de vraag of [A] dit redelijkerwijze had kunnen vermoeden. De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het een feit van algemene bekendheid is, - en een risico dat door [A] wordt aanvaard - dat met auto's in de regel - vooral door "jeugdige" zakenlieden - snelheidsovertredingen worden gepleegd. Dit standpunt kan niet als juist worden aanvaard. [A] mag er in beginsel van uit gaan, dat personen aan wie zij op basis van een lease-overeenkomst auto's ter beschikking stelt, zich bij het gebruik van die auto's in het verkeer zullen houden aan de bepalingen van de Wegenverkeerswetgeving. Slechts indien aan [A] feiten of omstandigheden bekend zijn waaruit blijkt, dat er rekening mee moet worden gehouden dat degene aan wie een auto ter beschikking wordt of is gesteld, zich niet aan de verkeersregels zal houden, dient [A] zich rekenschap te geven van de gevolgen van het toch ter beschikking (blijven) stellen van een auto. Van dergelijke feiten of omstandigheden is in deze zaak evenwel niets gebleken. De auto is sinds 1 augustus 1989 bij [A] geleased. Sindsdien is er door [A] slechts één met de auto gepleegde snelheidsovertreding geconstateerd. Deze overtreding dateerde van 25 augustus 1989. [A] ontving daarvoor een transactievoorstel van fl. 225, --. Dit enkele gegeven behoefde bij [A] niet tot extra waakzaamheid te leiden. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank voorshands van oordeel, dat de auto niet vatbaar is voor verbeurdverklaring. Het beslag dient derhalve te worden opgeheven, zodat het beklag gegrond moet worden verklaard en de auto teruggegeven kan worden aan klager sub.I. 5. Beoordeling van het eerste middel 5.1. Door het Openbaar Ministerie is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Kantonrechter te 's-Gravenhage van 27 juni 1991, waarbij onder meer is beslist tot teruggave van het inbeslaggenomene. Ingevolge het bepaalde in art. 557 Sv kon deze beslissing niet ten uitvoer worden gelegd voordat op het hoger beroep was beslist. 5.2. Terecht heeft de Rechtbank klaagster sub 2, die eigenares is van het inbeslaggenomene, als belanghebbende in de zin van art. 552a Sv, ontvankelijk verklaard in haar beklag tegen het voortduren van het beslag. 5.3. Eveneens terecht heeft de Rechtbank klager sub 1 in zijn beklag ontvankelijk verklaard. Redelijke wetsuitleg brengt mee dat de verdachte tegen de inbeslagneming van voorwerpen - voor zover deze niet zijn verbeurd verklaard, noch zijn onttrokken aan het verkeer - kan opkomen langs de weg van art. 552a Sv. 5.4. Het middel is mitsdien tevergeefs voorgesteld. 6. Beoordeling van het tweede middel 6.1. Terecht heeft de Rechtbank geoordeeld, dat [A] in beginsel ervan mocht uitgaan dat personen aan wie zij op basis van een lease-overeenkomst auto's ter beschikking stelt, zich bij het gebruik van die auto's in het verkeer zullen houden aan de bepalingen van de wegenverkeerswetgeving en dat dit slechts anders is indien feiten of omstandigheden bekend zijn, waaruit blijkt dat ermee rekening moet worden gehouden dat zulks niet het geval is. 6.2. Het oordeel van de Rechtbank dat van dergelijke feiten of omstandigheden niet is gebleken is - gelet op hetgeen in deze zaak is vastgesteld - niet onbegrijpelijk en in cassatie niet op zijn juistheid te beoordelen. 6.3. Het middel faalt derhalve. 7. Slotsom Nu geen van de beide middelen tot cassatie kan leiden, moet het beroep worden verworpen. 8. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze beschikking is gegeven door de vice-president Bronkhorst als voorzitter, en de raadsheren Beekhuis, Keijzer, Govaerts en Koster, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, in raadkamer van 10 maart 1992.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.