← Nederland

ECLI:NL:HR:1994:ZC1412

24 juni 1994 Eerste Kamer Rek.nr. 8398 Br. Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: MERCANTIEL AGENTSCHAP N.V., gevestigd op Curaçao, Nederlandse Antillen, EISERES tot cassatie, advocaat: Mr. R.S. Meijer, tegen

  1. [verweerder 1] , wonende te [plaats] ,
  2. [verweerster 2] , wonende te [plaats] ,
  3. [verweerster 3] , wonende te [plaats] , VERWEERDERS in cassatie, advocaat Mr. J.K. Franx,
  4. [verweerster 4] , wonende [te plaats] , Nederlandse Antillen, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen.
  5. Het geding in feitelijke instanties Met een op 12 december 1991 gedateerd verzoekschrift heeft eiseres tot cassatie - verder te noemen: Mercantiel - zich gewend tot het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Curaçao, met het verzoek verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] c.s. en [verweerster 4] - hoofdelijk des dat de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd, te veroordelen om aan Mercantiel te betalen de somma van Naf 130.457, -- , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 1991 en kosten. Nadat [verweerder] c.s. tegen de vordering verweer hadden gevoerd en [verweerster 4] had geconcludeerd tot referte, heeft het Gerecht in Eerste Aanleg bij vonnis van 21 december 1992 Mercantiel niet ontvankelijk verklaard in haar vordering. Tegen dit vonnis heeft Mercantiel hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Bij vonnis van 29 juni 1993 heeft het Hof het vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg, waarvan beroep, bevestigd. Het vonnis van het Hof is aan dit arrest gehecht.
  6. Het geding in cassatie Tegen het vonnis van het Hof heeft Mercantiel beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [verweerster 4] is niet verschenen. [verweerder] c.s. hebben verzocht het beroep te verwerpen. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Mercantiel mede door Mr. B.E.L.J.C. Verbunt, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden. De conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en tot verwijzing van de zaak naar dat Hof ter verdere behandeling en beslissing.
  7. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende. - Op 10 januari 1985 is overleden [erflater] (verder de erflater) ; bij testament heeft de erflater onder meer het volgende bepaald: "Ik benoem mijn drie ( ... ) kinderen tot erfgenamen, ieder voor een zodanig deel van mijn nalatenschap als overeenkomt met haar of zijn wettelijk erfdeel ... ". "Ik benoem mijn echtgenote ( ... ) tot mijn erfgename voor het overige deel van mijn nalatenschap, waarover hiervoor niet is beschikt." - [verweerder] c.s. zijn de kinderen van de erflater; zij zijn ieder voor 3/16 deelgenoot in de nalatenschap. - [verweerster 4] is de weduwe van de erflater; zij is voor 7/16 deelgenoot in de nalatenschap. - [verweerster 4] houdt de meerderheid van de aandelen in Mercantiel. Mercantiel heeft gesteld dat tussen haar en de erflater een rekening-courantverhouding heeft bestaan en dat zij ter zake van het saldo een vordering op de erflater had, welke vordering per 1 januari 1991 NAf 130.457, -- bedroeg. De vordering van Mercantiel strekt tot veroordeling van [verweerder] c.s. en [verweerster 4] tot betaling van genoemd bedrag met de wettelijke rente sedert 1 januari
  8. Het Gerecht in eerste aanleg heeft Mercantiel niet ontvankelijk verklaard in haar vordering. Het Gemeenschappelijk Hof heeft het vonnis bevestigd. Tegen het vonnis van het Hof heeft Mercantiel in cassatie een reeks klachten aangevoerd. 3.2 Onderdeel 1 richt zich met motiveringsklachten tegen rov. 1 van het Hof waar het onder a. vaststelt: " [verweerster 4] is directeur/groot aandeelhouder van Mercantiel, waarvan de overige aandelen in handen zijn van de kinderen tevens erfgenamen van de erflater;" Hetgeen Mercantiel in de onderdelen 1.1 tot en met 1.4 daartegen aanvoert kan aldus worden samengevat: - de niet aan [verweerster 4] toebehorende aandelen in Mercantiel behoren tot de onverdeelde nalatenschap; - [verweerster 4] is tot de nalatenschap, en dus ook tot de daartoe behorende aandelen in Mercantiel, gerechtigd voor 7/16 deel en [verweerder] c.s. ieder voor 3/16 deel; - de vermelde vaststelling is in strijd met de, juiste, vaststelling door het Hof in rov. 1 onder b .: "De aandelen van Mercantiel maken althans gedeeltelijk deel uit van de (onverdeelde) nalatenschap, waartoe zowel [verweerster 4] als de kinderen gerechtigd zijn." De onderdelen kunnen niet tot cassatie leiden. Het Hof is, zoals naar voren komt uit zijn rov. 3, bij de beoordeling van de grieven ervan uitgegaan dat de niet aan [verweerster 4] toebehorende aandelen in Mercantiel behoren tot de onverdeelde nalatenschap van de erflater. Mercantiel heeft derhalve bij de hier besproken onderdelen geen belang. 3.3 De onderdelen 2.1 tot en met 2.11 komen op tegen 's Hofs rov.
  9. Er is aanleiding eerst de onderdelen 2.9 tot en met 2.11 te behandelen. Zij zijn gericht tegen s' Hofs oordeel: "De grieven komen erop neer dat de eerste rechter ten onrechte de gepretendeerde vordering uit rekening courant niet los heeft beoordeeld van het geheel van rechtsbetrekkingen tussen partijen. Die stelling faalt reeds omdat partijen zowel als aandeelhouders van Mercantiel alsook als gerechtigden in de onverdeelde nalatenschap van [erflater] , in een bijzondere, door de goede trouw beheerste verhouding staan. Daarmee is niet verenigbaar dat [verweerster 4] als directeur/ groot aandeelhouder en erfgenaam een vordering te gelde maakt jegens de overige aandeelhouders/erfgenamen die ertoe zou kunnen leiden dat zij een groter aandeel in de nalatenschap verwerft dan gerechtvaardigd is. Toewijzing van de onderhavige vordering zou immers het complexe geheel van aanspraken van partijen op de nalatenschap doorkruisen, temeer nu de aandelen van Mercantiel althans gedeeltelijk deel uitmaken van de nalatenschap. De realisering van die aanspraken dient te geschieden in het kader van de scheiding en deling van de boedel, ... " De onderdelen zijn gegrond. Mercantiel vordert betaling van haar eigen vordering. Zij kan niet worden vereenzelvigd met [verweerster 4] op de enkele grond dat deze bestuurder van de vennootschap is en de meerderheid van de aandelen daarin houdt. Mercantiel is dan ook geen deelgenoot in de nalatenschap zodat in zoverre tussen haar en [verweerder] c.s. en [verweerster 4] ook geen bijzondere, verhouding bestaat als door het Hof aangenomen. Mercantiel vordert betaling van een geldsom, een naar haar aard deelbare prestatie. [verweerster 4] en [verweerder] c.s. zijn derhalve krachtens de art. 1127 en 1316 BWNA (welke bepalingen overeenkomen met art. 4:1147 BW en art. 1335 oud BW) ieder naar evenredigheid van zijn of haar aandeel in de nalatenschap gehouden tot betaling van hetgeen Mercantiel van de erflater te vorderen had. Weliswaar heeft Mercantiel bij inleidende dagvaarding gevorderd dat [verweerder] c.s. en [verweerster 4] zullen worden veroordeeld tot betaling van het gehele bedrag van NAf 130.457, -- , aldus dat nakoming door een van hen tot gevolg zal hebben dat de anderen zijn bevrijd, doch Mercantiel heeft niets aangevoerd op grond waarvan ieder der deelgenoten in de nalatenschap tot betaling van het gehele door haar gevorderde bedrag zou zijn gehouden. De deelgenoten dragen in hun onderlinge verhouding de schuld van de nalatenschap eveneens naar evenredigheid van hun aandeel daarin, art. 1126 BWNA (art. 4:1146 BW) . Het bedrag dat een of meer van de deelgenoten op een schuld van de nalatenschap heeft betaald, zal dan ook in beginsel in de verdeling van de nalatenschap moeten worden betrokken. Betaling door [verweerder] c.s. van hun aandeel in de schuld aan Mercantiel kan in beginsel dan ook geen benadeling van [verweerder] c.s. tot gevolg hebben. Het Hof heeft derhalve door te oordelen als hiervoor is weergegeven hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting hetzij zijn oordeel niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Gegrondbevinding van de onderdelen 2.9 tot en met 2.11 brengt mede dat de onderdelen 2.1 tot en met 2.8 geen bespreking meer behoeven.
  10. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 29 juni 1993; verwijst de zaak naar dat Hof ter verdere behandeling en beslissing; veroordeelt [verweerder] c.s. en [verweerster 4] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Mercantiel begroot op f 450, -- aan verschotten en f 3.500, -- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Mijnssen, Neleman, Heemskerk en Swens-Donner, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 24 juni 1994.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.