9 september 1994 Eerste Kamer Rek.nr. 8403 Br. Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiseres], wonende op Aruba, EISERES tot cassatie, advocaat: Mr. M.R. Mantz, t e g e n 1. Mr. W.M. SCHAUFELE, in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van [A] N.V., kantoorhoudende op Aruba, 2. [A] N.V., gevestigd op Aruba, VERWEERSTERS in cassatie, advocaat: Mr. P.S. Kamminga. 1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 25 maart 1992 gedateerd verzoekschrift heeft eiseres tot cassatie — verder te noemen: [eiseres] — zich gewend tot het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba met het verzoek voor recht te verklaren dat het door verweerster in cassatie sub 2 — verder te noemen: [A] — op 2 november 1991 aan [eiseres] gegeven ontslag onrechtmatig c.q. nietig is en [A] te veroordelen tot — kort gezegd — (door-)betaling van loon met emolumenten vanaf die datum totdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op regelmatige wijze zal zijn geëindigd. Nadat [A] tegen de vorderingen verweer had gevoerd, heeft het Gerecht in Eerste Aanleg bij mondeling tussenvonnis van 18 augustus 1992 [A] tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft het Gerecht in Eerste Aanleg bij eindvonnis van 18 november 1992 — uitvoerbaar bij voorraad — de loonvordering van [eiseres] vanaf 2 november 1991 toegewezen. Op 16 december 1992 heeft [A] ter griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg de in art. 270 RvAr bedoelde verklaring afgelegd dat zij van laatstgenoemd vonnis in hoger beroep kwam en op 8 januari 1993 heeft zij een memorie van grieven ingediend, welke samen met de akte van beroep in opdracht van het Gerecht in Eerste Aanleg op 27 januari 1993 aan [eiseres] is betekend. Binnen de daarvoor ingevolge art. 274 RvAr openstaande termijn is door [eiseres] geen memorie van antwoord ingediend, waarna de Griffier van het Gerecht in Eerste Aanleg de tot de zaak betrekkelijke stukken, overeenkomstig art. 276 heeft gezonden aan het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Dit Hof heeft op de voet van art. 280 uitspraak gedaan op 15 juni 1993. In zijn vonnis heeft het Hof de bestreden uitspraak vernietigd en de vordering van [eiseres] afgewezen. Het vonnis van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het vonnis van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Stellende dat [A] bij vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba van 21 januari 1993 in staat van faillissement was verklaard met benoeming van Mr W.M. Schaufele tot curator, heeft [eiseres] deze laatste mede aangemerkt als verweerder in cassatie. Mr Schaufele – verder aan te duiden als de curator – is verschenen. De curator en [A] hebben verzocht het beroep te verwerpen. Hoewel zij in haar cassatierekest verzocht had haar standpunt nader schriftelijk te mogen toelichten, heeft [eiseres] ter rolle van 28 januari 1994 van schriftelijke toelichting afgezien De conclusie van de Advocaat-Generaal Vranken strekt tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het middel 3.1 Het gaat in dit geding om het volgende. [A] heeft zich bezig gehouden met het ontwikkelen van een condominium project op Aruba. Goederen bestemd voor dit project mocht zij vrij van invoerrechten invoeren. [A] had [eiseres] voor bepaalde tijd (10 november 1988 tot 10 november 1992) in dienst genomen als ‘’sales & marketing manager’’. Op 2 november 1991 heeft [A] haar op staande voet ontslagen op de grond dat zij misbruik had gemaakt van haar functie door voor haar eigen gebruik bestemde goederen op naam van [A] belastingvrij te importeren. [eiseres] heeft deze grond betwist en in dit geding in hoofdzaak (door-)betaling van het sedert 2 november 1991 verschuldigde loon gevorderd. De eerste rechter heeft [A] toegelaten tot het bewijs van de gestelde ontslaggrond en, dit bewijs niet geleverd oordelend, de loonvordering toegewezen. Het Hof dat het bewijsmateriaal anders waardeerde, heeft de vordering daarentegen ontzegd. 3.2 Tegen 's Hofs uitspraak cassatieberoep instellend heeft [eiseres] aangevoerd dat [A] bij vonnis van 21 januari 1993 van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba in staat van faillissement was verklaard en dat daarom de curator mede als verweerder in cassatie moest worden aangemerkt. De curator is verschenen en heeft verweer gevoerd. Op grond van het feit van zijn verschijnen en van hetgeen hij ten vervoer heeft aangevoerd neemt de Hoge Raad voor wat betreft het geding in cassatie als vaststaand aan dat [A] in voege als voormeld in staat van faillissement is verklaard; gesteld noch gebleken is dat dit faillissement inmiddels is geëindigd. Zoals hierna in 3.3 nader zal worden overwogen, gaat het hier om een rechtsvordering als bedoeld in de artikelen 22 en 25 van de Faillissementsverordening (FV). Ten tijde van de faillietverklaring was het geding aanhangig in hoger beroep. De appelrechter heeft het geding evenwel niet geschorst verklaard, maar behandeld en afgedaan. Het antwoord op de vraag wat daarvan rechtens de gevolgen zijn voor de voortzetting van het geding in cassatie, vloeit niet rechtstreeks voort uit de artikelen 21 en volgende FV, maar kan uit het stelsel van deze bepalingen worden afgeleid. Daarbij is vooreerst van belang dat dit stelsel ervan uitgaat dat de regels omtrent schorsing uitsluitend zien op de instantie waar het geding aanhangig is op het moment van faillietverklaring. Is op dit moment reeds vonnis gewezen of doet zich het geval van art. 26 lid 1 FV voor, dan geldt voor het voortzetten van het geding in appel of cassatie dat zulks tegen of door de curator moet geschieden: art. 21 FV. Zoals hiervoor reeds aangegeven, is deze laatste regel te dezen in acht genomen. Het beginsel van art. 22 en 25 FV brengt in dit geval echter wel een zekere beperking van het onderzoek in cassatie mee. Het middel bevat — in voege als hierna in 3.3 nader overwogen — de klacht dat het Hof aan de faillietverklaring van [A] niet de juiste processuele gevolgen heeft verbonden door het geding in hoger beroep af te doen in plaats van het te schorsen of geschorst te verklaren. Een dergelijke klacht is vatbaar voor onderzoek in cassatie. Slaagt zij, dan moet het geding worden verwezen naar de rechter wiens uitspraak is vernietigd, waarna deze de juiste processuele gevolgen aan het faillissement — zo dat alsdan nog niet is beëindigd — kan verbinden en moeten eventuele verdere cassatieklachten buiten behandeling blijven; faalt zij — waardoor in cassatie verder als uitgangspunt heeft te gelden dat het Hof de zaak heeft afgedaan —, dan kunnen ook eventuele verdere klachten betreffende de wijze waarop het Hof de zaak heeft beslist, worden onderzocht. 3.3 In het algemeen gesproken zouden de in het middel onder 4 en 2 geformuleerde klachten als van de verste strekking eerst moeten worden behandeld; in verband met het onder 3.2 overwogene onderzoekt de Hoge Raad echter eerst het in het middel onder 1 gestelde. Onder 1 bevat het middel, naar de Hoge Raad begrijpt, de klacht dat het Hof de zaak heeft afgedaan in plaats van het geding te schorsen. Aan deze klacht legt het middel ten grondslag: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.