gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 oktober 1993 betreffende na te melden navorderings- aanslag in de inkomstenbelasting.
(1986)zelfstandig het beroep van dierenarts uit. In het kader van zijn beroepsuitoefening gebruikte hij een personenauto (hierna: de auto) die in eigendom toebehoorde aan zijn echtgenote, met wie hij buiten gemeenschap van goederen was gehuwd. De auto werd ook voor privé doeleinden gebruikt. Belanghebbende heeft aan autokosten een bedrag van ƒ 11.287,50 ten laste van zijn winst over 1986 gebracht. Genoemd bedrag is berekend op grond van een kilometerprijs van ƒ 0,
- Het Hof heeft de in werkelijkheid gemaakte autokosten voor het onderhavige jaar - in cassatie niet bestreden - vastgesteld op ƒ 9.980,--. 3.
- De hiervóór in 3.1 vermelde feiten laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende alle kosten van de auto voor zijn rekening nam en dat hij ten behoeve van zijn onderneming over de auto kon beschikken. Zulks brengt mee dat de te dezer zake ten laste van de winst gebrachte kosten moeten worden aangemerkt als kosten, verbonden aan het houden van een personenauto, als bedoeld in artikel 42, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting
- Hieraan doet niet af dat de auto in eigendom toebehoorde aan belanghebbendes echtgenote, met wie hij buiten gemeenschap van goederen was gehuwd. Het Hof heeft derhalve terecht beslist dat de zogenoemde autokostenfictie van toepassing is, zodat de hiertegen gerichte klacht faalt. 3.
- De klachten kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
- Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
- Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep, en bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende wordt terugbetaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van ƒ 150,--. Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 5 april 1995.