gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 oktober 1993 betreffende na te melden navorderings- aanslag in de inkomstenbelasting.
(1985)heeft belanghebbende - op de voet van het bepaalde in artikel 19, lid 1 jo. lid 2, aanhef en letter b, aanhef en onder 2?, van de Wet - op de stakingswinst een bedrag van ƒ 296.375,-- in mindering gebracht. 3.1.
- De Inspecteur heeft zich, nadat hij kennis had gekregen van de overeenkomst van 9 mei 1986, bij het opleggen van de onderhavige aanslag op het standpunt gesteld dat ter zake van het door belanghebbende bedongen stamrecht geen bedrag ten laste van de stakingswinst kan worden gebracht, nu het stamrecht niet is bedongen in rechtstreeks verband met het staken van haar onderneming, als bedoeld in artikel 19, lid 1, van de Wet. 3.
- Het Hof heeft geoordeeld: dat belanghebbende de vergoeding voor de overgedragen onderneming heeft aangewend om een woning te kopen en niet om een stamrecht te bedingen; dat zij de koopsom voor het stamrecht schuldig is gebleven. Het Hof is tot die oordelen gekomen op grond van de overwegingen: dat het uit de omstandigheid dat de koopovereenkomst van 9 mei 1986 zonder ontbindende voorwaarde is gesloten, en de omstandigheid dat belanghebbende en haar echtgenoot toen wisten dat zij uiterlijk 1 augustus 1986 een bedrag van ƒ 370.000,-- verminderd met de waarborgsom van ƒ 37.000,-- dienden te betalen, afleidt dat zij niet van plan waren voor de verwerving van de woning een financiering te zoeken bij derden, behalve wellicht bij de nog op te richten stamrecht-B.V.; dat het aannemelijk is dat zij reeds op 9 mei 1986 hebben besloten, of besloten hadden, om het geld op de depositorekening aan te wenden voor de aankoop van de woning en om de stamrechten te financieren door het sluiten van leningen bij de op te richten stamrecht-B.V.; dat zij aan deze plannen uitvoering hebben gegeven, aangezien aannemelijk is dat het hiervóór in 3.1.2 bedoelde bedrag van ƒ 425.000,-- is aangewend ter voldoening van de uit het koopcontract van 9 mei 1986 en uit de akte van transport van onroerend goed van 1 augustus 1986 voortvloeiende verplichtingen, en aangezien niets van het bij de verkoop van de onderneming verkregen kapitaal op enige rekening van de stamrecht-B.V. is terechtgekomen en haar evenmin een gedeelte van de vordering op A B.V. is gecedeerd. 3.
- Vorenweergegeven oordelen zijn van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, zodat zij in cassatie niet met vrucht kunnen worden bestreden. De klachten kunnen derhalve in zoverre zij tegen die oordelen opkomen, niet tot cassatie leiden. Daaraan doet niet af de door belanghebbende reeds voor het Hof gestelde omstandigheid dat voor haar en haar echtgenoot de aankoop van de woning ook zonder de verkoop van de onderneming mogelijk was geweest, nu gesteld noch gebleken is dat alsdan die aankoop ook zonder financiering van derden mogelijk was geweest. Anders dan in de klachten wordt betoogd, kon het Hof mitsdien aan de genoemde omstandigheid voorbijgaan. Evenmin doet daaraan af de hiervóór in 3.1.1 bedoelde verklaring. In de bestreden oordelen immers ligt besloten het oordeel dat belanghebbende en haar echtgenoot nadien het in de verklaring van 30 december 1985 tot uitdrukking gebrachte voornemen niet ten uitvoer hadden gebracht. 3.
- Het hiervóór in 3.2 en 3.3 overwogene brengt mee dat het Hof zonder schending van het bepaalde in artikel 19 van de Wet heeft kunnen oordelen dat in zoverre belanghebbende haar stakingswinst geacht moet worden te hebben aangewend voor de aankoop van de woning, belanghebbende haar stamrecht niet in rechtstreeks verband met de staking van de onderneming heeft bedongen, zodat in ieder geval tot het voor die aankoop aangewende bedrag geen beroep kan worden gedaan op de zogenoemde stamrechtvrijstelling. In zoverre de klachten tegen dit oordeel opkomen falen zij derhalve. 3.
- Gezien de hiervóór in 3.1.3 en 3.1.5 vermelde feiten, is kennelijk niet de gehele door belanghebbende en haar echtgenoot met de overdracht van het bedrijf behaalde stakingswinst aangewend voor de aankoop van de woning. Nu het ten hoogste ter zake van een bedongen stamrecht ten laste van hun stakingswinst te brengen bedrag zowel voor belanghebbende als haar echtgenoot ƒ 296.375,-- beliep, heeft het Hof, gelijk ook in de klachten wordt betoogd, ten onrechte niet onderzocht of belanghebbende, mede gelet op haar aandeel in de met de aankoop van de woning verbonden kosten, voor een gedeelte van de door haar ter zake van het stamrecht verschuldigde koopsom een beroep kon doen op de stamrechtvrijstelling, zodat de klachten in zoverre doel treffen. Hierbij verdient opmerking dat de omstandigheid dat belanghebbende de koopsom van het stamrecht is schuldig gebleven, op zichzelf beschouwd aan het bestaan van een rechtstreeks verband als vorenbedoeld niet in de weg behoeft te staan. Uit het vorenoverwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.
- Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratie belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.
- Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht van ƒ 300,--, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent de eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie. Dit arrest is op 29 maart 1995 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.