gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 4 juni 1993 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1986 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
(1986)moet worden begrepen. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de waarde van het melkquotum slechts tot een bedrag van ƒ 0,325 per kg in de stakingswinst kan worden begrepen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het gelijkheidsbeginsel meebrengt dat het in de Resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 7 april 1986, nr. 285-17529, Vakstudie Nieuws 1986, blz. 861, (hierna: de Resolutie) neergelegde beleid ten aanzien van de verkoop van melkquota ook in een geval als het onderhavige van toepassing is. 3.
- Het Hof heeft geoordeeld dat, anders dan de Inspecteur stelt, de Resolutie niet slechts "een goedkeuring met betrekking tot de toepassing van de landbouwvrijstelling" bevat, maar dat zij met betrekking tot de melkveehouder/eigenaar een voorschrift geeft voor de berekening van het bedrag aan belastbare winst, begrepen in zowel opkoopsommen van het ministerie van landbouw en visserij als in verkoopsommen ontvangen van derden, telkens ƒ 0,325 per kg bedragend. Hiervan uitgaande heeft het Hof vervolgens geoordeeld dat in het geval van verkoop (en andere wijzen van vervreemding) van een melkquotum er tussen de eigenaar/- en de pachter/gebruiker van landbouwgrond als verkoper geen onderscheid bestaat dat een verschil in de berekening van de daarmee behaalde belastbare winst zou kunnen rechtvaardigen, zodat belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel gegrond is. 3.
- Tegen laatstvermeld oordeel komt het middel tevergeefs op, aangezien dat oordeel juist is. De omstandigheid dat de Staatssecretaris in de Resolutie ervan is uitgegaan dat de vrijstelling van de vergoeding voor het melkquotum, voor zover deze ƒ 0,325 per kg te boven ging, het gevolg was van toepassing van de landbouwvrijstelling kan daaraan niet afdoen, aangezien het in het onderhavige geval niet gaat om uitlegging van de Resolutie, doch om toepassing van het gelijkheidsbeginsel.
- Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.
- Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie. Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, De Moor, C.H.M. Jansen en Van der Putt- Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 12 april
- Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van dit beroep een recht geheven van ƒ 300,--.Nr. 29.739 Mr. Van Soest Derde Kamer A Conclusie inzake: Inkomstenbelasting 1986 de staatssecretaris van Financiën Parket, september 1994 tegen X Edelhoogachtbaar College,
- Korte beschrijving van de zaak. 1.
- Het beroep in cassatie is gericht tegen de schriftelijke uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden (hierna te noemen het Hof) van 4 juni 1993, nr. 796/
- Het is ingesteld door de staatssecretaris van Financiën (hierna te noemen de Staatssecretaris). Van het beroep in cassatie is melding gemaakt in Vakstudie Nieuws 14 oktober 1993, blz. 3083, punt 1.
- 1.
- De belanghebbende, X is geboren in
- 1.
- De belanghebbende exploiteerde tot 12 mei 1986 in maatschap met zijn zoon een melkveehouderij, op naam waarvan een heffingvrij te leveren hoeveelheid melk (melkquotum) stond van 144.806 kg. 1.
- De belanghebbende trad op 12 mei 1986 uit de maatschap. Met ingang van deze datum zette de zoon de melkveehouderij voort. De belanghebbende bedong geen vergoeding voor zijn aandeel in het melkquotum. 1.
- In geschil is, welk bedrag uit dezen hoofde tot de door de belanghebbende over 1986 behaalde winst uit onderneming gerekend behoort te worden. 1.
- Het Hof heeft het bedrag gesteld op ½ x 144.806 x ƒ 0,
- 1.
- Het beroepschrift in cassatie is op 6 augustus 1993, dat is tijdig, zowel bij het Hof (per telefax) als bij Uw Raad ingekomen. Het bij Uw Raad ingekomen exemplaar is door de zorg van de Griffier van Uw Raad nog dezelfde dag bij het Hof bezorgd. Voor het overige is het beroep in cassatie regelmatig ingesteld. Het steunt op een middel van cassatie. 1.
- De belanghebbende heeft bij vertoogschrift in cassatie het middel bestreden.
- De ontwikkeling van de rechtsstrijd. Het Hof heeft overwogen (ik geef nadere vindplaatsen tussen haakjes aan): "(blz. 2) (...) 3.
- De inspecteur heeft ter zake van de (...) overdracht een winst berekend van ½ x 144.806 x ƒ 2,50 (de - volle - waarde in het economische verkeer van het quotum per kilogram) = ƒ 181.007,_ (...) (blz. 3) (...) 4.
- De belanghebbende staat op het standpunt dat de inmiddels ingetrokken maar te dezen nog geldende resolutie van de staatssecretaris van financiën van 7 april 1986, nr. 285-17.529 (Vakstudie-Nieuws 1986, pag. 861-862; hierna: de resolutie) meebrengt dat het onder 3.02 genoemde bedrag per kg niet ƒ 2,50 moet zijn maar ƒ 0,
- (...) 4.
- (...) Ter zitting heeft de inspecteur [betoogd] dat in de resolutie wel sprake is van een begunstigend beleid ten aanzien van de eigenaar/gebruiker van landbouwgrond maar niet ten aanzien van de pachter/gebruiker zoals de belanghebbende, wiens positie naar zijn mening niet aan die van de eerstgenoemde kan worden gelijkgesteld. (...)"
- De aangevallen uitspraak. Naar het Hof heeft overwogen (blz. 4), "(...) 5.
- (...) bevat de resolutie niet slechts "een goedkeuring met betrekking tot de toepassing van de landbouwvrijstelling", maar geeft zij met betrekking tot de melkveehouder/eigenaar een voorschrift voor de berekening van het bedrag aan belastbare winst, begrepen in zowel opkoopsommen van het ministerie van landbouw en visserij als in verkoopsommen ontvangen van derden, telkens bedragend ƒ 0,325 per kg. 5.
- In het geval van verkoop (en andere wijzen van vervreemding) van een melkquotum bestaat er naar het oordeel van het hof geen onderscheid tussen de eigenaar/- en de pachter/gebruiker van landbouwgrond als verkoper dat een verschil in de berekening van de daarmee behaalde belastbare winst zou kunnen rechtvaardigen."
- Beschouwingen. 4.
- In de bijlage bij deze conclusie neem ik gegevens en beschouwingen op over de belastingheffing bij vervreemding van melkquota. 4.
- Ik betoog aldaar, dat de pachter/gebruiker als zodanig bij verkoop van melkquota geen beroep kan doen op de in de resolutie van 1986 neergelegde vrijstelling van hetgeen ƒ 0,325 per kg overtreft. 4.
- Nu heeft het Hof dit niet miskend, maar het heeft geoordeeld dat het gelijkheidsbeginsel meebrengt de pachter niet te onthouden hetgeen de eigenaar wordt vergund. 4.
- Daarin kan ik het Hof evenwel niet volgen. 4.
- De waardeveranderingen waar het in de wettelijke landbouwvrijstelling om gaat, gaan nu eenmaal de eigenaar aan en niet de pachter. 4.
- Dit uit de wet voortvloeiende onderscheid knoopt aan bij een belangrijk verschil in vermogensrechtelijke positie, dat tal van juridische en maatschappelijke gevolgen heeft. 4.
- Dat dit verschil het rechtvaardigt de landbouwvrijstelling, binnen de daartoe getrokken grenzen, toe te passen op de door de eigenaar/gebruiker behaalde winst en niet op de door de pachter behaalde winst, is een beslissing die voor rekening van de wetgever moet worden gelaten. 4.
- Derhalve slaagt het middel.
- Conclusie. Het middel gegrond bevindende, concludeer ik tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en tot bevestiging van de uitspraak van de hoofd van de belastingdienst ondernemingen te Leeuwarden. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden