gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (België) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 oktober 1993 betreffende de hem voor het jaar 1982 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
(1982)gerekend. Belanghebbende heeft deze bijtelling bestreden - onder meer - op de grond dat de Inspecteur de hiervóór in 4.1.2 bedoelde bescheiden op onrechtmatige wijze heeft verkregen. Hij heeft daartoe voor het Gerechtshof te Amsterdam gesteld dat de FIOD zowel bij het Openbaar Ministerie als bij de Rechtbank een onjuiste, voor belanghebbende uiterst nadelige voorstelling van zaken heeft gegeven en daarmee deze instanties met opzet heeft misleid, en aldus het beoogde doel, verlof tot huiszoeking, heeft bereikt. Ter ondersteuning van deze stelling heeft belanghebbende, kort samengevat, aangevoerd dat in de samenvatting andere in het proces-verbaal voorkomende verklaringen van O zijn weggelaten, die afdoen aan de betrouwbaarheid en de juistheid van de wel opgenomen verklaringen. 4.
- Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur de hiervóór in 4.1.2 bedoelde drie kopieën van declaraties als bewijsmiddel mocht gebruiken voor de bijtelling van ƒ 148.206,--. Het heeft daartoe - voor zover in cassatie van belang - overwogen: dat het, na bestudering van zowel het complete proces-verbaal van verhoor van O als van de samenvatting tot het oordeel is gekomen dat de Rechtbank bij kennisname van het complete proces-verbaal op het tijdstip waarop zij moest beslissen omtrent het verlof tot de onderhavige huiszoeking, dit verlof evenzeer zou hebben gegeven; dat weliswaar in het niet in de samenvatting weergegeven gedeelte van het proces-verbaal op enkele niet essentiële punten inderdaad ervan sprake is dat de verklaringen van O niet geheel consistent zijn dan wel dat O zijn eerder gegeven verklaringen bijstuurt, maar dat dit een op zich geenszins ongebruikelijk verschijnsel bij verklaringen van langdurig en meermalen gehoorde verdachten is; dat dit in elk geval in casu geen beletsel vormt om te komen tot het op die verklaringen gebaseerde oordeel dat de mogelijke betrokkenheid van belanghebbende bij enig strafbaar feit in voldoende mate aanwezig is te achten. In deze overwegingen ligt besloten het oordeel dat, zelfs als sprake zou zijn geweest van een opzettelijk misleidende voorstelling van zaken van de zijde van de FIOD, niet kan worden aangenomen dat de Rechtbank het gevraagde verlof zonder die onjuiste voorstelling van zaken niet zou hebben verleend. Dit oordeel, dat berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen, kan als van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst; het is ook niet onbegrijpelijk. Middel II faalt derhalve in zoverre het zich tegen de eerdervermelde overwegingen van het Hof keert. 4.
- Het middel faalt eveneens voor zover het zich voor het overige keert tegen het in 's Hofs uitspraak in rechtsoverweging 7.5 vermelde oordeel, aangezien dat oordeel ten overvloede is gegeven en derhalve 's Hofs beslissing niet draagt. 4.
- Uitgaande van het hiervóór in 4.2 eerstvermelde oordeel heeft het Hof geoordeeld dat genoemd bedrag van ƒ 148.206,-- volledig dient deel uit te maken van het belastbare inkomen van belanghebbende over het onderhavige jaar. Tegen dit oordeel komt middel I op. Het middel kan niet tot cassatie leiden aangezien belanghebbendes stelling dat dit bedrag voor ƒ 140.000,-- reeds is begrepen in zijn aangifte over het onderwerpelijke jaar, van welke stelling niet blijkt dat zij reeds voor het Gerechtshof te Amsterdam te berde is gebracht, niet voor het eerst in cassatie kan worden aangevoerd, nu de beoordeling van de juistheid van die stelling een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, waarvoor in cassatie geen plaats is.
- Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
- Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 25 januari 1995.