gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 oktober 1993 betreffende na te melden navorderings- aanslag in de inkomstenbelasting.
(1986)moet worden verworpen. Het heeft als redengeving voor dit oordeel mede gebezigd de stelling van de Inspecteur dat een vergelijkbaar café een brutowinstpercentage van 206 had, en heeft daarbij overwogen dat het geen reden heeft te twijfelen aan de stelling van de Inspecteur dat het hier om een met de onderneming van belanghebbende vergelijkbare onderneming gaat. Belanghebbende heeft voor het Hof betwist dat de gegevens betreffende dit café met die van het zijne vergelijkbaar zijn. Aangezien uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding niet blijkt dat omtrent dit café zodanige gegevens ter beschikking waren, dat de juistheid van die stelling door belanghebbende kon worden getoetst, heeft hij zich kennelijk tegen vorenvermelde stelling niet voldoende kunnen verweren. 's Hofs uitspraak is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed, zodat middel II gegrond is. 3.
- Het Hof heeft zijn hiervóór in 3.2 vermelde oordeel tevens gegrond op gegevens betreffende de jaren 1987 en
- Voor zover middel I zich hiertegen keert, kan het niet tot cassatie leiden, aangezien het Hof bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de boekhouding van een belastingplichtige rekening mag houden met hetgeen is gebleken omtrent de boekhouding over andere jaren dan het voor de aanslag in aanmerking komende jaar. Voor zover middel I erover klaagt dat het Hof belanghebbende niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn stelling met nader bewijs, zoals getuigenverklaringen, te onderbouwen, faalt het eveneens, aangezien uit 's Hofs uitspraak noch uit de stukken van het geding blijkt dat belanghebbende bij het Hof heeft aangeboden bewijs door middel van getuigen te leveren, en het Hof niet verplicht was ambtshalve belanghebbende tot getuigenbewijs toe te laten. 3.
- Op grond van het hiervóór in 3.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven; verwijzing moet volgen.
- Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.
- Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie. Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 15 maart
- Van de beslissing omtrent de verhoging wordt mededeling gedaan ter openbare terechtzitting van 29 maart 1995.