gewezen op het beroep in cassatie van de naamloze vennootschap N.V. A te Q als gevolmachtigde van de naamloze vennootschap N.V. X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 april 1992 betreffende na te melden verzoek van belanghebbende om teruggaaf van de heffing op kolen. 1. Beschikking en geding voor het Hof 1.1. Belanghebbende heeft aan het Hoofd van de afdeling Milieuheffingen en Schadevergoedingen van het Directoraat-Generaal Milieubeheer van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: het Hoofd) verzocht aan haar teruggaaf te verlenen over het tweede kwartaal van het jaar 1988 van een bedrag van ƒ 259.899,75 aan heffing op kolen als bedoeld in artikel 61i, lid 1, van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne. 1.2. Het Hoofd heeft dit verzoek bij beschikking afgewezen. 1.3. Belanghebbende is, na verkregen schriftelijke toestemming van het Hoofd, op de voet van artikel 26, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van deze beschikking rechtstreeks in beroep gekomen bij het Hof. 1.4. Het Hof heeft de beschikking bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie 2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2.2. De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna ook: de Minister van VROM), heeft - voor zover nodig mede namens de Staatssecretaris van Financiën - het beroep bij vertoogschrift bestreden. 2.3. Partijen hebben haar standpunten nader doen toelichten, belanghebbende door mr. Ch.J. Langereis, advocaat te Amsterdam, en de Minister van VROM door mr. R.M. Hermans, advocaat bij de Hoge Raad. 2.4. De Advocaat-Generaal Moltmaker heeft op 14 juni 1994 geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie moet worden uitgegaan van het volgende. Belanghebbende exploiteert met een vergunning als bedoeld in artikel 20 van de Wet inzake de luchtverontreiniging een elektriciteitsproduktiebedrijf dat als brandstof in hoofdzaak kolen gebruikt. De stookinstallatie is een bestaande installatie als bedoeld in artikel 15, lid 1, aanhef en letters a en b, van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties Wet inzake de luchtverontreiniging (hierna: het BEES). Belanghebbende heeft op de voet van het bepaalde in artikel 61j, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 61d, lid 2, van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (hierna: de Wet) over het tweede kwartaal van 1988 om teruggaaf verzocht van de heffing op kolen als bedoeld in artikel 61i, lid 1, van die wet. Het Hoofd heeft die teruggaaf niet verleend omdat in de loop van het kalenderjaar 1988 de stookinstallatie zonder rookgasontzwavelingsinstallatie in werking is geweest van 18 tot en met 24 september gedurende 153,5 achtereenvolgende uren en derhalve in dat jaar de in artikel 7, lid 1, BEES bedoelde termijn van ten hoogste 72 achtereenvolgende uren een maal is overschreden. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat dit een omstandigheid is die de beslissing van het Hoofd om de over het tweede kwartaal van 1988 gevraagde teruggaaf van de heffing op kolen niet te verlenen, zelfstandig kan dragen. 3.3. De middelen 1, 2 en 4, die zich met diverse klachten tegen dit oordeel richten, steunen alle op een betoog dat erop neerkomt dat de Minister van VROM niet bevoegd is om ter uitvoering van de in artikel 61d, lid 2, van de Wet vervatte teruggaafregeling te bepalen dat geen teruggaaf wordt verleend als aan de in dat artikel vermelde emissie- en rendementsvoorwaarden niet gedurende een geheel kalenderjaar is voldaan. 3.4. Met betrekking tot de teruggaaf van de heffing op zware stookolie en kolen als bedoeld in artikel 61d, lid 2, en artikel 61j, lid 2, van de Wet houden de stukken van de parlementaire behandeling van de Wet van 30 maart 1988, Stb. 113, waarbij deze artikelen in de Wet zijn opgenomen, - voor zover hier van belang - in: 3.4.1. De Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1986/87, 19 752, nr. 3, blz. 9): "Omdat de heffingen zijn gekoppeld aan hoeveelheden brandstof die worden gebruikt, kunnen de heffingplichtigen de door hen op te brengen bedragen niet beïnvloeden door het al dan niet nemen van milieumaatregelen. Deze heffingen hebben geen regulerende werking tot doel. Voor een tweetal brandstoffen is het wel zinvol geoordeeld bepaalde verbruikers daarvan de mogelijkheid te bieden door het treffen van milieumaatregelen (waarmee vaak grote investeringen zullen zijn gemoeid) hun reële heffingenlast te verminderen. Daartoe is voor kolen en zware stookolie in de tariefstelling een differentiatie tot stand gebracht; criterium daarbij is het niveau van de uitworp van zwaveldioxide en het ontzwavelingspercentage. In de komende jaren zullen in het kader van het luchtverontreinigingsbeleid bij grote vuurhaarden ingrijpende en kostbare maatregelen moeten worden genomen ter beperking van de emissie (i.c. rookgasontzwavelingsinstallaties). Het is billijk bedrijven, die dergelijke omvangrijke investeringen hebben verricht, door middel van het toepassen van een verlaagd heffingentarief een vermindering van de te betalen heffingen toe te staan. Dit wordt in de wet geconcretiseerd door het opnemen van een teruggaafmogelijkheid voor die bedrijven waar de desbetreffende maatregelen zijn getroffen". 3.4.2. De Memorie van Antwoord (Kamerstukken II 1986/87, 19 752, nr. 7, blz. 12): "De nu geformuleerde uitzondering is ingegeven door de idee om alleen een tegenprestatie te bieden voor die categorie verbruikers van kolen en olie, die ingrijpende en kostbare maatregelen (bouw van rookgasontzwavelingsinstallaties) dient te treffen. In verband hiermee zijn de criteria voor de teruggaaf van de heffing afgestemd op de emissie-eisen, zoals die ingevolge het Besluit emissie-eisen stookinstallaties Wet inzake de luchtverontreiniging zullen gelden voor installaties met een hoger vermogen dan 300 MW. Als criterium voor het verlaagd heffingtarief geldt daarom naast het ontzwavelingsrendement van minstens 85% dat de SO2-uit- worp maximaal 400mg/m3 is". 3.5. In aanmerking genomen dat - zoals volgt uit hetgeen hiervoor aan de wetsgeschiedenis is ontleend - de teruggaafregeling is ontworpen bij wijze van tegenprestatie voor de investeringen die moeten worden gedaan om te voldoen aan de eisen die in het kader van het luchtverontreinigingsbeleid aan stookinstallaties worden gesteld ten aanzien van de emissie van zwaveldioxide en het ontzwavelingspercentage, ligt het voor de hand en moet het in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever worden geoordeeld dat de vraag of aan de in artikel 61d, lid 2, met betrekking tot de uitworp van zwaveldioxide en het ontzwavelingspercentage gestelde voorwaarden voor die teruggaaf is voldaan, wordt beantwoord aan de hand van het antwoord op de vraag of met betrekking tot die uitworp en dat percentage is voldaan aan de eisen die dienaangaande aan de stookinstallaties van vergunningplichtige inrichtingen worden gesteld. 3.6. Hiervan uitgaande heeft de Minister van VROM ter uitvoering van de teruggaafregeling in artikel 5 van de Uitvoeringsregeling heffingen milieuhygiëne artikel 34 van het BEES, welk besluit immers vorenbedoelde eisen aangaande de emissie van zwaveldioxide inhoudt, van overeenkomstige toepassing mogen verklaren. 3.7. Dit brengt mee dat nu blijkens het bepaalde in genoemd artikel 34 voor de vraag of aan een emissie-eis voor zwaveldioxide is voldaan, beslissend zijn de meetuitkomsten gedurende een kalenderjaar, de Minister van VROM de hem in artikel 61d, lid 2, van de Wet gegeven bevoegdheid tot het stellen van regels met betrekking tot de wijze waarop wordt vastgesteld of aan de in dat artikellid bedoelde emissie- en rendementsvoorwaarden is voldaan, niet heeft overschreden door het recht op teruggaaf mede ervan te doen afhangen of aan de emissie-voorwaarde van zwaveldioxide gedurende een geheel kalenderjaar is voldaan. 3.8. De middelen 1, 2 en 4 falen derhalve. 3.9. Middel 3, waarin met juistheid ervan wordt uitgegaan dat het in artikel 61d, lid 2, van de Wet vervatte recht op teruggaaf ook toekomt aan gebruikers van bestaande stookinstallaties als bedoeld in artikel 15, lid 1, BEES, steunt op de opvatting dat nu het verzoek van belanghebbende om teruggaaf betrekking heeft op een installatie waarvoor in de periode waarop het verzoek betrekking heeft, het BEES nog niet gold, dat verzoek niet mag worden getoetst aan de emissie-eisen die in dat besluit aan stookinstallaties worden gesteld. 3.10. Nu, zoals blijkt uit de hierboven weergegeven geschiedenis van de totstandkoming van de teruggaafregeling, de wetgever die teruggaaf juist achtte ten opzichte van de gebruikers van stookinstallaties die in het kader van het luchtverontreinigingsbeleid ingrijpende en kostbare maatregelen hebben getroffen onder meer ter beperking van de uitworp van zwaveldioxide, valt, anders dan in middel 3 wordt betoogd, niet in te zien dat ten aanzien van stookinstallaties waarvoor het BEES nog niet geldt, het aan de gebruikers van die installaties toekomende recht op teruggaaf van de heffing op kolen of zware stookolie niet op dezelfde wijze moet worden beoordeeld als een verzoek om teruggaaf dat betrekking heeft op installaties waarvoor het BEES wel van toepassing is. Middel 3 faalt derhalve. 3.11. Middel 5 is gericht tegen de oordelen van het Hof dat vaststaat dat de onderhavige stookinstallatie zonder rookgasontzwavelingsinstallatie in werking is geweest van 18 tot en met 24 september 1988 gedurende 153,5 achtereenvolgende uren en dat door belanghebbende niet is weersproken dat tijdens die periode niet aan de emissie-eisen is en kon worden voldaan. 3.12. Deze oordelen berusten op de aan het Hof voorbehouden, in het licht van de stukken van het geding geenszins onbegrijpelijke, waardering van hetgeen partijen aangaande deze punten over en weer voor het Hof hebben aangevoerd. Uitgaande van deze oordelen was het Hof niet gehouden belanghebbende in de gelegenheid te stellen de in het middel bedoelde rapporten te weerleggen. Middel 5 faalt derhalve. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. 5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Zuurmond en Herrmann, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van der Vegt, in raadkamer van 15 februari 1995.Nr. 29.025 Mr. Moltmaker Derde Kamer B Conclusie inzake Milieuheffing kolen N.V. X Parket, 14 juni 1994 tegen DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER en DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN Edelhoogachtbaar College, 1Afkortingen en definities 1.1Afkortingen In deze procedure worden de volgende afkortingen gebruikt: - Bees: Besluit emissie-eisen stookinstallaties Wet inzake de luchtverontreiniging (Besluit van 10 april 1987, Stb. 1987,164, in werking getreden op 29 mei 1987); - X: N.V. X; - B: N.V. B; - het Hoofd: Het Hoofd van de afdeling Milieuheffingen en Schadevergoedingen van de Directie Intern Beleid van het Directoraat-Generaal Milieubeheer van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; - LEO: Landelijk Economisch Optimalisatiesysteem; - Rmm: Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties Wet inzake de luchtverontreiniging (Besluit van 21 april 1987, Stcrt. 1987,83); - ROI: Rookgasontzwavelingsinstallatie; - A: N.V. A; - Uvr: Uitvoeringsregeling heffingen milieuhygiëne (Besluit van 30 maart 1988, Stcrt. 1988,63, vervangen door het Besluit van 27 juni 1988, Stcrt. 1988,122); - Wabm: Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (Wet van 13 juni 1979, Stb. 442; zie voor de - ingevolge de Wet van 30 maart 1988, Stb. 113 (wetsontwerp nr. 19 752) - voor 1988/1989 geldende tekst Stb. 1988,133; sinds de Wet van 2 juli 1992, Stb. 414, geheten: Wet milieubeheer, zie Stb. 1992,551); - Wlv: Wet inzake de luchtverontreiniging (Wet van 26 november 1970, Stb. 580, zoals na wijzigingen gepubliceerd in Stb. 1981,411). 1.2Definities - emissie-eis (of emissievoorwaarde): de uitworp van zwavel- dioxyde met het rookgas, uitgedrukt in milligram per m3. - rendementseis (of rendementsvoorwaarde): het ontzwavelings -percentage van het rookgas; - referentiehoeveelheid: de hoeveelheid kolen, waarvan na verbranding het rookgas aan de emissie-eis en/of de rendementseis moet voldoen; - referentieperiode: de tijdsduur gedurende welke het rookgas aan de emissie-eis en/of de rendementseis moet voldoen. 2 Wettelijke bepalingen, geldend in 1988/1989 2.1Wabm Artikel 61d - 1. Enz. - 2. Aan degene die een stookinstallatie voor stookolie zodanig gebruikt, dat de uitworp van zwaveldioxide met het rookgas niet meer bedraagt dan 400 milligram per kubieke meter, herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof van 3 procent, en ten minste een ontzwavelingspercentage van 85 wordt bereikt, wordt op zijn verzoek bij beschikking van Onze Minister een teruggaaf van de heffing, bedoeld in het eerste lid onder f, verleend. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de wijze waarop wordt vastgesteld of aan vorenbedoelde voorwaarden is voldaan. - 3. De teruggaaf bedraagt ƒ 2,25 per 1000 kilogram zware stookolie. Indien het bedrag dat per kwartaal moet worden teruggegeven minder bedraagt dan ƒ 250,--, blijft teruggaaf van de heffing achterwege. Artikel 61i - 1. Er wordt een heffing op kolen ingesteld. - 2. De heffing is verschuldigd door degene die kolen welke hij heeft gewonnen of ingevoerd, al dan niet na bewerking als brandstof gebruikt .... enz. Artikel 61j - 1. De heffing bedraagt per 1000 kilogram kolen ƒ 5,82. - 2. Artikel 61d, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat a. in plaats van het volumegehalte aan zuurstof van 3 procent de zuurstofgehalten bij rooster- en wervelbedketels, poederkoolketels met een aftap voor vloeibare as en overige poederkoolketels onderscheidenlijk 7, 5 en 6 procent bedragen. b. de teruggaaf ƒ 2,25 per 1000 kilogram kolen bedraagt. - 3. Enz. Artikel 61u De in de artikelen ... 61i ... bedoelde heffingen die in een kwartaal verschuldigd zijn geworden, moeten op aangifte worden voldaan. 2.2Wlv Art. 13 - 1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van het voorkomen of beperken van luchtverontreiniging regelen worden gesteld met betrekking tot toestellen, brandstoffen en verontreinigende handelingen. - 2. Enz. Art. 19 - 1. Bij algemene maatregel van bestuur worden categorieën van inrichtingen aangewezen, die in belangrijke mate luchtverontreiniging kunnen veroorzaken. - 2. Enz. Art. 20a - 1. Onverminderd ..... kunnen bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot daartoe aangewezen categorieën van inrichtingen die deel uitmaken van de krachtens artikel 19, eerste of tweede lid, aangewezen categorieën, in het belang van het voorkomen of beperken van luchtverontreiniging regels worden gesteld. .... Bij de maatregel wordt voorts een termijn vastgesteld, eerst bij het verstrijken waarvan de regels van toepassing worden op inrichtingen die bij het in werking treden van de maatregel reeds zijn opgericht. - 2. Enz. 2.3Bees Art. 7 - 1. Een stookinstallatie voor kolen of een stookinstallatie voor zware stookolie, die is uitgerust met voorzieningen voor de ontzwaveling van rookgassen, mag bij het tijdelijk uitvallen van die voorzieningen met kolen onderscheidenlijk zware stookolie in bedrijf worden gehouden gedurende ten hoogste 72 achtereenvolgende uren en voor ten hoogste in totaal 240 uren per kalenderjaar. - 2. Enz. Art. 15 - 1. Een bestaande stookinstallatie voor kolen met een thermisch vermogen van 300 MW of meer wordt, indien: a. bij het oprichten van de installatie reeds vergunning werd verleend voor het stoken van kolen en de installatie nog in bedrijf zal zijn na 31 december 1994, of b. pas in verband met wijzigingen van de installatie vergunning werd verleend voor het stoken van kolen en de installatie nog in bedrijf zal zijn na 31 december 1999, met ingang van 1 december 1989 zodanig gebruikt dat de uitworp van zwaveldioxide met het rookgas niet meer bedraagt dan 400 mg/m3. - 2. Een stookinstallatie als bedoeld in het eerste lid wordt voorts met ingang van 1 december 1989 zodanig gebruikt dat ten minste een ontzwavelingspercentage van 85 wordt bereikt. - 3. Enz. Art. 34 - 1. Indien de concentratie aan zwaveldioxide in rookgas wordt bepaald door middel van continue meting, geldt een emissie-eis als in acht genomen: a. enz. b. in andere gevallen dan die, bedoeld onder a indien van de meetuitkomsten gedurende een kalenderjaar: 10. geen 24-uursgemiddelde de waarde van de emissie- eis te boven gaat, 20. 97 % van de halfuurgemiddelden niet hoger ligt dan 6/5 maal de waarde van de emissie-eis en 30. geen halfuurgemiddelde hoger ligt dan het dubbele van de waarde van de emissie-eis. - 2. Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, niet meegerekend. - 3. Voor de toepassing van het eerste lid, onder b, 30, wordt de uitworp tijdens het opstarten van de stookinstallatie niet meegerekend. 2.4 Rmm Art. 8 - 1. Het ontzwavelingspercentage dient dagelijks te worden bepaald op basis van het etmaalgemiddelde van de met de brandstof toegevoerde massahoeveelheid zwavelverbindingen berekend als zwavel en het etmaalgemiddelde van de met het rookgas uitgeworpen massahoeveelheid zwavelverbindingen berekend als zwavel. - 2. Enz. 2.5 Uvr § 4. Bepalingen in verband met teruggaaf Art. 5 De gegevens die bij een verzoek om teruggaaf als bedoeld in artikel 61d, tweede lid, of artikel 61j, tweede lid, van de wet worden verstrekt in verband met de in die artikelen bedoelde voorwaarden, dienen het resultaat te zijn van continue metingen die overeenkomstig paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties Wet inzake de luchtverontreiniging (Stcrt. 1987,83) zijn uitgevoerd. Voor de vaststelling of aan de voorwaarde ten aanzien van de uitworp van zwaveldioxide is voldaan, is artikel 34 van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties Wet inzake de luchtverontreiniging (Stb. 1987,164) van overeenkomstige toepassing. 3 Feiten en geschil 3.1Het onderhavige geval betreft een verzoek van A namens belanghebbende (X) aan het Hoofd om op de voet van art. 61j, tweede lid, Wabm teruggaaf te verlenen over het tweede kwartaal 1988 van een bedrag van ƒ 259,899,75 aan betaalde heffing op kolen. In de zaak nr. 29.026, betreffende een soortgelijk verzoek betreffende het eerste kwartaal 1989, zal ik niet afzonderlijk concluderen (zie overigens punt 9.7 hierna). 3.2De afwijzende beschikking van het Hoofd op het verzoek is door het hof bevestigd. Voor de feiten verwijs ik naar de uitspraak van het hof. 3.3Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het hof beroep in cassatie ingesteld onder aanvoering van een vijftal cassatiemiddelen, zoals telkens afzonderlijk toegelicht. Namens het Hoofd is een vertoogschrift ingediend, waarna de zaak op 14 april 1993 namens partijen nog nader is bepleit. 3.4Cassatiemiddel 1 betreft de vraag of een verzoek om teruggaaf als het onderhavige per kwartaal moet worden ingediend en in verband daarmee de vraag of de referentieperiode waarover moet worden beoordeeld of aan de voorwaarden voor de teruggaaf is voldaan, is beperkt tot het desbetreffende kwartaal (zoals belanghebbende verdedigt), dan wel zich uitstrekt tot het gehele kalenderjaar waarin dat kwartaal valt (zoals het hof heeft beslist). 3.5 Volgens cassatiemiddel 2 is het hof ten onrechte, althans zonder voldoende motivering, voorbijgegaan aan de stellingen van belanghebbende a. primair, dat in plaats van een referentieperiode ook zou kunnen zijn gekozen voor een referentiehoeveelheid en dat de delegatiebevoegdheid van art. 61d, tweede lid, slotzin, Wabm, slechts kan strekken om vast te stellen of aan de emissie-eis is voldaan, maar niet om een referentie-periode en een periode waarover teruggaaf moet worden verzocht vast te stellen; b. subsidiair, dat als er al een referentieperiode moet worden vastgesteld, die periode een dag dan wel een kwartaal zou moeten zijn; c. meer subsidiair, dat als er al een referentieperiode uit de wet blijkt, deze een kwartaal beloopt. 3.6Cassatiemiddel 3 betoogt, dat nu belanghebbende niet voor 1 december 1989 aan de in het Bees gestelde eisen behoefde te voldoen (zie rov. 6.14 aanhef), het de minister niet vrijstond een teruggaafregeling te ontwerpen waarin (via de verwijzing naar art. 34 Bees) bedoelde eisen als voorwaarde zijn gesteld (ter stimulering om reeds voor 1 december 1989 aan die eisen te voldoen). 3.7 Volgens cassatiemiddel 4 heeft het hof ten onrechte het recht op teruggaaf afhankelijk gemaakt van het al dan niet overschrijden van de - op een geheel kalenderjaar betrekking hebbende - gedoogperiode van art. 7 Bees. 3.8 Cassatiemiddel 5 betwist de vaststelling van het hof (rov. 3.14), dat belanghebbende niet heeft bestreden, dat gedurende de tijd dat de stookinstallatie zonder ROI in werking is geweest de uitworp van zwaveldioxyde meer dan 400 mg per m3 heeft bedragen en (rov. 6.22) dat niet is weersproken, dat tijdens de onder 6.21 vermelde tijdvakken aan de emissie-eisen niet is - en kon worden - voldaan. Volgens belanghebbende heeft het hof haar onvoldoende in de gelegenheid gesteld het door het Hoofd bij zijn vertoogschrift overgelegde openbare gedeelte van de controlerapporten van D te weerleggen. 4 Wie is verweerder in cassatie? 4.1 In cassatie wordt mede verweer gevoerd door de staatssecretaris van Financiën. Dat houdt verband met het feit dat de onderhavige teruggaafregeling thans berust op art. II van de Wet verbruiksbelastingen van brandstoffen (Wet van 4 juni 1992, Stb. 1992,317, in werking getreden op 1 juli 1992) en dat de uitvoering daarvan bij die wet is opgedragen aan de minister van Financiën. Dit is ook zo gebleven na de vervanging van de Wabm door de Wet Milieubeheer (Wetten van 2 juli 1992, Stb. 414 en 415, voor de tekst zie ook Stb. 1992,551), waar de verbruiksbelastingen op brandstoffen zijn geregeld in Titel 15.2 (art. 15.3 tot en met art. 15.11). 4.2 Aangezien per 1 juli 1992 (d.w.z. tijdens de looptijd van de cassatietermijn van 5 juni 1992 tot en met 5 augustus 1992) de bevoegdheden tot het heffen, innen en teruggeven van de onderhavige heffing zijn overgegaan van de minister van VROM naar de minister van Financiën, heeft de geëerde pleiter in cassatie voor de verweerder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.