gewezen op het beroep in cassatie van de fiscale eenheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 februari 1994 betreffende het bedrag dat door haar als omzetbelasting op aangifte is voldaan over het tijdvak mei 1992. 1. Aangifte en geding voor het Hof Belanghebbende heeft over voormeld tijdvak op aangifte voldaan een bedrag van ƒ 106.654,--. Belanghebbende is tegen het bedrag dat op die aangifte is voldaan met schriftelijke toestemming van de Inspecteur op de voet van artikel 26, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst vóór 1 januari 1994), rechtstreeks in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep heeft verworpen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. De Advocaat-Generaal Van den Berge heeft op 12 mei 1995 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en tot vaststelling van het door belanghebbende over de maand mei 1992 aan omzetbelasting verschuldigde bedrag op ƒ 106.321,94. 3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. Belanghebbende houdt zich onder meer bezig met de handel in en het kweken van zaaizaden. In het kader van haar bedrijf sluit belanghebbende contracten met landbouwers op grond waarvan aan dezen zaaizaad ter beschikking wordt gesteld. De landbouwers (hierna: de telers) zaaien de zaden uit ten einde meer en nieuw zaad te winnen. Dit zaad wordt bij belanghebbende afgeleverd, waarna het wordt verwerkt tot zaaizaad van een bepaalde kwaliteit, zuiverheid en kiemkracht. Na deze verwerking wordt het zuivere zaaizaad gekeurd door de Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen (hierna: de NAK). Indien het zaad aan bepaalde eisen van zuiverheid voldoet, geeft de NAK een certificaat af. Belanghebbende betaalt haar telers de overeengekomen vergoeding naar rato van de geleverde hoeveelheid gecertificeerd zaaizaad. 3.1.2. Bij Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 oktober 1971, nr. 2358/71 - houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector zaaizaad -, nader uitgewerkt in de Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 augustus 1972, nr. 1674/72 - tot vaststelling van de algemene voorschriften voor de toekenning en de financiering van de steun in de sector zaaizaad -, alsmede in de Verordening van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 2 augustus 1972, nr. 1686/72 - houdende uitvoeringsbepalingen inzake de steun in de sector zaaizaad -, is de mogelijkheid geopend en uitgewerkt om financiële steun te verlenen bij de produktie van bepaalde soorten zaaizaad. Aan voormelde verordeningen is uitvoering gegeven in de Verordening AKK Teelttoeslag Zaaizaden 1973, zoals deze is vastgesteld door het bestuur van het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten. 3.1.3. Een teler, de maatschap A, heeft in de kwaliteit van landbouwer in de maand mei 1992 aan belanghebbende een goed als bedoeld in artikel 27, lid 1, letter a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet), te weten een partij lijnzaad geleverd. Op de door belanghebbende daarvoor opgemaakte afrekening staat naast een bedrag, ter grootte van ƒ 10.000,-- vermeerderd met "btw 5,26% Hfl 526,--", tevens vermeld "EEG subsidie Hfl 6.313,--", alsmede "btw 5,26% Hfl 332,06". Het bedrag, groot ƒ 6.313,-- is door het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten vastgesteld en overgemaakt op een bankrekening van belanghebbende. 3.2. Het Hof heeft, gelet op de in 3.1.2. genoemde voorschriften - waarvan de van belang zijnde passages zijn weergegeven in de onderdelen 3.2 tot en met 3.5 van de Hofuitspraak -, doel en strekking daarvan in aanmerking nemend, geoordeeld dat de onderwerpelijke subsidie aan de teler wordt verstrekt ter zake van de produktie van het desbetreffende zaaizaad, terwijl het Hof geen rechtstreeks verband aanwezig heeft geacht tussen de subsidie en de levering van de onderwerpelijke partij goederen, en derhalve de subsidie niet als prijssubsidie heeft aangemerkt. 3.3. De middelen behelzen de stelling dat de omstandigheid dat ter zake van de produktie steun wordt verleend, niet uitsluit dat diezelfde subsidie omzetbelastingtechnisch verstrekt wordt ter zake van de levering van het geproduceerde zaad, terwijl de middelen voor het overige ten betoge strekken dat tussen de subsidie en de levering van het geproduceerde zaaizaad een zodanig rechtstreeks verband bestaat dat sprake is van een prijssubsidie. 3.4. Daargelaten of de subsidie wordt verleend ter zake van de produktie dan wel ter zake van de levering van het zaad, de subsidie behoort niet tot het door de maatschap A aan belanghebbende ter zake van de levering van het lijnzaad in de zin van artikel 27, lid 3, van de Wet in rekening gebrachte bedrag. Op grond van de hiervóór in 3.1.2 genoemde verordeningen moet immers ervan worden uitgegaan dat de subsidie door het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten in feite is toegekend aan voornoemde maatschap. Belanghebbende heeft derhalve deze subsidie niet voor zichzelf doch voor de maatschap ontvangen, zodat - evenals in de situatie dat de subsidie rechtstreeks door het Hoofdproduktschap aan de maatschap zou zijn uitbetaald - niet kan worden gezegd dat de subsidie aan belanghebbende in rekening is gebracht in de zin van artikel 27, lid 3, van de Wet. De middelen kunnen dus niet tot cassatie leiden. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. 5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is op 6 december 1995 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, De Moor, C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.Nr. 30.217 Mr Van den Berge Derde Kamer A Conclusie inzake: Omzetbelasting 1992 de fiscale eenheid Parket, 12 mei 1995 X B.V. tegen: de staatssecretaris van Financiën Edelhoogachtbaar College, 1. Feiten en procesverloop. 1.1. Het beroep in cassatie is gericht tegen de uitspraak van het gerechtshof te 's-Gravenhage, eerste meervoudige belastingkamer (hierna: het Hof), van 28 februari 1994, nr. 922586-M-1. Het is ingesteld namens de belanghebbende. 1.2. Aan de stukken ontleen ik het volgende. De belanghebbende is een fiscale eenheid als bedoeld in art. 7, lid 4 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB 1968). Tot de eenheid behoort de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. (hierna: de B.V.). Die B.V. houdt zich bezig met de handel in zaaizaden en het kweken van zaad. In het kader van die bedrijfsuitoefening sluit zij teeltovereenkomsten, ook wel aangeduid als vermeerderingscontracten, af met landbouwers. Op basis van een dergelijke overeenkomst levert zij de landbouwer zaad, de landbouwer teelt daarmee een gewas en levert het aldus gewonnen nieuwe zaad weer aan de B.V. 1.3. Ter zake van de produktie van zaaizaad wordt een EG-subsidie verstrekt. De subsidie wordt veelal via de handelaar/kweker uitbetaald aan de producent van het zaad, de landbouwer/teler. 1.4. De B.V. heeft een op 5 juni 1992 gedateerde factuur opgemaakt ten behoeve van A te . De factuur vermeldt: "AFREKENING Ariane lijnzaad oogst 1992 10.000 kgs schoon en droog zaad à hfl 100,-/100kg Hfl 10.000,- btw 5,26 % Hfl 526.- ------------ Hfl 10.526,- EEG subsidie Hfl 6313,- Hfl 6.313,- btw 5,26% Hfl 332,06 ------------- Hfl 17.171,06" De factuur betreft de levering van een partij zaad in mei 1992 (uitspraak Hof, o. 3.6.). 1.5. In juni 1992 heeft de belanghebbende bij het hoofd van de eenheid van de belastingdienst Ondernemingen P (hierna: de Inspecteur) een aangiftebiljet omzetbelasting ingediend over de maand mei 1992. De volgens die aangifte verschuldigde belasting ad f 106.654,- heeft zij die maand voldaan. 1.6. In augustus 1992 heeft de belanghebbende op de voet van art. 26, lid 3 (oud) AWR beroep doen instellen bij het Hof tegen het bedrag dat zij op grond van die aangifte had voldaan. Zij vroeg daarbij om verrekening als voorbelasting van het bedrag van f 332,06 dat zij op de factuur van 5 juni 1992 ter zake van de EG-subsidie had opgevoerd. 1.7. Het Hof heeft het beroep verworpen. 1.8. De belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie doen instellen, waarbij een aantal klachten zijn aangevoerd. 1.9. De staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) heeft die klachten bij vertoogschrift bestreden. 2. Omzetbelasting, verschuldigd over prijssubsidies 2.1. In mijn conclusie voor de bij Uw Raad onder nr. 30.301 aanhangige zaak nam ik een beschouwing op over de behandeling van door een ondernemer ontvangen zgn. prijssubsidies. Ik voeg die beschouwing als een bijlage bij deze conclusie. 2.2. Art. 17, lid 2, onder a Zesde richtlijn geeft de ondernemer recht op aftrek van "de belasting (...) welke verschuldigd of voldaan is voor de hem door een andere belastingplichtige (...) geleverde of te leveren goederen en voor de te zijnen behoeve door een andere (...) belastingplichtige (...) verrichte of te verrichten diensten;". Dat betreft dus ook de belasting, verschuldigd over een aan de leverancier of dienstverrichter ter zake van zijn prestaties verstrekte prijssubsidie als bedoeld in art. 11.A., lid 1, onder a, Zesde richtlijn. 2.3. Art. 15, lid 1, onder a Wet OB 1968 geeft de ondernemer recht op aftrek van de belasting die aan hem "ter zake van (...) aan [hem] verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur". Ingevolge art. 35, lid 1, aanhef en onder f en g (tekst 1992, thans h en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.