27 juni 1995 Strafkamer nr. 99.412 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 juli 1994 in de strafzaak tegen:[verdachte] . geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, wonende te [geboortedatum] . 1De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 7 maart 1994 - de verdachte ter zake van "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen" veroordeeld tot een geldboete van driehonderdvijftig gulden, subsidiair zeven dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof- de vordering van de beledigde partij toegewezen tot een bedrag van ƒ 180,-, met afwijzing van het meer of anders gevorderde . 2Het cassatieberoep 2.
(1983), p. 415). 2. Wie, ongehinderd door de technicités van de Nederlandse strafrechtspraak over de grondslagleer, de telastelegging beziet die aan [verdachte] , verzoeker tot cassatie, is uitgebracht, zal kunnen vaststellen dat zij aan de eisen van wet en verdrag voldoet. Ook uit taalkundig en logisch oogpunt (vernielen is expres stuk maken) is er niets op aan te merken. "Hij heeft op 8 juli 1993 in [geboortedatum] de ruiten van de voordeur van [betrokkene] vernield. (Het feit is strafbaar gesteld bij art. 350 WvSr)". Voor de onbevangen lezer (en verdachte) heeft deze formulering de kenmerken van helderheid en toegespitstheid waarop een burger krachtens wet en verdrag recht heeft; zij sluit elk misverstand over de feitelijke gronden en de rechtsgronden van de beschuldiging uit. Een ontwikkeling praeter legem 3. Het onderzoek van mr. J. Boksem naar de uitwerking van de grondslagfunctie van de telastelegging in de praktijk van het openbaar ministerie en in de rechtspraak heeft onder meer tot de bevinding geleid dat het openbaar ministerie, om misverstand omtrent de betekenis van een term in de telastelegging te vermijden, met name sedert 1886 ervoor heeft gekozen, zo dicht mogelijk bij de tekst van de strafbepaling te blijven. "Het is niet de wet of de rechter geweest die het openbaar ministerie heeft gedwongen de telastelegging op een bepaalde manier te formuleren" (Van Boksem, p. 35) . Uit de historische gegevens kan worden afgeleid dat de eis, dat de kwalificatie- beslissing wordt genomen op de grondslag van de telastelegging, niet inhoudt dat deze laatste de tekst van desbetreffende strafbepaling bevat. Stuurt de officier van justitie in de formulering van de telastelegging wel op een bepaalde kwalificatie aan, is de rechter daaraan niet gebonden. In deze zin ook Corstens, Handboek, p. 572-579 en DD 1993, p. 93-98. Het bestreden oordeel van het Amsterdamse hof 4. Het hof heeft in zijn bestreden arrest een uitvoerige (in de schriftuur integraal weergegeven) overweging gewijd aan de geldigheid van de dagvaarding (arrest, p. 2-3) . In deze overweging bespreekt het hof voor het concrete geval ook de correspondentie tussen telastelegging en bewezenverklaring en gaat het in op het verweer van verzoekers raadsman dat bij een eenvoudige formulering van de telastelegging, als hier is gegeven, een kwalificatie van het bewezen verklaarde onmogelijk is. De gedachtengang van het hof zou ik als volgt willen samenvatten (waarbij ik de hoofdlijnen van de redenering van het hof van letters heb voorzien). - a. Het gaat over de vraag of de telastelegging in deze zaak aan de eisen van wet (en verdrag) voldoet. Dat is het geval. Voor de verdachte is, ook blijkens diens verklaring, duidelijk wat hem feitelijk en in strafrechtelijke zin wordt verweten en waartegen hij zich moet verdedigen. De formulering van de beschuldiging biedt de rechter de grondslag voor de beraadslaging en beslissing op de vragen van de artt. 348 en 350. - b. Geen rechtsregel schrijft voor dat de telastelegging explicite de, aan de wettelijke omschrijving ontleende, bestanddelen van het strafbaar feit bevat. - c. De tekst van de bewezenverklaring behoeft niet met de bewoordingen van de telastelegging overeen te stemmen: de rechter mag op de grondslag van de telastelegging uit hetgeen hij wettig en overtuigend bewezen heeft geacht de delictsbestanddelen afleiden. - d. De kwalificatie sluit bij de bewezenverklaring, niet bij de telastelegging, aan. Het standpunt van mr. Spong 5. Naar het -zowel schriftelijk als bij pleidooi uitvoerig uitgewerkte- oordeel van mr. Spong kan zonder wetswijziging de door het hof gekozen benadering niet worden verwezenlijkt. Met het hof meent mr. Spong dat de wet niet eist dat de opgave van het feit in wettelijke bewoordingen geschiedt. Maar naar zijn oordeel brengt het systeem van de wet mee dat delictsbestanddelen, voorkomende in de delictsomschrijving, zoveel mogelijk en zo nodig gecombineerd met een feitelijke omschrijving in de telastelegging worden vermeld. Bespreking van het oordeel van het hof op grond en naar aanleiding van het middel 6. Voor de vereiste opgave met name van de feitelijke gronden en de rechtsgronden van de beschuldiging kan het nodig zijn de telastelegging in haar bewoordingen te laten aansluiten bij de tekst van de wetsbepaling, waaronder de historische gebeurtenis kan worden gerubriceerd. Dat zal het geval zijn, wanneer het gebruik van andere dan de wettelijke termen tot onvoldoende duidelijkheid en omlijning van het verweten feit leidt of wanneer voor het goed verstaan van de telastelegging buiten twijfel moet worden gesteld dat een woord van de telastelegging "in de zin van" een wetsbepaling wordt gebruikt. (Voor dit laatste procédé zal vooral bij ingewikkelde delictsomschrijvingen, vooral buiten het commune strafrecht, aanleiding zijn.) In zeer veel, vooral "commune", gevallen -en verzoekers geval is daar één van- is het geheel of gedeeltelijk uitschrijven van de desbetreffende strafbepaling niet alleen overbodig, maar leidt het -zoals de ervaring leert- vaak tot onnodige gekunsteldheid. De officier van justitie en het hof Amsterdam hebben de kwaliteit-van de strafrechtspleging een, voor de hand liggende, dienst bewezen door de afstand tussen de dagelijkse werkelijkheid en de technisch-juridische vormgeving ervan voor dit concrete geval te verminderen. De voorbeelden van telasteleggingen die mr. Spong in het verschiet ziet liggen (U hebt de fiscus bedonderd; U hebt een huis in de fik gezet; U hebt chemische rotzooi gebruikt, enz.; pleidooi, onder 13) vormen geen illustratie voor een serieuze oppositie tegen het oordeel van het hof. Er zijn lastiger situaties te bedenken (en mr. Spong kent ze uit zijn rechtshulppraktijk). In verzoekers geval doet zich de noodzaak van het gebruik van enige aan art. 350 Sr ontleende term niet gelden, omdat geen enkel woord in de telastelegging een onduidelijke betekenis heeft. Voor zijn stelling dat het systeem van de wet meebrengt dat zoveel mogelijk de delictsbestanddelen in de bewoordingen van de wet in een telastelegging moeten worden opgenomen, beroept mr. Spong zich op de regeling van de "korte aanduiding" in art. 261 lid 3 Sv (schriftuur, onder 3). Zijn redenering, dat uit het bestaan van de mogelijkheid van de korte aanduiding moet worden afgeleid dat "in beginsel" en zo mogelijk alle bestanddelen van het strafbare feit in de telastelegging moeten worden opgenomen, kan ik niet volgen. De voorziening van art. 261 derde lid Sv hangt samen met de limitering van de tijdsduur van de voorlopige hechtenis. Als het door de tijdslimitering niet mogelijk is een telastelegging op te stellen die aan alle eisen van art. 261 Sv voldoet kan worden volstaan met de tekst van de vordering bewaring of de vordering gerechtelijk vooronderzoek. Juist die omschrijvingen zullen vaak kwalificatieve termen bevatten (Corstens, Handboek, p. 498; vgl. Minkenhof/Reijntjes, De Nederlandse strafvordering, p. 219-221). Ook uit de wettelijke modaliteit van art. 48 lid 1 WED mag niet a contrario worden afgeleid dat dus in niet-economische gevallen zoveel mogelijk de wetteliike bewoordingen moeten worden overgenomen. Art. 48 lid 1 WED vormt in zoverre een uitzondering op art. 261 leden 1 en 2 Sv dat de telastelegging in economische strafzaken niet van meet af aan een omschrijving van het feit behoeft te bevatten die alle bestanddelen van het strafbare feit dekt. Om geen misverstand te laten bestaan: in andere dan niet- economische strafzaken zal buiten de categorie gevallen, bedoeld in art. 261 derde lid Sv, de telastelegging meteen een zodanige feitelijke beschrijving van het voorval moeten bevatten dat daarin de bestanddelen van het strafbare feit ten minste herkenbaar zijn. Dat is in verzoekers zaak het geval: de vermelding van de naam van degene van wiens voordeur verzoeker de ruiten heeft vernield, stelt buiten twijfel dat verzoeker "wederrechtelijk enig goed dat geheel of gedeeltelijk aan een ander toebehoort" heeft vernield. In "heeft . .. vernield" vindt het opzet uitdrukking. Gemeten naar de wettelijke eisen van de leden 1 en 2 van art. 261 en de verdrags- norm van art. 6 derde lid onder a EVRM is naar mijn mening op de tekst van de telastelegging in deze zaak niets aan te merken. De hierboven (sub 4) met a en b aangeduide oordelen van het hof zijn naar geldend recht juist. Vgl. HR NJ 1991, 80, HR NJ 1991, 531 en HR NJ 1994, 425. Het middel, dat tegen die onderdelen van het oordeel van het hof opkomt, is ongegrond . Telastelegging en bewezenverklaring 7. Het hof heeft (met vrijspraak van "de" vóór "ruiten") in verzoekers zaak bewezen verklaard "hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, met dien verstande dat hij op 8 juli 1993 in [geboortedatum] opzettelijk en wederrechtelijk ruiten van de voordeur van [betrokkene] heeft vernield". Zoals hierboven (sub 4, letter
- c)al vermeld, heeft het hof als zijn oordeel te kennen gegeven dat de bewezenverklaring en telastelegging niet woordelijk overeen behoeven te komen, mits de toe te voegen bestanddelen kunnen worden afgeleid uit "hetgeen hij wettig- en overtuigend bewezen acht" (arrest, p. 3). De vraag die (buiten het middel
- om)onder ogen moet worden gezien of het hof hiermee niet (en wellicht onnodig) een brug te ver is gegaan. Het hof had in dit geval, waarin de bewoordingen van de telastelegging "de aard en de reden" van de tegen verzoeker gerichte beschuldiging duidelijk weergeven, zonder met enige rechtsregel in botsing te komen, kunnen bewezen verklaren dat [verdachte] op 8 juli 1993 in [geboortedatum] ruiten van de voordeur van [betrokkene] heeft vernield. Het is juist, zoals het hof overweegt, dat de bewezenverklaring niet woordelijk met de telastelegging behoeft overeen te stemmen. De uitgebreide rechtspraak over het corrigeren van vergissingen in telastelegging en bewezenverklaring en over het wegwerken van oneffenheden tussen beide toont dit aan. De rechter mag ook onderdelen in de telastelegging inlezen en die ingelezen onderdelen vervolgens bewezen verklaren, zolang daardoor het door de telastelegging afgeperkte terrein niet wordt verlaten (vgl. De Jong, a.w., p. 105). Een verdere ontwikkeling is verdedigbaar. Ik citeer prof. Corstens in zijn noot bij HR NJ 1995, 9 (een steunfraude-zaak, waarbij de steller van de telastelegging uit het oog had verloren dat de verdachte gehuwd was): "In een moderner, door de Commissie Moons ook voorgestane (zie Rapporten herijking strafvordering 1993, Gouda Quint, Arnhem 1993, p. 27-39 en 72) benadering, wordt gekeken naar de kern van de beschuldiging. Het centrale feit is de verzwijging van de omstandigheid dat men samenwoonde. Dat is het feit waarvan wordt beschuldigd. De grondslag van de telastelegging wordt niet verlaten door in de bewezenverklaring de voor de bijstand uiteindelijk niet relevante omstandigheid of er sprake was van huwelijk of concubinaat te wijzigen ten opzichte van de telastelegging. Er blijft sprake van hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr (zie in dit verband de verhelderende beschouwing van F.A.J. Koopmans, Van tekst naar context, DD 1994, p. 113-124). De door de officier van justitie geschapen processuele werkelijkheid wordt dan opzij gezet. De uit de bewijsmiddelen blijkende materiële werkelijkheid krijgt dan de voorrang. De rechter krijgt aldus de ruimte een beslissing te nemen die recht doet wedervaren aan hetgeen omtrent die materiële werkelijkheid uit de bewijsmiddelen is gebleken. De op het klassieke grondslagstelsel gebaseerde verweren worden dan aan de verdediging ontnomen. Het belang van de samenleving bij berechting en bestraffing van strafbare daders van bewijsbare delicten prevaleert. Uiteraard moet wel zijn gegarandeerd dat de verdachte zich tegen de wijziging van de bewezenverklaring ten opzichte van de telastelegging kan verdedigen." In deze zaak speelt naar mijn mening het bovenstaande niet. Een aardverschuiving of een bedreiging van veilig geachte stellingen doet zich hier niet voor. Het hof heeft, als ik het goed zie, geen onderdelen aan de bewezenverklaring toegevoegd, maar de bestanddelen "opzettelijk" en "wederrechtelijk", die in de formulering van de telastelegging besloten liggen, geëxpliciteerd door ze in wettelijke termen uit te schrijven. Tegen deze werkwijze, die in zoverre nieuw is dat voor de uitleg van de telastelegging de inhoud van de telastelegging zwaarder weegt dan de keuze van de woorden, is reeds naar huidige rechtspraak geen bezwaar. Enkele voorbeelden uit vele: HR NJ 1979, 599: wederrechtelijk karakter van de bevoordeling "ingelezen"; HR DD 91.230: ontbrekend bestanddeel "wederrechtelijk" in feitelijke omschrijving voldoende tot uitdrukking gebracht; HR DD 91.301: "met dat oogmerk" kan als "met dat opzet" worden gelezen; HR DD 94.139 ("opzettelijk" zit in het woord "misdrijven" besloten). Vgl. A.C. 't Hart in zijn noot bij HR NJ 1987, 276; Ch.M.J.A. Moons, De strafkamer, in: De Hoge Raad. Een portret, p. 104; D.H. de Jong, De tenlastelegging, in Leerstukken strafprocesrecht, p. 45; F.A.J. Koopmans, Het beslissingsmodel van 348/350 Sv (Wolters-Noordhoff 1986), p. 37; Corstens, Handboek, p. 572-579. In verzoekers zaak wordt niets bewezen verklaard dat niet in de telastelegging is vervat en het lijdt geen twijfel dat het bewezen- verklaarde het strafbare feit van art. 350 Sr oplevert. Geen rechtsregel dwong het hof tot de gevolgde werkwijze. Het hof had de aan de delictsomschrijving ontleende kwalificatieve passages ("opzettelijk en wederrechtelijk") niet in de bewezenverklaring behoeven op -te nemen. Vgl. De Jong, diss., p. 105, noot 60 (" ...kan de louter kwalificatieve passage zonder meer worden weggelaten in de bewezenverklaring en waarschijnlijk ook wel worden verbeterd") . De Hoge Raad zou, zonder een verdedigingsbelang van verzoeker te schaden (zie in het bijzonder bewijsmiddel 1 met verzoekers verklaring op de zitting van het hof), de bewezenverklaring van het hof naar de tekst van de telastelegging kunnen "terugbuigen". Het alsdan bewezenverklaarde voldoet aan de delictsomschrijving in art. 350 Sr. Beide benaderingen leiden m.i. tot de uitkomst dat het oordeel onder c materieel bezien juist is. Telastelegging, bewezenverklaring en kwalificatiebeslissing 8. Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als "Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen". Deze kwalificatie is juist. Zij zou ook passen op de bewezenverklaring, waarbij de tekst van de telastelegging, voor zover bewezen, zou zijn gevolgd. In beide gevallen steunt de kwalificatie op de telastelegging. Er is, met andere woorden, in geen van beide versies van de bewezenverklaring plaats voor ontslag van alle rechtsvervolging. Terzijde I: ius constituendum 9. Voor een ingrijpender relativering van de heersende grondslagtheorie is de interventie van de wetgever nodig. Omwille van een dichter bij de werkelijkheid staande en meer begrijpelijke strafrechtspleging en van een versteviging van het contradictoire karakter van het strafproces, dus -meer algemeen gezegd- om het belang van een goede rechtsbedeling verdient, naar het mij voorkomt, het pleidooi van Van Boksem voor aanpassing van wetsontwerp 23 705 (vormverzuimen) in deze zin dat het grondslagstelsel,- dat toch al niet consequent wordt toegepast, nader (bij nota van wijziging) wordt herzien, adhesie (Trema, 1994, p. 431). De commissie Moons heeft een aanzet tot het openen van een gedachtenwisseling willen geven. Terzijde II: een taak voor het openbaar ministerie 10. Het Amsterdamse voorbeeld leent zich voor navolging in die gevallen, waarin de beschuldiging, zowel wat haar feitelijke gronden als wat de rechtsgronden betreft, in ondubbelzinnige woorden is omschreven (zodat subsidiaire en alternatieve vlechtwerken overbodig zijn). De steller van de telastelegging zal eerst moeten terugvallen op wettelijke woorden, als daarzonder de betekenis van een onderdeel van de omschrijving van het feit woord onzeker is. Dat zal zich in "commune" zaken zelden, in zaken uit de sfeer van het bijzondere strafrecht vaker voordoen. Brief namens de beledigde partij 11. De brief die een advocaat namens de beledigde partij aan de Hoge Raad heeft gestuurd bevat geen cassatiemiddel. Conclusie 12. Er zijn geen gronden voor ambtshalve vernietiging van het bestreden arrest. Nu, zoals reeds gezegd, het middel voor ongegrond wordt gehouden, strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, In aansluiting op de verdragsnorm zou het Nederlandse Wetboek van Strafvordering moeten bepalen dat in de telastelegging naar de toepasselijke bepaling(
- en)van het materiële recht wordt verwezen. Vgl. D.H. de Jong, De macht van de telastelegging in het strafproces, p. 154-157/ Corstens, a.w., p. 489. J. Boksem, Grondslagen van het grondslagstelsel. naar een strikte gebondenheid van de rechter aan de telastelegging, Groninger Opmerkingen en Mededelingen, IX