← Nederland

ECLI:NL:HR:1995:ZD0112

5 september 1995 Strafkamer nr. 4892 Herz. JM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan, bij verstek gewezen, arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 maart 1993, ingediend door mr G.H. van Asperen, advocaat te Maastricht , namens: [aanvrager] , geboren op [geboortedatum] 1967, te [geboorteplaats].

  1. De uitspraak waarvan herziening is aangevraagd Het Hof heeft de aanvrager ter zake van
  2. "handelen in strijd met artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet" en
  3. "handelen in strijd met artikel 26, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, met ten aanzien van feit 2 ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van twaalf maanden. Voorts heeft het Hof bij datzelfde gewijsde de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf. Bij zijn arrest van 11 oktober 1994 heeft de Hoge Raad het door [aanvrager] tegen 's Hofs arrest ingestelde cassatieberoep verworpen.
  4. Grondslag van de aanvragen 2.
  5. De aanvrage berust op de stelling dat te dezen sprake is van een omstandigheid, welke bij het onderzoek ter terechtzitting de rechter niet is gebleken en die op zich zelve of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de bestreden uitspraak niet bestaanbaar schijnt in dier voege dat het ernstige vermoeden is ontstaan dat, ware zij bekend geweest, het onderzoek der zaak niet zou hebben geleid tot een veroordeling van de aanvrager. 2.
  6. De aanvrager voert hiertoe aan dat niet hijzelf doch zijn broer, [betrokkene 1] , de bestuurder was van het motorrijtuig waarmee de hiervoren onder 1 bedoelde feiten zijn gepleegd. 2.
  7. Bij de aanvrage zijn, ten bewijze daarvan, verklaringen overgelegd van de aanvrager, van zijn broer [betrokkene 1] en van [betrokkene 2] .
  8. De vordering van het Openbaar Ministerie De Advocaat-Generaal Van Dorst heeft gevorderd, dat de Hoge Raad de aanvrage voor wat betreft de veroordeling tot de bij de bestreden uitspraak opgelegde straffen gegrond zal verklaren en in zoverre de verdere behandeling op de openbare terechtzitting zal bevelen en voorts dat de Hoge Raad de aanvrage voor zover zij betrekking heeft op de bij de bestreden uitspraak gegeven last tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf niet-ontvankelijk zal verklaren.
  9. Beoordeling van de aanvrage 4.
  10. Naar aanleiding van de aanvrage is op verzoek van de Advocaat-Generaal door de politie een nader onderzoek ingesteld. Dit heeft ertoe geleid dat [verbalisant] , hoofdagent van politie te Limburg-Zuid district Maastricht, op 19 maart 1995 [betrokkene 1] en op 24 maart 1995 [betrokkene 2] heeft gehoord en daarvan telkens op ambtseed proces-verbaal heeft opgemaakt. 4.
  11. De verklaring van evengenoemde [betrokkene 1] houdt onder meer in: Op zondag 7 oktober 1990, omstreeks 02:45 uur bevond ik mij samen met mijn broer [aanvrager] en een vriend van hem genaamd [betrokkene 2] in de auto van mijn moeder. Wij zaten met drieen in de auto en waren op weg van een discotheek in [plaats] naar [plaats] . Ik bestuurde op dat moment de auto. Mijn broer die onder invloed was van alcohol was niet in staat om te rijden en lag te slapen op de achterbank. [betrokkene 2] zat naast mij op de passagierszitplaats. Op de rotonde van het voormalige [A] was ik voornemens rechtsaf de [a-straat] op te rijden. Wat er precies gebeurde toen ik de bocht maakte weet ik niet. Ik denk dat ik een black out kreeg. Ik reed met de auto van mijn moeder tegen een reclamebord van de […] . Ik ben toen een stukje achteruit gereden en heb de auto ongeveer 100 meter verder op de [b-straat] geparkeerd. Ik was op dat moment nog niet in het bezit van een rijbewijs. Ik had toen slechts enkele rijlessen gehad. Na de aanrijding hebben wij nog ruzie gehad en nam [aanvrager] ge schuld op zich omdat ik nog niet in het bezit was van een rijbewijs. [betrokkene 2] zou eveneens verklaren dat [aanvrager] de auto had bestuurd. Ik ben echter opgetreden als bestuurder. Ik weet dat het rijden zonder geldig rijbewijs strafbaar. Ik heb echter gereden omdat [aanvrager] helemaal niet in staat was om te rijden. Ik wist niet dat ik mij schuldig heb gemaakt aan doorrijding na aanrijding. Ik heb de auto daar neergezet om hem de volgende dag te komen ophalen. Ik weet ook dat bovenstaande verklaring eventueele gevolgen voor mij kan hebben. Bovenstaand verhaal is echter de waarheid. Indien ik een boete krijg voor rijden zonder rijbewijs en doorrijding na aanrijding ben ik bereid de boete te betalen. 4.
  12. De in de onder 4.1 genoemde ambstedige processen-verbaal opgenomen verklaring van [betrokkene 2] komt overeen met de door [betrokkene 1] afgelegde verklaring. 4.
  13. De inhoud van deze verklaringen geeft steun aan de stelling waarop de aanvrage berust, te weten dat de aanvrager niet de feiten heeft gepleegd. 4.
  14. Een en ander levert het ernstig vermoeden op dat het Hof, ware het met evenvermelde omstandigheid bekend geweest, de aanvrager van het hem telastegelegde zou hebben vrijgesproken.
  15. Slotsom Uit het vorenoverwogene volgt, dat zich te dezen een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 457, eerste lid onder 2º, Sv, zodat de aanvrage gegrond is en als volgt moet worden beslist.
  16. Beslissing De Hoge Raad: Verklaart de aanvrage gegrond; Beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 maart 1993; Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, ten einde op de voet van artikel 465, tweede lid, Sv opnieuw te worden behandeld en afgedaan. Dit arrest is gewezen door de vice-president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Beekhuis, Davids, Keijzer en Schipper, in bijzijn van de griffier Bogaert, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 september 1995.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.