gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 11 augustus 1995 betreffende de hem voor het jaar 1988 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
(1988)is het 50% - pakket aandelen van belanghebbende in B B.V. door deze vennootschap ingekocht voor de prijs van ƒ 35.000,--. De Inspecteur heeft ter zake van deze inkoop - op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 5, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) - een bedrag van ƒ 2.850.000,-- aangemerkt als winst uit aanmerkelijk belang. 3.
- Het Hof heeft geoordeeld dat het voor belanghebbendes opvatting, dat de onderwerpelijke inkoop a pari "fiscaal gezien geheel vergelijkbaar" is met een aandelenruil zoals bedoeld in de Resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 7 februari 1989, BNB 1989/84 (hierna: de Resolutie), zodat - gelijk het geval is bij een gefacilieerde aandelenruil - het met de onderhavige inkoop behaalde voordeel voor de heffing van de inkomstenbelasting buiten aanmerking moet blijven, onvoldoende aanknopingspunten kan vinden in de Resolutie. Dit oordeel, waarmee het Hof kennelijk tot uitdrukking heeft willen brengen dat de fiscale aspecten verbonden aan een inkoop als de onderhavige niet op één lijn kunnen worden gesteld met die van een aandelenruil, is juist. Met name is, anders dan bij de in de Resolutie bedoelde aandelenruil, ter zake van het bedrag dat door de inkoop tegen een te lage prijs als informeel kapitaal in C is ingebracht, het bepaalde in artikel 44 van de Wet niet van toepassing. De tegen dit oordeel gerichte klacht faalt derhalve in zoverre. 3.
- De klacht faalt ook voor het overige, aangezien een rechtsoordeel niet met vrucht met een motiveringsklacht kan worden bestreden.
- Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
- Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is op 30 oktober 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.