gewezen op het beroep in cassatie van X (de erven A) te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 12 augustus 1994 betreffende na te melden aan A, overleden op 1 juni 1992, opgelegde aanslag in de landinrichtingsrente voor het jaar
(1988), blz. 63 en de in noot 75 op die bladzijde vermelde literatuur en jurisprudentie. De Haan is van mening, dat de LIC civielrechtelijk een orgaan van de Staat is en als rechtspersoon moet worden beschouwd. M.i. pleit voor dit standpunt onder meer dat de LIC in de personen van haar voorzitter en secretaris in rechte kan optreden en rechtshandelingen kan verrichten (art. 31 LIW). Zij is ook als zodanig tegenpartij als bedoeld in art. 217, lid 3, juncto art. 182, lid 3, LIW, zie HR 25 maart 1992, NJ 1992,394 en mijn conclusie voor dat arrest, waarin ik verwees naar HR 1 april 1987, NJ 1988,131, HR 17 juni 1987, NJ 1988,132 m.nt. JBMV, HR 22 juni 1988, NJ 1988,929 en HR 27 maart 1991, NJ 1991,
- Ik zie derhalve geen reden waarom de LIC niet rechtsgeldig een overeenkomst met een (ander) orgaan van de Staat zou kunnen sluiten. Naar mijn mening kunnen de rechthebbenden vermeld in de LGR daaraan als derden het recht ontlenen, dat de latere uitkomst van het nog overblijvende geschil niet meer op de voet van de art. 222 en 223 LIW te hunnen laste kan worden gebracht. 5.3Op grond van het vorenstaande faalt naar mijn mening cassatiemiddel I. 6De sluiting van de LGR 6.1Ik zou willen vooropstellen, dat als de rechtbank bij de beschikking van 22 december 1987 de LGR rechtsgeldig heeft gesloten (ervan uitgaande, dat er als gevolg van de overeenkomst geen geschillen meer waren als bedoeld in art. 217, eerste lid, LIW), de LIW geen mogelijkheid meer biedt de LGR te heropenen (en vervolgens opnieuw te sluiten). 6.2Dit betekent, dat het vonnis van de rechtbank van 14 oktober 1988 geen wijziging in de LGR meer teweeg kon brengen, ondanks het andersluidende (dus onjuist geformuleerde) dictum. Aan de rechten en verplichtingen van de in de LGR vermelde rechthebbenden kon op dat moment niets meer worden toe- of afgedaan, zoals de rechtbank ook reeds in de laatste rechtsoverweging van de beschikking van 22 december 1987 had overwogen. Het lijkt onaannemelijk, dat de rechtbank daarover bij het vonnis van 1988 anders heeft geoordeeld. 6.3Tegen het vaststellen van de rechten en verplichtingen in de LGR kunnen de rechthebbenden de in art. 216 van de LIW voorziene rechtsmiddelen aanwenden (art. 174 e.v.: behandeling van de bezwaren door de rechter-commissaris, art. 178 e.v.: behandeling door de rechtbank, art. 182 e.v.: cassatie). Als de geschillen aldus zijn opgelost, is het sluiten van de LGR min of meer een formaliteit. Vandaar ook dat art. 217 LIW slechts het rechtsmiddel van cassatie kent en bovendien de geldelijke gevolgen daarvan buiten de LGR laat. Tegen het sluiten van de LGR kan m.i. geen bezwaar worden gemaakt uitsluitend op de grond dat door dit sluiten de heffing en invordering van landinrichtingsrente mogelijk wordt c.q. bepaalde subsidies eindigen. Als een daardoor ontstaan (rente)nadeel met succes als argument tegen de sluiting zou kunnen worden aangevoerd, zou de LGR nimmer kunnen worden gesloten. Dit argument van belanghebbenden is i.c. dan ook terecht door het hof niet als valide beschouwd. 6.4Met de rechtbank in de beschikking van 1987 en het hof in de uitspraak a quo ben ik van mening, dat het in overeenstemming met de strekking van art. 217 LIW is, om de geschillen als daar bedoeld te beperken tot de geschillen waarvan de uitkomst de rechten en verplichtingen van de in de LGR vermelde rechthebbenden kan beïnvloeden. M.a.w. het feit dat er een geschil is waarvoor een oplossing buiten de LGR om is gevonden welke de belangen van de (overige) rechthebbenden in geen enkel opzicht schaadt, staat aan sluiting van de LGR niet in de weg. Mogelijkerwijs betekende i.c. de door de rechtbank gekozen oplossing zelfs een voordeel voor de overige rechthebbenden. Immers als de LGR niet was gesloten, zou de extra vergoeding van ƒ 21.000 wellicht ten laste zijn gekomen van de overige rechthebbenden in het blok en via de omslag van art. 223 LIW zijn vertaald in een hogere landinrichtingsrente. 6.5Cassatiemiddel III faalt naar mijn mening op grond van het gestelde in punt 6.3 en de cassatiemiddelen II en IV delen m.i. dat lot op grond van het gestelde in punt 6.
- 7Conclusie De cassatiemiddelen ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G i.b.d.