gewezen op het beroep in cassatie van de naamloze vennootschap X N.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 november 1994 betreffende na te melden navorderings-aanslag in de vennootschapsbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende aan wie aanvankelijk een aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1987 was opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ a is over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ b. Belanghebbende heeft tegen deze navorderingsaanslag beroep ingesteld bij het Hof, dat die aanslag heeft gehandhaafd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft op 30 november 1995 geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ d. 3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Een met belanghebbende op de voet van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet) verenigde dochtervennootschap, hierna mede aan te duiden als belanghebbende, heeft in 1987 in opdracht van B B.V. de plaatsing verzorgd van 975 aandelen in C N.V. tegen een koers van ƒ j per aandeel en tegen een bruto provisie van 2,5 % van de gerealiseerde opbrengst. De provisie ten bedrage van ƒ k is door belanghebbende verrekend met de opbrengst van de plaatsing. Na aftrek van de plaatsingskosten resteerde een netto provisie van ƒ l. Belanghebbende heeft zelf 130 van de te plaatsen aandelen genomen; de daaraan toe te rekenen provisie bedroeg ƒ h te verminderen met kosten ten bedrage van ƒ m, derhalve netto ƒ n. Door degenen die de overige aandelen hebben genomen is het volle bedrag van ƒ j per aandeel gestort; zij betaalden geen provisie. De door belanghebbende genomen aandelen vormden te zamen met andere door haar verworven aandelen een deelneming in de zin van artikel 13 van de Wet. De Inspecteur heeft bij de navorderingsaanslag de provisie ten bedrage van ƒ h ter zake van de door belanghebbende zelf genomen aandelen tot de winst van het onderhavige jaar gerekend. Belanghebbende heeft zich voor het Hof op het standpunt gesteld dat deze provisie, verminderd met de daaraan toe te rekenen kosten, derhalve tot eerdervermeld bedrag van ƒ n, niet tot deze winst behoorde, doch leidde tot vermindering van de kostprijs van de deelneming. 3.2. Het Hof heeft in de eerste plaats geoordeeld: dat belanghebbende de onderhavige provisie in rekening gebracht en ontvangen heeft ter zake van de door haar ten behoeve van B B.V. verleende diensten in het kader van de emissie en niet ter zake van de aankoop van de deelneming in C N.V.; dat tussen de ontvangen provisie en de kostprijs van de deelneming dan ook geen oorzakelijk verband aanwezig is. Het Hof heeft zich op deze grond verenigd met het standpunt van de Inspecteur. 3.3. Middel 1 keert zich tegen dit oordeel. Het strekt ten betoge dat uit de vastgestelde feiten blijkt dat de provisie werd toegekend ter zake van het effectueren van de plaatsing van aandelen bij derden, alsmede bij belanghebbende zelve, en dat, voor zover de aandelen bij belanghebbende zijn geplaatst, derhalve een rechtstreeks verband bestaat met het desbetreffende deel van de toegekende provisie. 3.4. Het middel is gegrond. Indien een belastingplichtige een deelneming verwerft, behoren de op de verwerving van die deelneming drukkende kosten tot de kostprijs daarvan, zulks onafhankelijk van de vraag of zij afzonderlijk in rekening zijn gebracht of in de prijs van de aandelen zijn begrepen. Dit brengt mee dat, indien een belastingplichtige bij de verwerving van een deelneming kosten bespaart, de kostprijs van de deelneming dienovereenkomstig lager dient te worden gesteld. De feiten als hiervoor omschreven laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende voor de door haar zelf genomen aandelen niet meer behoefde uit te geven dan het op basis van de emissiekoers te storten kapitaal, verminderd met de provisie die zij ter zake van de plaatsing van de aandelen bij andere deelnemers in de emissie in rekening zou hebben gebracht, zodat de kostprijs van de deelneming voor haar niet meer heeft bedragen dan het aldus verminderde bedrag van de storting. 3.5. Het Hof heeft voorts overwogen dat ook indien tussen de ontvangen provisie en de kostprijs van de deelneming een causaal verband aanwezig moet worden geacht, op grond van hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 19 oktober 1988, BNB 1989/43, geoordeeld moet worden dat de negatieve kosten uit hoofde van de aankoop gerekend moeten worden tot de winst van de deelnemende vennootschap. 3.6. Dit oordeel wordt door middel 2 terecht bestreden. Hetgeen in genoemd arrest is beslist omtrent de toepassing van de deelnemingsvrijstelling bij verkoop van een deelneming verhindert niet dat de kosten ter zake van de verwerving van een deelneming tot de kostprijs van die deelneming behoren, en leidt niet tot de gevolgtrekking dat bespaarde kosten de kostprijs van de deelneming verhogen. 3.7. Uit het vorenoverwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht, gelet op de inhoud van het procesdossier, termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding voor het Hof en van het geding in cassatie voor de onderhavige zaak redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld. 5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, vermindert de navorderingsaanslag in dier voege dat het daarbij in aanmerking genomen belastbare bedrag wordt verminderd met ƒ n, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht van ƒ 300,--, alsmede het ter zake van het beroep bij het Hof geheven griffierecht ten bedrage van ƒ 75,--, derhalve in totaal ƒ 375,--, veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 2.840,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, wijst aan de Staat als rechtspersoon die de bij het Hof gemaakte kosten moet vergoeden, en veroordeelt voorts de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 2.840,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit arrest is op 8 juli 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.Nr. 30.918 Mr Van Soest Derde Kamer A Conclusie inzake: Vennootschapsbelasting 1987 X N.V. Parket, november 1995 tegen de staatssecretaris van Financiën Edelhoogachtbaar College, I. . Korte beschrijving van de zaak. A. . Het beroep in cassatie is gericht tegen de schriftelijke uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam (hierna te noemen het Hof) van 22 november 1994, nr. P94/1370. Het is ingesteld op naam van X N.V. Van het beroep in cassatie is melding gemaakt in Vakstudie Nieuws (VN) 2 maart 1995, blz. 798, punt 1.6. B. . De belanghebbende was in 1987 de moedermaatschappij in een fiscale eenheid, waartoe A N.V. (hierna te noemen A) behoorde. C. . A heeft in 1987 in opdracht van B B.V. de emissie verzorgd van 975 aandelen met een nominale waarde van ƒ o in C N.V. (hierna te noemen C) tegen een koers van ƒ j per aandeel en tegen een bruto provisie van 2,5 % van de gerealiseerde opbrengst. D. . De provisie bedroeg derhalve in totaal bruto (2,5 % van 975 x ƒ j =) ƒ k . Zij is door A verrekend met de opbrengst van de plaatsing. Na aftrek van ƒ p plaatsingskosten bleef er een netto provisie van ƒ l over. E. . A heeft zelf 130 van de aandelen genomen en daarop derhalve (130 x ƒ j = ) ƒ q gestort. De desbetreffende bruto provisie bedroeg bijgevolg (2,5 % van ƒ q = ) ƒ h dat is netto (130/975 x ƒ l = afgerond) ƒ n. F. . De overige (975 - 130 =) 845 aandelen zijn genomen door institutionele beleggers. Deze hebben het volle bedrag van ƒ j per aandeel gestort en geen provisie betaald. G. . Het belang van A in C vormt een deelneming als bedoeld in art. 13 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb. 1969). H. . Aan de belanghebbende is een (primitieve) aanslag in de vennootschapsbelasting 1987 opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ a. I. . Na een ingesteld boekenonderzoek is haar d. d. 31 december 1993 door het Hoofd van de Belastingdienst Grote ondernemingen P (hierna te noemen de Inspecteur) een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ ( a + h =) b met berekening van heffingsrente. J. . Ambtshalve heeft de Inspecteur d. d. 31 januari 1994 de navorderingsaanslag verminderd met de heffingsrente. K. . Het beroep van de belanghebbende strekte volgens 's Hofs uitspraak, onder 1, blz. 1, tot vermindering van de navorderingsaanslag tot een naar een belastbaar bedrag van ƒ d Dit bedrag laat zich uit de hiervóór vermelde gegevens berekenen als volgt: ƒ ( a + h - n). L. . Het beroepschrift hield dienaangaande in (onder B, 2, blz. 3): "Niet in geschil is een bedrag van ƒ m (...) Van de kostprijs van de aandelen (...) is een bedrag van ontvangen provisie afgeboekt ad ƒ h. Dit had een bedrag van ƒ n dienen te zijn. Dit is 130/975 deel van de totale door A ontvangen provisie ad ƒ l te weten de netto door A ontvangen provisie (na aftrek van beursbelasting en een aandeel voor X). Abusievelijk is de van de kostprijs afgeboekte provisie berekend over de bruto ontvangen provisie." M. . Het vertoogschrift van de Inspecteur hield dienaangaande in (blz. 3): "(...) Niet in geschil is de navorderingsaanslag voor zover die betrekking heeft op 130/975-ste deel van het verschil tussen de brutoprovisie en de nettoprovisie, zijnde ƒ m. Partijen zijn het er namelijk over eens dat, zo er al een deel van de provisie in mindering op de kostprijs kan worden gebracht, dit toch slechts kan gelden voor een deel van de nettoprovisie. (...)" N. . In geschil was derhalve, voor zover in dit stadium nog van belang, of het bedrag van ƒ n tot de belastbare winst van de belanghebbende behoort. O. . Het Hof heeft het geschil ten nadele van de belanghebbende beslecht. P. . Het beroep in cassatie is ingesteld bij brief op naam van de gemachtigde D, die ook het beroep bij het Hof heeft ingesteld. De brief is evenwel "(...) voor D" van een andere handtekening voorzien. Voor het overige is het beroep in cassatie overeenkomstig de voorschriften ingesteld. Het steunt op twee, met Arabische cijfers genummerde, middelen van cassatie, waarvan de gronden worden aangeduid als (beroepschrift in cassatie, blz. 2) "(...) toelichting (...)" Q. . De staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift in cassatie de middelen bestreden. II. . De ontvankelijkheid van het beroep in cassatie. Op de voet van art. 6:6 Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo. art. 6:24, lid 1, Awb zou D in de gelegenheid gesteld kunnen worden te bevestigen dat het beroepschrift in cassatie van hem afkomstig is. Aangenomen dat van deze gelegenheid gebruik gemaakt wordt, acht ik het beroep in cassatie ontvankelijk. III. . De kostprijs van de deelneming; middel 1. A. . Naar het Hof heeft overwogen (onder 5.3, blz. 4), "(...) heeft A N.V. de betreffende provisie in rekening gebracht en ontvangen ter zake van de door haar ten behoeve van B B.V. verleende diensten in het kader van de emissie en niet ter zake van de aankoop van de deelneming in C N.V. Tussen de ontvangen provisie en de kostprijs van de deelneming acht het Hof dan ook geen oorzakelijk verband aanwezig." B. . HR 8 juni 1927, Beslissingen in belastingzaken (B.) 4069, overwoog (blz. 147), "(...) dat (...) de afschrijving op zaken, die voor de uitoefening van een bedrijf worden gebruikt, zich behoort te regelen naar het bedrag der uitgaven, die ter verwerving van die zaken zijn gedaan; dat tot die uitgaven niet alleen moet worden gerekend, de prijs, die voor den aankoop is besteed, maar daartoe ook behooren de kosten die op den aankoop zijn gevallen en die, gezamenlijk met de koopsom het bedrag uitmaken, dat uit het bedrijf ter verkrijging van de bedoelde zaken is moeten worden beschikbaar gesteld (...)" (in gelijke zin HR 30 oktober 1963, nr. 15.103, BNB 1964/2). C. . Hof Amsterdam 12 december 1957, VN 1 september 1958, blz. 570, punt 4, overwoog: "Dat de kosten van rechtskundige adviezen rechtstreeks betrekking hebben op in overweging zijnde plannen tot verwerving van een bedrijfsmiddel behoeft niet mee te brengen, dat die kosten onder alle omstandigheden tot de aanschaffingskosten moeten worden gerekend. Goed koopmansgebruik laat toe, ten deze onderscheid te maken tussen werkzaamheden betreffende de voorbereiding der onderhandelingen, en die betreffende de overeenkomst zelve, waarbij het bedrijfsmiddel wordt verworven, en de kosten van eerstbedoelde werkzaamheden behoren niet noodzakelijk tot de bijkomende kosten van aanschaffing. (...)" D. . HR 10 december 1958, nr. 13.791, BNB 1959/51, overwoog (ik geef nadere vindplaatsen tussen haakjes aan), "(blz. 117, van regel 54
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.