gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 14 oktober 1994 betreffende de hem voor het jaar 1989 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
(1989)aan zijn ouders overgemaakte bedragen (totaal ƒ 9.900,--) moeten worden aangemerkt als uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud als bedoeld in artikel 46, lid 1, letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting
- De Inspecteur heeft blijkens zijn vertoogschrift dit standpunt van belanghebbende slechts bestreden met de stelling dat de onderwerpelijke uitgaven niet noodzakelijk waren om de ouders van belanghebbende in staat te stellen tot het voeren van een redelijk bestaan overeenkomstig hun plaats in de samenleving. 3.
- In aanmerking genomen het in 3.1 overwogene en het feit dat, zoals uit 3.2 van de bestreden uitspraak blijkt, aan de in de gedingstukken opgenomen gronden "ter zitting niets essentieels is toegevoegd", was het geschil derhalve beperkt tot de vraag of de als voormeld door belanghebbende overgemaakte bedragen noodzakelijk waren om zijn ouders in staat te stellen tot het voeren van een redelijk bestaan overeenkomstig hun plaats in de samenleving. Het Hof heeft echter de zaak in het nadeel van belanghebbende beslist omdat de "vermogensoverheveling" die naar het oordeel van het Hof was gelegen in het feit dat belanghebbende in 1983 het door zijn ouders bewoonde huis voor ƒ 90.000,-- van hen kocht en in 1989 vrij opleverbaar voor ƒ 178.000,-- weer verkocht volgens het Hof de conclusie rechtvaardigde dat hier geen sprake was van op de belanghebbende "drukkende" ten gewone lasten als bedoeld in artikel 46, lid 1, aanhef, van de Wet op de inkomstenbelasting
- Door aldus te oordelen is het Hof derhalve buiten de rechtsstrijd van partijen getreden. 's Hofs uitspraak kan mitsdien niet in stand blijven. De middelen behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen.
- Proceskosten Nu de Inspecteur de hierboven onjuist bevonden beslissing van het Hof niet heeft uitgelokt of verdedigd en de Staatssecretaris van Financiën zich in cassatie heeft gerefereerd zal de Hoge Raad de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie reserveren tot de einduitspraak.
- Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak en stelt deze kosten aan de zijde van belanghebbende vast op ƒ 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit arrest is op 28 februari 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Herrmann, C.H.M. Jansen en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, en op die datum in het openbaar uitgesproken.