10 mei 1996 Eerste Kamer Rek.nr. 8743 (R95/116HR) EVL Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [de man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr G.J. de Lange, tegen [de vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr A.L.H. Hoevers. 1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 16 december 1994 ter griffie van de Rechtbank te 's-Gravenhage ingekomen verzoekschrift heeft thans verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die Rechtbank met het verzoek de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Voorburg te gelasten de akte van 4 juli 1994, houdende inschrijving van het echtscheidingsvonnis tussen haar en thans verzoeker tot cassatie - verder te noemen : de man - door te halen. De man heeft in zijn verweerschrift verzocht het verzoek van de vrouw toe te wijzen. De Officier van Justitie in het arrondissement 's-Gravenhage heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Bij beschikking van 1 maart 1995 heeft de Rechtbank het verzoek afgewezen. Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Daarbij heeft hij verzocht de beschikking van de Rechtbank te vernietigen en het inleidend verzoek van de vrouw alsnog toe te wijzen. Bij beschikking van 25 augustus 1995 heeft het Hof de man niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De vrouw heeft verzocht de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, althans het beroep te verwerpen met zodanige verdere beslissingen als de Hoge Raad zal vermenen te behoren. De conclusie van de Advocaat-Generaal Asser strekt ertoe dat de beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 25 augustus 1995 en de beschikking van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 1 maart 1995 worden vernietigd en dat de doorhaling zal worden gelast van de inschrijving van het ten processe bedoelde echtscheidingsvonnis in het desbetreffende register van de Burgerlijke Stand. 3. Beoordeling van het middel 3.1 De Rechtbank te 's-Gravenhage heeft bij vonnis van 15 februari 1993 tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en de man veroordeeld om aan de vrouw een bijdrage van f 900, -- per maand voor haar levensonderhoud te betalen. De man heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. In zijn memorie van grieven heeft hij uitsluitend grieven tegen de beslissing van de Rechtbank omtrent de door hem te betalen alimentatie aangevoerd. De vrouw heeft in haar op 16 december 1993 genomen memorie van antwoord zich ertoe beperkt deze grieven te bestrijden; zij heeft geen incidenteel hoger beroep tegen de beslissing omtrent de echtscheiding ingesteld. Bij arrest van 22 april 1994 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd, en in zoverre opnieuw recht doende het bedrag dat de man aan de vrouw als bijdrage in haar levensonderhoud diende te betalen, bepaald op f 465, -- per maand. 3.2 In december 1994 heeft de vrouw zich gewend tot de Rechtbank te 's-Gravenhage met een op art. 1:29 (oud) BW gegrond verzoek de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Voorburg te gelasten de akte van 4 juli 1994, waarbij voormeld echtscheidingsvonnis was ingeschreven, door te halen. Zij grondde dit verzoek op de stelling dat het verzoek tot inschrijving niet was gedaan binnen de in art. 1:163 lid 3 gestelde termijn van zes maanden na de dag waarop het vonnis in kracht van gewijsde was gegaan. De Rechtbank heeft het verzoek bij beschikking van 1 maart 1995 afgewezen. De man heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft de man bij beschikking van 25 augustus 1995 niet ontvankelijk verklaard op de grond dat hij in eerste aanleg geen partij was. 3.3 Het tegen deze beschikking gerichte middel klaagt terecht dat het Hof aldus heeft miskend dat in een verzoekschriftprocedure als de onderhavige, waarop de art. 429a e. v. Rv. van toepassing zijn, ingevolge art. 429n lid 2 iedere belanghebbende hoger beroep kan instellen, en dat de man moet worden aangemerkt als belanghebbende, nu de akte waarvan de doorhaling is verzocht, betrekking heeft op een tussen hem en de vrouw uitgesproken echtscheidingsvonnis. Het Hof heeft derhalve ten onrechte de man niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep op de grond dat hij in eerste aanleg geen partij in de procedure was. 3.4 De vrouw heeft echter bij verweerschrift in cassatie betoogd dat de man niettemin niet ontvankelijk is in zijn hoger beroep op de grond dat hij de onderhavige procedure, althans de beroepsmogelijkheden daarvan, gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is, respectievelijk zijn gegeven en dusdoende misbruik maakt van (proces) recht dan wel handelt in strijd met een goede procesorde of met hetgeen de redelijkheid en billijkheid jegens de vrouw meebrengt. Dit verweer faalt. Gelijk volgt uit de beschikking van de Hoge Raad van 15 juli 1986, NJ 1987, 933, moeten, gelet op de betekenis die te dezen toekomt aan de eisen van rechtszekerheid, beide (voormalige) echtelieden geacht worden een rechtmatig belang erbij te hebben dat de registers van de burgerlijke stand niet een onjuist antwoord bevatten op de vraag of en, zo ja, op welk tijdstip hun huwelijk door echtscheiding is ontbonden. Daaraan wordt niet afgedaan door het hiervoor weergegeven betoog van de vrouw. 3.5 Het vorenoverwogene brengt mede dat 's Hofs beschikking niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. 3.6 De Rechtbank heeft het betoog van de vrouw dat het verzoek tot inschrijving van het echtscheidingsvonnis van 15 februari 1993 niet binnen de in art. 1:163 lid 3 gestelde termijn van zes maanden was gedaan, verworpen op, kort samengevat, de volgende gronden : (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.