ECLI:NL:HR:1997:AA2140
gewezen op het beroep in cassatie van de naamloze vennootschap X N.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 januari 1993 betreffende na te melden aan haar opgelegde aanslag tot naheffing van kapitaalsbelasting.
Om de beurskoers op het gewenste niveau te houden koopt belanghebbende, tegen de intrinsieke waarde, aandelen via de beurs als daar het aanbod groter is dan de vraag en verkoopt zij aandelen als de vraag het aanbod overtreft. In een situatie waarin de vraag trendmatig het aanbod overtreft worden nieuwe aandelen uitgegeven tegen een prijs gelijk aan de intrinsieke waarde verhoogd met de kosten van uitgifte. In 1990 vonden op de beurs transacties plaats met betrekking tot 16.406.064 (dubbeltelling; de kooptransacties en verkooptransacties worden afzonderlijk geteld) aandelen, waarbij met betrekking tot 3.758.478 aandelen belanghebbende zelf de aandelen kocht en met betrekking tot 2.463.752 aandelen belanghebbende zelf de aandelen verkocht.
Noch de algemene vergadering van aandeelhouders, noch de directie, heeft ooit met betrekking tot de gewone aandelen in belanghebbende een besluit tot intrekking genomen. 3.2. Inzake de heffing van kapitaalsbelasting van beleggingsfondsen heeft de Staatssecretaris van Financiën de resolutie van 21 mei 1985, nr. 285-4356, uitgevaardigd. Een overeenkomst als in die resolutie bedoeld is tussen belanghebbende en de Inspecteur niet gesloten. 3.3. In cassatie is de vraag aan de orde of belanghebbende kapitaalsbelasting is verschuldigd ter zake van de "wederverkoop" van haar eerder ingekochte eigen aandelen. In de middelen wordt op uiteenlopende gronden betoogd dat het arrest van de Hoge Raad van 4 november 1981, nr. 20.381, BNB 1981/335, niet eraan in de weg staat dat "wederverkoop" van door belanghebbende ingekochte aandelen kan plaatsvinden zonder heffing van kapitaalsbelasting.
Dienaangaande wordt het volgende overwogen. 3.4. Vaststaat dat belanghebbende in 1990 op de beurs 3.758.478 eigen aandelen kocht en 2.463.752 eigen aandelen verkocht. Gelet op hetgeen is vermeld omtrent de emissiepolitiek van belanghebbende kan voorts ervan worden uitgegaan dat zij ernaar streeft ingekochte aandelen zo spoedig mogelijk weer te verkopen. Een en ander laat geen andere conclusie toe dan dat in 1990 in ieder geval een substantieel deel van de ingekochte aandelen door belanghebbende slechts als tijdelijke belegging is aangehouden. De wettelijke bepalingen bieden echter geen enkel aanknopingspunt voor een maatstaf aan de hand waarvan de aandelen die slechts als tijdelijke belegging zijn aangehouden zouden kunnen worden onderscheiden van de overige ingekochte aandelen. 3.5.
Bij de totstandkoming van de Wet op belastingen van rechtsverkeer heeft de wetgever voor "open-end" beleggingsmaatschappijen als belanghebbende geen bijzondere regeling getroffen. Wel werd, naar aanleiding van een bij de behandeling van het desbetreffende wetsontwerp door verschillende Tweede- Kamerleden gehouden pleidooi tot verlening van een faciliteit aan beleggingsmaatschappijen in de Memorie van Antwoord betoogd (Kamerstukken II 1969/70, 10.560, nr.7, blz.17): "De vraag of de heffing van beleggingsmaatschappijen niet een vorm van dubbele belasting is, (is) ontkennend te beantwoorden...Het maken van onderscheid tussen enerzijds de in beginsel eeuwigdurendheid van een participatie via een aandeel in een naamloze vennootschap en anderzijds de in beginsel beperkte duur van een deelneming in een beleggingspool of besloten beleggingsfonds, waarbij door royement voortdurend stukken worden ingetrokken en nieuwe gecreëerd is op dit gebied toch wel moeilijk... Overigens zal het doorgaans in de macht van het fonds zelf liggen een andere constructie te kiezen. Wanneer namelijk het fonds geen systeem van royement toepast, maar in voorkomende gevallen zijn eigen participaties inkoopt en deze - zonder amortisatie - als belegging in portefeuille houdt om ze te gelegener tijd weer te verkopen, kan niet van een nieuwe uitgifte worden gesproken."
Weliswaar zijn bij de verdere behandeling van dit wetsontwerp ingevolge een amendement van het kamerlid W. Scholten besloten fondsen vrijgesteld van de kapitaalsbelasting, maar dat neemt niet weg dat het hier weergegeven antwoord op zijn minst suggereert dat in de zienswijze van de bewindsman voor de kapitaalsbelasting de op het terrein van de inkomstenbelasting sinds het arrest van de Hoge Raad van 14 november 1956, nr.12.894, BNB 1957/20, bestaande vaste rechtspraak niet steeds beslissend behoeft te zijn. 3.6. Indien ervan zou worden uitgegaan dat bij beleggingsmaatschappijen als belanghebbende inkoop van aandelen voor de heffing van de kapitaalsbelasting steeds tot amortisatie leidt, zou dat meebrengen dat ook indien, over een periode van bij voorbeeld een jaar bezien, het kapitaal in feite niet wordt uitgebreid toch in de loop van het jaar bij voortduring kapitaalsbelasting wordt verschuldigd. Juist dit effect was voor het kamerlid Scholten mede aanleiding voor zijn onder 3.5 bedoelde amendement, dat hij als volgt toelichtte: "Daarbij komt nog, dat, als het wetsontwerp op dit stuk wordt aanvaard zoals het voor ons ligt, bepaalde besloten fondsen in een bijzonder moeilijke situatie terecht zullen komen, omdat er, door wat men samenvat onder het begrip vernietiging van deze heffing, in verband met het inleveren en weer herplaatsen van participaties voortdurend nieuw recht moet worden bijgeheven zonder dat er in feite uitbreiding van kapitaal plaatsvindt" (Handelingen II 1970/71, blz 242 rk).
3.7. Aandacht verdient ook dat op het terrein van het civiele recht de wetgever bij de aanpassing van de wetgeving aan de tweede richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake het vennootschapsrecht gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die richtlijn buiten toepassing te laten voor beleggingsmaatschappijen met veranderlijk kapitaal. Deze mogelijkheid was in de richtlijn opgenomen met het oog op de vooral in Frankrijk en Nederland voorkomende beleggingsmaatschappijen met de rechtsvorm van een naamloze vennootschap waarvoor kenmerkend is dat zij aandelen in haar kapitaal tegen de intrinsieke waarde uitgeven, inkopen en weer vervreemden. Zonder deze uitzonderingsmogelijkheid zou die werkwijze onmogelijk worden gemaakt door de verscherpte regeling in de richtlijn van de uitgifte en de inkoop van aandelen (Kamerstukken II 1978/79, 15.304, nr.3, blz. 2). Bij de toelichting van het huidige art.2:76a BW werd ondermeer opgemerkt: "Onder de bestaande wet kan een beleggingsmaatschappij die n.v. is, haar eigen aandelen tegen dagwaarde inkopen en verkopen, zoals hiervoor is beschreven. De wijzigingen die de tweede richtlijn aanbrengt in de uitgifte en inkoop van aandelen maken enige uitzonderingen op de nieuwe wetsbepalingen nodig, willen dergelijke maatschappijen haar karakter en economische nut behouden".
3.8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband bezien, oordeelt de Hoge Raad het in overeenstemming met de strekking van de kapitaalsbelasting aan te nemen dat door een beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal ingekochte aandelen voor de heffing van de kapitaalsbelasting blijven bestaan zolang geen besluit tot intrekking van die aandelen heeft plaatsgevonden, en tot dat tijdstip dan ook weer kunnen worden verkocht zonder dat dit tot heffing aanleiding geeft. Middel II slaagt in zoverre en behoeft voor het overige, evenals de andere middelen, geen behandeling.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Fleers en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud, in raadkamer van 12 maart 1997.Nr. 29.479 Mr Moltmaker Derde Kamer B Conclusie inzake:
Kapitaalsbelasting X N.V. tegen:
Parket, 8 februari 1995 De Staatssecretaris van Financiën Edelhoogachtbaar College, I. . Feiten en geschil A. . Voor de feiten verwijs ik naar hetgeen in de uitspraak van het hof in rov. 3.1 tot en met 3.9 is overwogen.
B. . Het geschil betreft de vraag of aan belanghebbende terecht over het kalenderjaar 1990 een naheffingsaanslag kapitaalsbelasting ten bedrage van ƒ 1.800.000 is opgelegd.
C. . Het hof heeft in rov. 6.1 deze vraag bevestigend beantwoord, verwijzend naar de door de inspecteur aangevoerde gronden zoals weergegeven in de rov. 4.3.1 tot en met 4.3.9 van de uitspraak.
D. . Naar het oordeel van het hof is geen sprake van strijd met enige bepaling van Europees recht (rov. 6.2).
E. . Op grond van uitlatingen van partijen ter zitting neemt het hof aan dat de resolutie van 21 mei 1985 nr. 285-4356, V-N 1985, blz. 1659, PW 19307, van toepassing is op grond waarvan de naheffingsaanslag kan worden verminderd tot ƒ 1.747.897,--.
F. . De uitspraak van het hof is vermeld in V-N 1993, blz. 1918, Infobulletin 93/554 en de Vakstudie Wet belastingen van rechtsverkeer (WBR), art. 32, aant. 4.
G. . Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het hof beroep in cassatie ingesteld onder aanvoering van vier cassatiemiddelen.
Cassatiemiddel I betoogt, dat in het onderhavige geval de heffing van kapitaalsbelasting in strijd is met art. 4 van de op 17 juli 1969 door de Raad van ministers van de Europese Gemeenschappen vastgestelde Richtlijn nr. 69/335/EEG (PB EG nr. L 249 van 3 oktober 1969) betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal (hierna: de Richtlijn), althans, dat Uw Raad over de uitleg van art. 4 prejudiciële vragen zal stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Volgens de cassatiemiddelen II, III en IV vallen ingekochte eigen aandelen van een beleggingsmaatschappij met een veranderlijk kapitaal in beginsel steeds onder de uitzonderingsgevallen als bedoeld in HR 4 november 1981, BNB 1981/335* m.nt. J. P. Scheltens, PW 18919. Dit houdt verband met de wezenskenmerken van een dergelijke beleggingsmaatschappij (middel II), met het feit, dat de aandelen ter beurze genoteerd zijn en dus voor dadelijke wederverkoop vatbaar (middel III) en dat in het bijzonder niet de eis mag worden gesteld, dat de marktpositie zodanig is, dat de enkele verkoop van de eigen aandelen niet tot een belangrijke koersdaling aanleiding kan geven (middel IV).
H. . De Staatssecretaris heeft een vertoogschrift in cassatie ingediend, waarna belanghebbende ter zitting van Uw Raad van 6 oktober 1993 de cassatiemiddelen nog nader schriftelijk heeft doen toelichten.
II. . Beschouwingen, algemeen A. . In het voormelde arrest BNB 1981/335* overwoog Uw Raad: "dat indien een naamloze of een besloten vennootschap haar eigen aandelen inkoopt, door deze transactie, ook al is zij reëel en al strekt zij niet met het oog op een voorgenomen kapitaalvermindering tot intrekking van de desbetreffende aandelen, in het algemeen het vermogen van de vennootschap met het als koopprijs van die aandelen betaalde bedrag wordt verminderd; dat dit meebrengt dat, zoals het Hof met juistheid heeft overwogen, afgezien van uitzonderingsgevallen "wederverkoop" van tevoren ingekochte eigen aandelen moet worden aangemerkt als bijeenbrengen van kapitaal in de zin van artikel 32, lid 1, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer;"
B. . Voor uitvoerige beschouwingen over de voorgeschiedenis en de achtergronden van dit arrest verwijs ik naar de conclusie van mijn ambtgenoot Mok voor het arrest, waarin hij o.m. bespreekt de voor de inkomstenbelasting gewezen arresten van 14 november 1956, BNB 1957/20* en 9 april 1958, BNB 1958/174*, beide m.nt. A. J. van Soest. Uw Raad noemde daar als uitzonderingsgevallen (BNB 1957/20): "... gevallen als die, waarin een naamloze vennootschap, wier aandelen ter beurze zijn genoteerd en dus voor dadelijken wederverkoop vatbaar zijn, eigen aandelen als voorbijgaande belegging verwerft ..." of in de formulering van BNB 1958/174: "... zoals dat, waarin aan die aandelen, omdat zij ter beurze genoteerd en dus voor dadelijken wederverkoop vatbaar zijn, het karakter van een tijdelijke belegging kan worden toegekend ..."
C. . In punt 2, slot, van zijn noot onder het arrest BNB 1981/335* betoogt Scheltens met betrekking tot BNB 1957/20*: "De eerste twee overwegingen kunnen duiden op een alleen voor het fiscale recht en dan in het bijzonder voor de inkomsten- en de vennootschapsbelasting geldend standpunt. In de vooral bij de genoemde belastingen geldende meer economische benaderingswijze kan men zeggen dat de door de Hoge Raad uitdrukkelijk genoemde economische gelijkheid in resultaat ertoe moet leiden de inkoop geheel gelijk te stellen met een "echte" kapitaalvermindering. Een gelijke toepasbaarheid van de redenering is echter voor het civiele recht m.i. allerminst uitgesloten. Dit laatste in het bijzonder niet als men ziet dat de Hoge Raad in de derde overweging eenvoudig constateert dat het vermogen is gedaald. Dit is een feitelijke constatering, die bezwaarlijk slechts voor één bepaald rechtsgebied kan gelden. Ik meen dan ook dat het arrest ook civielrechtelijke gelding bezit."
In punt 3 aanhef van zijn noot vervolgt hij dan: "Wordt dit nu ook bevestigd door het thans gewezen arrest? Ik vestig er de aandacht op dat de Hoge Raad thans niet meer de drie vroegere overwegingen gebruikt maar de eerste en de derde in één overweging samen trekt: door inkoop, ook al is deze reëel en strekt zij niet met het oog op kapitaalvermindering tot intrekking, wordt (in het algemeen) het vermogen met het bedrag van de koopprijs verminderd. Hier wordt niet meer gesproken over economisch verschil met verkoop aan een derde en over economische gelijkheid met nog ongeplaatste aandelen. Er is vermogen verdwenen en daarmede is de zaak beslist. Daarmede is m.i. nog duidelijker dan in 1956 gezegd dat dit alles ook civielrechtelijk geldt. ....."
D. . In het licht van het vorenstaande zal ik hierna achtereenvolgens onderzoeken: a. of ingekochte eigen aandelen van een beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal reeds civielrechtelijk (en dan ook zonder twijfel fiscaalrechtelijk) als ingetrokken moeten worden beschouwd en zo nee, b. of ingekochte eigen aandelen van een beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal fiscaalrechtelijk, althans voor de heffing van de kapitaalsbelasting, als ingetrokken moeten worden beschouwd en zo ja, c. of de heffing van kapitaalsbelasting bij "wederverkoop" van zodanige aandelen al dan niet in strijd is met de Richtlijn.
III. . Civielrechtelijk A. . De bepalingen van Boek 2 BW Art. 76a, eerste lid 1. Onder beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal wordt verstaan een naamloze vennootschap, a. die uitsluitend ten doel heeft haar vermogen zodanig te beleggen dat de risico's daarvan worden gespreid, ten einde haar aandeelhouders in de opbrengst te doen delen, b. waarvan het bestuur krachtens de statuten bevoegd is aandelen in haar kapitaal uit te geven, te verwerven en te vervreemden, c. waarvan de aandelen, met uitzondering van aandelen waaraan de statuten een bijzonder recht inzake de zeggenschap in de vennootschap verbinden, worden opgenomen in de prijscourant van een beurs, en d. waarvan de statuten bepalen dat de vennootschap beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal is.
Art. 96b De artikelen 96 (emissiebevoegdheid, M.) en 96a (voorkeursrecht bij emissie, M.) gelden niet voor een beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal.
Art. 98 lid 8 De leden 2-4 (beperkingen voor het verkrijgen van eigen aandelen, M.) gelden niet voor een beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal. Het geplaatste kapitaal van zulk een beleggingsmaatschappij, verminderd met het bedrag van de aandelen die zij zelf houdt, moet ten minste een tiende van het maatschappelijk kapitaal bedragen.
Art. 100, lid 7 Dit artikel (publikatie, zekerheidsstelling, verzet van crediteuren, M.) is niet van toepassing, indien een beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal wettig verkregen eigen aandelen intrekt.
Art. 373, lid 3 Het kapitaal wordt niet verminderd met het bedrag van eigen aandelen of certificaten daarvan die de rechtspersoon of een dochtermaatschappij houdt.
Art. 378, leden 1 en 2 1. Het verloop van het eigen vermogen gedurende het boekjaar wordt weergegeven in een overzicht. Enz.
Art. 385 lid 5 Eigen aandelen of certificaten daarvan die de rechtspersoon houdt of doet houden, mogen niet worden geactiveerd. .....
B. . Wetsgeschiedenis 1. . De in punt 3.1 vermelde bepalingen van Boek 2 BW geven m.i. geen steun aan de opvatting, dat in het algemeen ingekochte eigen aandelen civielrechtelijk op het moment van de inkoop zijn geamortiseerd. Uit een bepaling als art. 2:373, lid 3, BW blijkt het tegendeel.
Voor een toelichting op deze bepaling verwijs ik naar de conclusie van Mok voor het arrest BNB 1981/335*. In de MvT Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 16 326, nr. 3, blz. 12 werd o.m. opgemerkt: "Ook beleggingsmaatschappijen die dikwijls op grote schaal eigen aandelen inkopen met het doel deze bij vraag daarnaar weer te verkopen, plegen de laatstgenoemde handelswijze (activering, M.) niet te volgen.
Bij de Tweede Nota van wijziging (stuk nr. 14) werd evenwel gekozen voor het huidige systeem van de art. 2:373, lid 3, 2:378, lid 2 en 2:385, lid 1, BW. In de Nota naar aanleiding van het Eindverslag (stuk nr. 13) blz. 7/8 werd dit als volgt toegelicht: "Het derde lid (van art. 373, M.) eist niet meer dat het bedrag van gehouden eigen aandelen in mindering wordt gebracht. In de plaats van een zichtbare vermindering op de balans treedt een opgave over de eigen aandelen in de toelichting. Artikel 378, lid 2, wordt met dit voorschrift aangevuld. Tegen het wetsontwerp was het bezwaar gerezen dat vennootschappen waarvan het gestorte kapitaal van jaar op jaar gelijk bleef, elk jaar een ander bedrag zouden moeten opgeven, afhankelijk van de toevalligheid of zij enkele eigen aandelen, bij voorbeeld ter aanbieding aan werknemers, in portefeuille houden. Het kapitaalbedrag op de balans zou immers worden het gestorte kapitaal, verminderd met het nominale bedrag van deze eigen aandelen. Dit hield bovendien het bezwaar in, dat de gedachte zou kunnen post vatten dat, in strijd met de artikelen 105 en 216, het niet-uitkeerbare vermogen zou afnemen."
Een aantal beleggingsmaatschappijen maakt gebruik van deze mogelijkheid. Wanneer haar aandelen worden aangeboden, kopen zij die bij gebrek aan andere kopers in tegen een koers die berekend is aan de hand van de dagwaarde van haar beleggingen. Omgekeerd geven zij nieuwe aandelen uit indien daarnaar vraag is zonder voldoende aanbod."
IV. . Fiscaalrechtelijk A. . Algemeen 1. . Voor een uitvoerige uiteenzetting over de geschiedenis, de jurisprudentie en literatuur, zowel op het gebied van de inkomstenbelasting als dat van de kapitaalsbelasting, verwijs ik opnieuw naar de conclusie van mijn ambtgenoot Mok BNB 1981/ 335*. Hij citeert daar de MvA Tweede Kamer 1969-1970-10 560, nr. 7, blz. 17, waar met betrekking tot de vraag of heffing van kapitaalsbelasting van een beleggingsfonds geen vorm van dubbele belasting is, wordt gezegd: "Het maken van onderscheid tussen enerzijds de in beginsel eeuwigdurendheid van een participatie via een aandeel in een naamloze vennootschap en anderzijds de in beginsel beperkte duur van een deelneming in een beleggingspool of besloten beleggingsfonds, waarbij door royement voortdurend stukken worden ingetrokken en nieuwe worden gecre-ëerd is op dit gebied toch wel moeilijk. .... Overigens zal het doorgaans in de macht van het fonds zelf liggen een andere constructie te kiezen. Wanneer namelijk het fonds geen systeem van royement toepast, maar in voorkomende gevallen zijn eigen participaties inkoopt en deze - zonder amortisatie - als belegging in portefeuille houdt om ze te gelegener tijd weer te verkopen, kan niet van een nieuwe uitgifte worden gesproken."
B. . Het wezen van een beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal 1. . Het tweede cassatiemiddel verwijst naar art. 2:76a, eerste lid, onder b, BW, waar het bestuur bevoegd wordt verklaard aandelen in het kapitaal uit te geven, te verwerven en te vervreemden. Uit deze omschrijving, in het middel aangeduid als een wezenskenmerk van een beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal, zou volgens het middel blijken dat de plaats welke ingekochte aandelen in een zodanige beleggingsmaatschappij innemen wezenlijk verschilt van de plaats die ingekochte aandelen in het vermogen van een willekeurige andere N.V. of B.V. innemen. Het middel verwijst daarbij naar het in punt 4.1.1 hiervóór opgenomen citaat. In de nadere schriftelijke toelichting van de middelen wordt dienaangaande nog gesteld: "De wetgever heeft het economische en sociale nut van deze beleggingsfondsen uitdrukkelijk erkend, en voor hen een ruime mogelijkheid tot inkoop van eigen aandelen voorbehouden. Het zou inconsequent en merkwaardig zijn dat de door de wetgever in 1981 gewilde royale inkoopmogelijkheid nu beperkt zou worden door fiscale barrières, bestaande uit dividend- en inkomstenbelasting alsmede kapitaalsbelasting."
C. . De uitzonderingsgevallen van BNB 1957/20* en BNB 1981/335* 1. . Algemeen
In cassatiemiddel III wordt het standpunt verdedigd, dat het vatbaar zijn voor dadelijke wederverkoop geen afzonderlijk vereiste is, maar rechtstreeks voortvloeit uit het ter beurze genoteerd zijn van de aandelen. In die zin ook Van Arendonk a.w. blz. 192.
In ieder geval lijkt mij niet de situatie aanwezig van het Cobra-arrest (HR 17 januari 1962, BNB 1962/60* m.nt. A. J. van Soest), t.w. dat de beleggingsmaatschappij met betrekking tot het totaal van de ingekochte aandelen gedurende de gehele periode van haar bezit de overtuiging heeft bezeten, dat het redelijkerwijs zeker was, dat de wederverkoop/herplaatsing zou slagen (zonder dat dit tot enig vermogensverlies voor haar zou leiden).
Dat er - zoals blijkt uit de grafiek in rov. 3.3 van de uitspraak van het hof - een dalende tendens is in de in totaal uitstaande aandelen, daargelaten op welk moment die tendens van structurele aard zou kunnen worden genoemd, betekent nog niet, dat voor ieder ingekocht aandeel afzonderlijk kan worden gezegd, dat het niet voor dadelijke wederverkoop vatbaar is, nu er in feite in 1990 grote aantallen aandelen zijn verkocht, kennelijk afhankelijk van de situatie ter beurze op bepaalde momenten in 1990 waarop die verkoop mogelijk was.
Dit laat onverlet, dat Uw Raad in een voorkomend geval waarin aandelen langer dan (bijv.) drie jaren in het bezit van een beleggingsmaatschappij zijn gebleven, mede op grond van die omstandigheid zou kunnen oordelen, dat een uitzonderingsgeval als bedoeld in BNB 1957/20* en BNB 1981/335* zich niet voordoet.
D. . De Richtlijn 1. . Uitsluitend indien Uw Raad van oordeel zou zijn, dat voor de toepassing van de WBR de verkoop van de ingekochte eigen aandelen als het bijeenbrengen van kapitaal zou moeten worden beschouwd, rijst de vraag of de heffing van kapitaalsbelasting niet in strijd is met art. 4 van de Richtlijn.
Doorslaggevend is dit argument niet, omdat het m.i. zeer wel denkbaar is dat het begrip kapitaal in twee richtlijnen op verschillend gebied, gelet op doel en strekking van die richtlijnen, in elk van die richtlijnen een verschillende betekenis heeft.
V. . Conclusie Cassatiemiddel III gegrond bevindend, concludeer ik tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot vernietiging van de naheffingsaanslag.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden