gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 maart 1996 betreffende de hem voor het jaar 1989 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
(1989)op de goodwill afgeschreven bedrag, ter grootte van ƒ 337.500,--, zijnde 22,5% van de historische kostprijs, heeft de Inspecteur slechts een bedrag van ƒ 150.000,-- geaccepteerd. 3.
- Het Hof heeft de door belanghebbende bepleite wijziging in de afschrijvingstermijn van de door hem gekochte goodwill als willekeurig en in strijd met goed koopmansgebruik verworpen. Aan dit oordeel heeft het Hof met name ten grondslag gelegd dat niet is gesteld of gebleken dat de keuze van belanghebbende voor een afschrijving van de goodwill in tien jaren niet in overeenstemming met goed koopmansgebruik was noch dat de in 's Hofs uitspraak in punt 4.4 genoemde ontwikkelingen in de gezondheidszorg tot een wijziging van het afschrijvingsstelsel voor de jaren na 1988 noopten. 3.
- In dit oordeel ligt besloten dat het tijdvak gedurende hetwelk de overgenomen goodwill voor de onderneming zijn nut zou afwerpen, ook in 1989 naar verwachting niet korter was dan tien jaren. Dit oordeel kan wegens zijn feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk. Het middel, dat zich tegen dit oordeel richt, faalt derhalve.
- Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
- Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is op 11 juni 1997 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde en Bellaart, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.