gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 27 december 1995 betreffende de hem voor het jaar 1992 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
(5)dat (...) de beide in (...) artikel [20 Besluit op de Inkomstenbelasting 1941] met betrekking tot de belasting van overdrachtswinst vervatte belastingverlichtingen - te weten de toepassing van het in art. 48 bedoelde tarief en de vrijgestelde som - berusten op de veronderstelling dat in het jaar van de overdracht de overdrachtswinst ineens wordt gerealiseerd, en strekken tot matiging van de belasting voor het jaar waarin dientengevolge het bedrijfs- of beroepsinkomen tot een ongewoon hoog bedrag pleegt te stijgen (...)" B. . Naar bij de voorbereiding van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 werd betoogd (Memorie van antwoord, Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1962-1963, nr. 19, blz. 31, rechterkolom, 2e al.), "(...) heeft de vrijstelling van f7500 vooral betekenis voor de gevallen waarin een kleine onderneming wordt gestaakt. In deze gevallen rechtvaardigt de wens geschillen over kleinigheden te voorkomen een - beperkte - inbreuk op het winstbegrip. De franchise mag niet worden gezien als een honorering voor het uitoefenen van een bedrijf gedurende een zeker aantal jaren, doch is verleend ter wille van de eenvoud en mede omdat in de bij staking behaalde winst een kapitaalselement schuil gaat. (...) Het rekening houden met het aantal jaren waarin men de onderneming heeft opgebouwd past, zoals uit het vorenstaande blijkt, niet bij hetgeen met de onderhavige bepaling wordt beoogd (...)" (het betoog werd in andere woorden herhaald in de Memorie van antwoord, Eerste Kamer, 1964-1965, nr. 13a, blz. 9, rechterkolom, 2e al.). C. . HR 13 november 1968, nr. 16.010, BNB 1969/8, overwoog (blz. 27, regels 10-18), "dat het Hof, uitgaande van de feitelijke vaststelling, dat weliswaar belanghebbendes bedrijf gedeeltelijk van aard veranderde doordat het van gemengd landbouwbedrijf tot akkerbouwbedrijf werd doch de oppervlakte van de in totaal in zijn bedrijf in eigen gebruik zijnde grond en van de verpachte grond vrijwel gelijk bleef, en van het oordeel dat niet (...) de winstcapaciteit door de verandering van de aard van een deel van het bedrijf in ongunstige zin werd beïnvloed zodat van een duurzame inkrimping en zelfs van een inkrimping niet is gebleken, terecht heeft geoordeeld, dat de onderneming van belanghebbende (...) niet gedeeltelijk werd gestaakt (...)" D. . HR 18 januari 1984, nr. 22.127, met mijn conclusie, BNB 1984/169 met noot J. Verburg .
- . Ik betoogde: "(blz. 872) (...) G. (...) Ik meen (...) te rade te moeten gaan bij de strekking van het stakingsregime. (...) Daaronder valt niet winst die (...) wordt behaald bij de vervanging van (...) min of meer zelfstandige onderdelen van de onderneming door andere onderdelen met een soortgelijke functie; in die situatie is van vervanging en dus van voortzetting van de bedrijfsuitoefening sprake, en derhalve niet van staking. Onder de (...) strekking valt wel winst die ineens wordt gerealiseerd bij de overdracht of liquidatie van een onderdeel dat een min of meer zelfstandig bestanddeel van de onderneming vormde of had kunnen vormen, indien die winst ineens aan de onderneming wordt onttrokken: in die situatie komt het kapitaalselement van de gerealiseerde winst sterk naar voren. Daarmede moet, naar ik meen, op één lijn gesteld worden de situatie waarin de winst niet aan de onderneming wordt onttrokken, maar in de onderneming wordt belegd of ge-ïnvesteerd in vermogensbestanddelen met een functie die niet soortgelijk is aan die van het afgestoten onderdeel; ook in die situatie doet de discontinu-ïteit in het ondernemingsgebeuren het kapitaalselement aan het licht treden. H. (...) Naar mijn oordeel kan van gedeeltelijke staking sprake zijn indien de winstcapaciteit gelijk blijft of stijgt doordat de vrijgekomen middelen worden belegd of geïnvesteerd in vermo- (blz. 873) gensbestanddelen met een andersoortige functie dan het afgestoten onderdeel had, of doordat de uit het afgestoten - verliesgevende - onderdeel vrijgekomen gelden aan de onderneming worden onttrokken. (...)"
- . Uw Raad overwoog (blz. 878, regels 24-33), "dat het Hof heeft geoordeeld dat het filiaal te T., waarvan de exploitatie in 1975 definitief is beëindigd, als zodanig in de onderneming een zekere zelfstandigheid bezat, naar zijn aard een zelfstandig bedrijf kon vormen en (...) ook een administratieve eenheid binnen de onderneming was; dat het Hof vervolgens heeft geoordeeld dat onder die omstandigheden de sluiting van het filiaal de staking van een gedeelte van de onderneming vormde; dat laatstvermeld oordeel slechts juist is indien niet in onmiddellijke samenhang met de beëindiging van de exploitatie van het filiaal te T de vennootschap zodanige gelijksoortige activiteiten heeft geëntameerd dat de onderneming, economisch gezien, dezelfde is gebleven (...)", en verwees het geding.
- . Hof 's-Gravenhage overwoog na de verwijzing, (blz. 1212, van regel 48 af) (...) dat in een geval van overdracht of liquidatie van een gedeelte van een onderneming dat een zekere zelfstandigheid bezit of een zelfstandig bedrijf kan vormen niet de eis kan worden gesteld dat een duurzame inkrimping van de onderneming aanwezig is; dat (...) uit het voorgaande volgt dat het niet ter zake doet of de omzetten in de overgebleven filialen al dan niet zijn gestegen na de sluiting van het filiaal te T. behoudens indien (...) een omzetstijging, indien aanwezig, zou zijn veroorzaakt (blz. 1213, tot en met regel 6) doordat de vennootschap in onmiddellijke samenhang met de vorenbedoelde sluiting activiteiten heeft geëntameerd; dat daarbij valt te denken aan de mogelijkheid van het overbrengen van omzet van het gesloten filiaal naar een overgebleven filiaal, het vergroten van de verkoopruimte of uitbreiding van het assortiment met tevoren niet gevoerde artikelen in een overgebleven filiaal of het oprichten van een nieuw filiaal (...)" E. . HR 11 juli 1984, nr. 22.219, BNB 1984/311 met noot Verburg.
- . Uw Raad overwoog (onder 4.1, blz. 1682, regels 25-36): "(...) voor een bevestigend antwoord op de vraag, of sprake is van het "gedeeltelijk staken van een onderneming" (...) en de (...) "overdracht of liquidatie van een gedeelte van een onderneming" (...), kan in een geval van overdracht of liquidatie van een gedeelte van de onderneming dat een zekere zelfstandigheid bezit of een zelfstandig bedrijf kan vormen niet de eis worden gesteld dat een duurzame inkrimping van de onderneming aanwezig is. Hierbij verdient opmerking dat van een gedeeltelijk staken van een onderneming of van overdracht of liquidatie van een gedeelte van een onderneming (...) geen sprake is indien de ondernemer in directe samenhang met de overdracht of liquidatie zodanige gelijksoortige activiteiten heeft geëntameerd dat de onderneming, economisch gezien, dezelfde is gebleven."
- . Verburg annoteerde: "(blz. 1682, regels 55-56) Waarom zijn de stakingsfaciliteiten ook gegund aan de ondernemer die zijn onderneming gedeeltelijk staakt? (...) (blz. 1683, regels 5-8) (...) Het lag (...) voor de hand te veronderstellen dat de jurisprudentie in staat mocht worden geacht de vrijstelling ook uit te strekken tot gevallen waarin de staking in etappes plaatsvond. (...)" F. . HR 16 oktober 1985, nr. 23.025, BNB 1985/320, overwoog (onder 4, blz. 1764, van regel 44 af): "Van een gedeeltelijk staken van een onderneming en van liquidatie van een gedeelte van een onderneming kan worden gesproken indien een gedeelte, dat in de onderneming een zekere zelfstandigheid heeft, en tevens indien een gedeelte van een onderneming, dat naar zijn aard een zelfstandige onderneming kan vormen, wordt gestaakt, ook indien de onderneming als geheel bezien niet wordt ingekrompen. Wel is vereist dat niet in onmiddellijke samenhang met die staking zodanig gelijksoortige activiteiten zijn geëntameerd dat de onderneming, economisch gezien, dezelfde is gebleven. (...) Van een gedeeltelijk staken van een onderneming en van liquidatie van een gedeelte van een onderneming kan buiten de hierbovenbedoelde gevallen worden gesproken in het geval dat de onderneming binnen een kort tijdsverloop in belangrijke mate en duurzaam is ingekrompen. (...)" G. . HR 17 januari 1990, nr. 26.221, met conclusie van de advocaat-generaal Moltmaker, BNB 1990/92 met noot G. Laijendecker, overwoog voor de heffing van kapitaalsbelasting (onder 4.3, blz.
- regels 22-29): "Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat de inbrenger met de in belanghebbende ingebrachte vermogensbestanddelen een groothandel kon uitoefenen en dat haar rechtsvoorgangster dit ook daadwerkelijk deed. Dit oordeel, waarin ligt besloten dat de in belanghebbende ingebrachte vermogensbestanddelen een zelfstandige onderneming kunnen vormen, brengt mee dat belanghebbende terecht aanspraak maakt op de onderhavige tarieffaciliteit. Aan deze gevolgtrekking staat niet in de weg dat de eigendom van het pand waarin de groothandel wordt uitgeoefend bij de inbrenger is achtergebleven en het pand aan belanghebbende wordt verhuurd." VII. . Middel I en de beoordeling ervan. A. . Middel I houdt twee klachten in. Ik onderscheid ze met kleine letters en geef ze in mijn formulering weer: a. ten onrechte wijst het Hof gedeeltelijke staking af op grond dat voor het gedeelte essentiële onroerende zaken de onderneming niet verlaten hebben; b. er heeft duurzame inkrimping plaatsgevonden. B. . Met betrekking tot klacht a stel ik voorop dat, indien er ten tijde van de melkveehouderij sprake was van een "gedeelte" van de, mede de varkenshouderij omvattende, onderneming in die zin dat de melkveehouderij een zekere zelfstandigheid bezat of een zelfstandig bedrijf kon vormen, de beëindiging van de melkveehouderij het gedeeltelijk staken van de onderneming vormt. C. . Wordt in die situatie de melkveehouderij niet als zodanig door derden voortgezet, dan is niet van overdracht, maar van liquidatie sprake. D. . Liquidatie betekent dat met betrekking tot de desbetreffende bestanddelen van het ondernemingsvermogen beslissingen omtrent hun bestemming genomen en ten uitvoer gelegd worden. E. . De belanghebbende stelt nu dat de melkveehouderij geliquideerd is door eerst, in 1991, de koeien en vervolgens, in 1992, het melkquotum te verkopen, door de onroerende zaken voortaan uitsluitend voor de varkenshouderij (en eventueel akkerbouw) te bezigen en door de overige activa, als waardeloos, aan hun lot over te laten. F. . Het lijkt mij een schoolvoorbeeld van een reguliere liquidatie. G. . In het bezwaar van het Hof zou men enerzijds kunnen lezen dat wellicht de (mogelijke en waarschijnlijke) omstandigheid dat de onroerende zaken voorheen tegelijkertijd en ongescheiden voor de varkenshouderij en de melkveehouderij gebezigd werden, zou verhinderen dat de melkveehouderij de vereiste zelfstandigheid had, maar ik kan niet zien dat het Hof zo iets vastgesteld heeft. H. . Anderzijds zou men kunnen vermoeden dat het Hof bedoeld heeft dat de belanghebbende in samenhang met de liquidatie van de melkveehouderij zodanige gelijksoortige activiteiten heeft geëntameerd dat de onderneming, economisch gezien, dezelfde is gebleven. Dienaangaande meen ik evenwel dat binnen een "landbouwbedrijf" melkveehouderij enerzijds niet soortgelijk is aan varkenshouderij en/of akkerbouw. I. . Ik kom tot het resultaat dat 's Hofs motivering zijn gevolgtrekking niet kan dragen. . Derhalve slaagt middelonderdeel I, a, zodat de bestreden uitspraak vernietigd moeten worden. J. . Daarmee zou nog onbeslist blijven hetgeen de Inspecteur aangevoerd heeft omtrent de tijdelijkheid van de melkveehouderij in 1990 en 1991, weshalve de belanghebbende niet de intentie gehad zou hebben structureel een melkveehouderij te drijven. K. . De omstandigheid dat een gedeelte slechts twee jaren bestaan heeft en dat dit wellicht ook niet anders bedoeld zou zijn, brengt echter niet mee dat het vervolgens niet gestaakt zou zijn. L. . Dan blijft nog over dat de belanghebbende "zelfs de melktank en -emmer" heeft behouden. Daartegenover heeft de belanghebbende "de vraag" gesteld of deze zaken nog waarde hadden. M. . Naar het mij voorkomt, heeft de Inspecteur met het woord "zelfs" aangegeven dit aspect als ten overvloede aangevoerd te zien. Daaruit vloeit voort dat het in dit stadium buiten beschouwing gelaten kan worden. N. . Ik meen daarom dat Uw Raad de zaak ten principale kan beslissen in de door de belanghebbende primair bepleite zin. VIII. . Middelonderdeel I, b, mist, naar ik meen, feitelijke grondslag: alles wijst erop dat de liquidatie van de melkveehouderij in de onderneming opgevangen is door een dienovereenkomstig uitgebreide activiteit in de andere sector(en). . Middel II en de beoordeling ervan. A. . Middel II houdt in dat sprake is van staking in 1984 en dat de verkoop van het melkquotum in 1992 een uitvloeisel daarvan is. B. . Dit middel dat klaarblijkelijk subsidiair is ten opzichte van middel I komt in mijn visie niet aan de orde. C. . Ik begrijp 's Hofs beslissing aldus dat de melkveehouderij vóór 1990 niet meer bestond, dat, hoezeer de verkrijging van het melkquotum een zekere samenhang vertoonde met de voorgeschiedenis, de hervatting van de melkveehouderij in 1990 op zichzelf stond en dat dus de verkoop van het melkquotum in 1992 niet voortvloeide uit een oudere staking. D. . Deze zienswijze dunkt mij van feitelijke aard en geenszins onbegrijpelijk. E. . Middel II faalt. IX. . De ontwikkeling van de rechtsstrijd, wat betreft de kwalificatie als ondernemingsgebeuren. De hiervóór onder 4.5 reeds genoemde notities hielden in: "(blz. 2) (...) Uitgaande van definitieve staking van het melkveebedrijf in 1983 dient bij de hernieuwde aanvang van de melkveehouderij wederom te worden beoordeeld of (blz. 3) deze activiteiten moeten worden aangemerkt als het uitoefenen van een onderneming danwel of hier sprake is van andere inkomsten uit arbeid. Aangezien volgens de inspecteur (...)
- een melkquotum (...) in 1983 (...) niet aanwezig was en op dat moment evenmin aanspraak op een dergelijk quotum bestaat (...);
- de toekenning van het (...) quotum geheel losstaat van de voorheen ge-ëxploiteerde melkvee-onderneming (...);
- de intentie ontbreekt om structureel een melkvee-onderneming te drijven (...), betekent dit dat van winst uit onderneming (...) geen sprake kan zijn aangezien de daarvoor vereiste duurzaamheid ontbreekt en ook geen band bestaat met de in het verleden geëxploiteerde onderneming. Het melkquotum is dan aan belanghebbende in privé toegekend (...) zodat de opbrengst bij vervreemding onbelast dient te blijven. (...)" X. . De bestreden uitspraak, wat betreft de kwalificatie als ondernemingsgebeuren. Het Hof heeft overwogen (onder 4.3, blz. 4): "Belanghebbende heeft de melkproduktie hervat onder aanwending van hem toebehorende bedrijfsmiddelen als grond en gebouwen. Het stond hem daarom niet vrij het hem met het oog op die produktie toegekende quotum tot zijn privé-vermogen te rekenen." XI. . Middel III en de beoordeling ervan. A. . Middel III houdt staande dat de transacties met betrekking tot het melkquotum aan de privé sfeer toegerekend moeten worden. B. . Naar het mij voorkomt, heeft het Hof in dit opzicht op overtuigende gronden een juiste beslissing genomen. C. . Middel III faalt. XII. . Proceskosten. De beslissing ten aanzien van de proceskosten staat en valt met de beslissing ten aanzien van het materiële recht. XIII. . Conclusie. Middel I ten dele gegrond bevindende, concludeer ik tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de uitspraak van de Inspecteur, tot vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 40.549,- met inachtneming van een belastingvrije som van ƒ 10.450,-, en tot veroordeling van de Staatssecretaris in de kosten van het geding zowel in eerste instantie als in cassatie. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,