gewezen op het beroep in cassatie van het Dagelijks Bestuur van het Waterschap Noord-Veluwe tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 26 januari 1995 betreffende de aan X te Z opgelegde aanslag in de waterschapslasten voor het jaar
(1994)heeft de Unie van Waterschappen aan de hiervoor in de noten 46 en 47 vermelde jurisprudentie, alsmede de jurisprudentie omtrent andere vage kwantitatieve normen in het belastingrecht, de opvatting ontleend dat "onevenredig voor- of nadeel" in ieder geval bestaat en mitsdien classificatie verplicht is, indien het kostenbedrag naar rato van het belang meer dan 50% afwijkt van het gemiddelde kostenniveau. In geval van een afwijking van minder dan 25% is het voor- of nadeel niet onevenredig en der-halve voor classificatie geen plaats, terwijl binnen de resterende marge van 25% a 50% het waterschapsbestuur de vrijheid heeft al dan niet een classificatie in te stellen . Het belang uit hoofde van hoedanigheid of ligging wordt afgemeten aan het bijbehorende voorzieningenniveau , dat op zijn beurt, voor zover het de waterbeheersing betreft, wordt bepaald door de waterafvoerfactoren, alsmede eventuele bijzondere voorzieningen als bemaling en riolering . IV. De rechtsgeldigheid van de aanslag A. Hoewel rov. 7.1 van de uitspraak niet in cassatie wordt bestreden, lijkt mij een enkele ambtshalve daarover te maken opmerking op zijn plaats. B. Het oordeel van het hof in de eerste volzin van rov. 7.1 lijkt mij in zijn algemeenheid niet juist. Voor de wettelijke bepalingen verwijs ik naar het gestelde in punt 3.
- hiervóór. Het feit dat thans beroep op de belastingrechter mogelijk is (zie punt 3.7) doet niet af aan het feit dat de heffing naar een bepaalde klasse moet voldoen aan de eisen die de wet voor de totstandkoming van een classificatiebesluit stelt. C. Het gestelde in punt 4.2 leidt echter niet tot cassatie ambtshalve, aangezien in het onderhavige geval aan de bedoelde wettelijke eisen is voldaan. De wijziging van de classificatie is door het Gecombineerd College van het waterschap op 26 mei 1987 vastgesteld en op 22 september 1987 door GS goedgekeurd. Vervolgens is de uit de nieuwe verordening voortvloeiende indeling aangegeven op een kaart met toelichting, die van 2 oktober tot 2 november 1987 ter inzage heeft gelegen. Volgens deze kaart is de indeling van het gebied waarin het perceel ligt 'ongewijzigd' gebleven, waarmee kennelijk is bedoeld dat ter plaatse klasse III werd tot klasse
- Door de uitbreiding van het aantal klassen met één en de wijziging van de verhoudingscijfers werd dit gebied uiteraard in feite opnieuw ingedeeld, tezamen met de rest van het waterschapsgebied. D. Tot slot heeft het Gecombineerd College de bezwaren tegen de gewijzigde klasse-indeling afgewezen en deze indeling overeenkomstig de kaart vastgesteld bij besluit van 23 november 1987, ingaande 1 januari
- Ingevolge art. 103, lid 2, van het Gelders waterschapsreglement behoefde dit besluit geen goedkeuring van GS, maar stond indertijd binnen dertig dagen na bekendmaking wel beroep open op GS en vervolgens ex art. 19, aanhef en onder VIII, letter a, Waterstaatswet 1900 op de Kroon. In ieder geval sedert de bekendmaking kon het waterschap omslagen opleggen op basis van de nieuwe indeling. De inwerkingtreding van de Waterschapswet per 1 januari 1992 heeft daar geen verandering in gebracht (zie art. 169 Wsw). V. Beoordeling van het cassatiemiddel A. Onderdeel 1 1.Behalve hetgeen het hof reeds in rov. 7.4 heeft vermeld, bevat de toelichting behorende bij de wijziging in 1987 van de artikelen 10, 11, 12 en 15 van de verordening nog (o.m.) de volgende passages: "Ten opzichte van de bestaande klassificatie wordt in de nieuwe klassificatie naast de factoren "waterinlaat", "grondwaterpeil", "hoogteligging" en "afvoercoëfficiënt" ook rekening gehouden met "kunstmatige lozing", "direkte of indirekte vrije lozing" en "geoptimaliseerde ontwatering". (Ad art. 10, lid 2, waterbeheersing) "Het verschil tussen [de klassen] 3 en 4 wordt veroorzaakt, doordat er in klasse 3 sprake is van een hogere afvoercoëfficiënt van het water dan in klasse
- Voor klasse 3 bedraagt de afvoer globaal ca 1,3 à 1,5 liter/ha/sec. en voor klasse 4 0,6 à 0,7 liter/ha/sec. Globaal zit hier een factor 2 in, vandaar de verhoudingscijfers 50 :
- De afvoer voor klasse 3 is dus globaal tweemaal zo groot." (Ad art. 11, lid 2, bemaling) "Het verschil in belang tussen klasse A en klasse B wordt veroorzaakt: - doordat er in klasse A sprake is van een hoger afvoercoëfficiënt van het water dan in klasse B. Voor klasse A bedraagt de afvoercoëfficiënt 1,3 à 1,5 liter/ha/sec. en voor klasse B 0,6 à 0,7 liter/ha/sec. Globaal zit hier een factor 2 in, vandaar de verhoudingscijfers 100 :
- - enz. Het verschil in belang tussen klasse A en C verhoudt zich globaal als 100 :
- Voor klasse C, waar de waterafvoer uitsluitend bij veel neerslag of bij gestremde vrije lozing via een gemaal moet plaatsvinden, is er vanuit gegaan dat de gemiddelde afvoer via het desbetreffende gemaal ca 0,3 à 0,4 liter/ha/sec. is.
- In de ter zitting van het hof d.d. 8 maart 1994 door het waterschap overgelegde "Verduidelijking", bedoeld in rov. 7.6 van de uitspraak van het hof, stelde het waterschap: "Ook is meer rekening gehouden met het feit of de afwate-ring via een dicht net van hoofdwatergangen (A-watergangen) plaatsvindt of via een minder dicht net van hoofd-watergangen. (...) Het perceel van X watert af via een dicht net van A-watergangen en daarom is de indeling van haar perceel niet gewijzigd."
- Het waterschap heeft zijn standpunt in cassatie nog nader als volgt toegelicht: Indertijd is de dichtheid van het net van hoofdwatergangen in klasse 1 gebieden, waar klasse 3 gebieden rechtstreeks of via klasse 2 gebieden op afwateren, bepalend voor de indeling in die klasse is geweest. Klasse 4 gebieden wateren daarentegen via klasse 3 gebieden af, of hebben een heel lage grondwaterstand en/of een heel lage afvoercoëfficiënt. Daarvan is volgens het waterschap in casu geen sprake, terwijl bovendien in de "uitzonderingsgebiedjes" van klasse 3 met geen of weinig watergangen, waartoe het perceel zou behoren, lagere grondwatertrappen en afvoerco-ëfficiënten kunnen voorkomen.
- Op zichzelf verklaart de in punt 5.1.2 geciteerde passage nog wel, dat het perceel van belanghebbende belang heeft bij de activiteiten van het waterschap, maar ik acht het niet onbegrijpelijk, dat het hof daarin niet heeft kunnen lezen waarom het perceel van belanghebbende in klasse 3 werd ingedeeld (hetgeen een relatieve verslechtering voor belanghebbende betekende, vergeleken met de vorige indeling in klasse III), in plaats van in klasse
- Voor zover de in cassatie door het waterschap gegeven nadere toelichting - samengevat in punt 5.1.3 - nieuwe feiten vermeldt, kunnen deze niet met succes voor het eerst in cassatie worden aangevoerd.
- Ik merk hierbij nog op, dat hetgeen het waterschap ter verdediging van deze classificatie aanvoert op geen enkele wijze uit de toelichting op de wijzigingsverordening blijkt. Integendeel, uit de door het hof in rov. 7.4 en de door mij in punt 5.1.1 geciteerde passages zou kunnen worden afgeleid, dat uitsluitend de waterafvoercoëfficiënt bepalend is voor de classificatie, althans voor wat betreft de indeling in de klassen 3 en 4, resp. A en B. B. Onderdeel 2
- Dit onderdeel richt zich tegen de laatste volzin van rov. 7.5 van de uitspraak. In rov. 5.15 had het hof overwogen, dat uit de zevenkleurige, op 23 november 1987 vastgestelde kaart blijkt, dat de indeling in omslagklassen ongewijzigd is gebleven. Dit is in zoverre juist, dat belanghebbendes perceel was ingedeeld in klasse III resp. B en werd ingedeeld in klasse 3 resp. B. Afgezien van het verschil in de cijfermatige klasseaanduiding (III en 3), was formeel de klasseindeling dus ongewijzigd gebleven. Materieel kwam er echter wel een wijziging, doordat het aantal klassen werd vergroot en de onderlinge verhoudingen tussen de klassen werden veranderd (zie ook punt 4.3). Ik neem aan dat het hof deze materiële wijziging op het oog had met de woorden "de nieuw gevormde klasse 3" in de tweede volzin van rov. 7.
- De laatste volzin van rov. 7.5 is met het vorenstaande niet in strijd, omdat het hof in die volzin kennelijk de consequenties van de wijziging van 1987 in het algemeen op het oog heeft gehad en niet de specifieke situatie met betrekking tot belanghebbendes perceel.
- Wat het hof in deze laatste volzin van rov. 7.5 heeft bedoeld, is mij overigens niet geheel duidelijk. Ik veronderstel, dat het hof heeft willen zeggen, dat de kaart geen enkel inzicht verschaft in de redenen waarom sommige van de percelen van de vroegere klasse III zijn ingedeeld in de nieuwe klasse 3 en andere in klasse
- Met name wordt op die wijze niet duidelijk gemaakt, waarom het perceel van belanghebbende in klasse 3 is ingedeeld. C. Onderdeel 3
- Dit onderdeel richt zich tegen rov. 7.6 van de uitspraak van het hof. Voor de beoordeling van dit onderdeel is van belang, of rov. 7.6 al dan niet een overweging ten overvloede is naast rov. 7.
- Zo ja, dan behoeft het onderdeel geen behandeling ingeval de onderdelen 1 en 2 ongegrond worden bevonden.
- Ik acht het denkbaar dat het waterschap via zijn berekeningen van het waterbezwaar per ha het belang van belanghebbendes perceel zoals uitgedrukt in de verhouding tot de andere klassen als zelfstandige grond voor de juistheid van de klasse-indeling van belanghebbendes perceel heeft aangevoerd. Het hof zou zich dan terecht genoodzaakt hebben gezien deze stelling afzonderlijk te beoordelen. Hiervan uitgaande merk ik het volgende op.
- Het betreft hier een discussie over de uitwerking van de cijfers met betrekking tot het jaarlijks waterbezwaar, afkomstig uit het rapport, dat in rov. 2.4 van de uitspraak is aangeduid als het rapport-WB. Op blz. 17 van dat rapport wordt het jaarlijks waterbezwaar omschreven als de totale jaarlijkse (water)afvoer. Ik neem aan, dat er verband bestaat tussen het begrip waterbezwaar en het begrip waterafvoercoëfficiënt, maar welk verband dat precies is en met name hoe dat in dit concrete geval de klasse-indeling (mede) rechtvaardigt, wordt uit de stukken niet duidelijk.
- In punt 4.1.2 op blz. 34/35 van het Rapport inzake de omslagklassen (zie punt 3.11 hiervóór), wordt als objectief criterium voor de classificatie met betrekking tot het kwantiteitsbeheer aanbevolen de "afvoerfactor". Het Rapport zegt hierover: "Onder afvoerfactor wordt hier verstaan: de waterafvoer per oppervlakte-eenheid van het beschouwde gebied (met een gekozen overschrijdingsfrequentie) die wordt gebruikt voor het ontwerp van leidingen en bijbehorende kunstwerken. (...) In bepaalde situaties kunnen naast het criterium afvoer-factoren andere omstandigheden een rol spelen ter bepaling van het verschil in voorzieningenniveau tussen (een groep van) belanghebbenden binnen een categorie. Het betreft hier dan situaties waarbij aantoonbaar meer voor-zieningen worden getroffen voor een bepaalde groep belanghebbenden, die niet direct tot uitdrukking komen in de afvoerfactoren. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan het onderscheid in een bemalen en onbemalen gebied. (...) De tot op heden meest gebruikte [criteria] zijn de volgende: - waterbezwaar; - hoogteligging; - afwatering; - drooglegging. (...) Aangezien er een nauwe samenhang bestaat tussen waterbezwaar, hoogteligging, afwatering en drooglegging enerzijds, en de afvoerfactor anderzijds, zijn de eerstgenoemde criteria veelal te herleiden tot afvoerfactoren. De classificatiesystemen die hiervoor genoemd zijn kunnen daarom naar verwachting worden omgezet in een systeem gebaseerd op afvoerfactoren, zonder dat dit tot fundamentele veranderingen in het systeem leidt.
- Op de als bijlage 2 bij de "Verduidelijking" overgelegde kaart (kennelijk een onderdeel van de kaart die als bijlage 2 bij de brief van het waterschap van 4 mei 1993 is overgelegd) zijn drie gebieden aangegeven, onderscheidenlijk geel (laaggelegen gebied, in het beroepschrift in cassatie aangeduid als subgebied II), groen (gebied ondiepe afstroming, in het beroepschrift in cassatie aangeduid als subgebied I) en rood (gebied diepe afstroming, in het beroepschrift in cassatie aangeduid als subgebied III) gekleurd. Het rood gekleurde gebied valt geheel buiten het gebied van het waterschap en het groen gekleurde gebied valt voor ongeveer 2/3 gedeelte buiten dat gebied, zoals het hof terecht constateert.
- Uit de toelichting op onderdeel 3 van het cassatiemiddel leid ik af, dat het aandeel van het gehele subgebied I (dus niet slechts dat van het 1/3-gedeelte van dat subgebied dat binnen het waterschapsgebied ligt) in het waterbezwaar 12,5 % is; zie ook de hectare-verhouding I : II = 1136 :
- In rov. 7.6 gaat het hof er kennelijk van uit, dat in de berekening van het waterschap het waterbezwaar van subgebied I van 12,5 % voor het geheel wordt toegerekend aan het 1/3 ge-deelte dat binnen het waterschapsgebied ligt. Dit is echter niet het geval. Voor de berekening van het waterbezwaar per ha wordt het totale waterbezwaar van 12,5 % toegerekend aan de gehele oppervlakte van 1136 ha, dus voor 2/3 gedeelte aan het niet gereglementeerde gedeelte .
- Het derde onderdeel van het middel is derhalve terecht voorgesteld. Aangenomen, dat rov. 7.6 niet als een overweging ten overvloede kan worden aangemerkt, betekent dit dat verwijzing zal moeten volgen, zodat feitelijk kan worden vastgesteld wat de relatie is tussen waterbezwaar en waterafvoercoëfficiënt, in hoeverre het waterbezwaar (gelet op die - veronderstelde - relatie en op de onder 4.1.1 geciteerde toelichting bij de classificatie) relevant is voor de verhoudingsgetallen tussen de klassen en of alsdan de uitgangspunten van de berekening van het waterschap juist zijn. D. Onderdeel 4
- Dit onderdeel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat indeling van het perceel in klasse 4 voor de waterbeheersingsomslag indeling in klasse C voor de bemalingsomslag meebrengt. Volgens het waterschap is het Hof uitgegaan van een verkeerde lezing van het betreffende art. 11, lid 1, van de belastingverordening.
- Indien de onderdelen 1, 2 en 3 van het middel falen en het oordeel van het hof dat het perceel van belanghebbende moet worden ingedeeld in klasse 4 daarom in stand blijft, brengt dit volgens de duidelijke bewoordingen van art. 11, lid 1, van de verordening mee, dat voor wat betreft de bemaling het perceel wordt ingedeeld in klasse C. Zoals het hof terecht vaststelt, is in art. 8 van de verordening voor die klasse geen tarief voorzien. Het middelonderdeel faalt derhalve. VI. Conclusie Onderdeel 3 van het cassatiemiddel gegrond bevindend, concludeer ik tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot verwijzing van de zaak naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden