artikel 4, lid 7, van het Slotprotocol bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat ter voorkoming van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen d.d. 12 november 1951, Trb. 1951, nr. 148 (hierna: het Verdrag), welke winst voor een premie-evenredig gedeelte aan de Nederlandse vaste inrichting dient te worden toegerekend, zoveel mogelijk volgens de Nederlandse fiscale bepalingen dient te worden berekend. 3.
ministratie van de Nederlandse vaste inrichting blijken. 3.
ministratieve rechtspraak belastingzaken.
ministratieve last die dit systeem met zich brengt: de belastingplichtige dient zijn gehele wereldwinst te herrekenen naar de - vaak uiteenlopende - fiscale maatstaven van elk land waarin hij een vaste inrichting heeft en waar dit systeem wordt toegepast. Aangenomen wordt dat in Nederland bij de belastingheffing van niet-inwoners ondernemingssplitsing dient te worden toegepast. De belastingrechter heeft nimmer expliciet beslist dat winstsplitsing niet zou zijn toegestaan; onder het verdrag met Zwitserland wordt deze methode met name bij verzekeraars regelmatig toegepast (...) (blz. 578) (...) Verdragen ter voorkoming van dubbele belasting plegen geen belastingplicht te scheppen daarvoor is een specifieke bepaling in een heffingswet vereist. (...) Verdrag en nationale wet moeten in het algemeen elkaar (...) "overlappen", wil Nederland kunnen heffen. (...)" . C. van Raad, Cursus Belastingrecht (Internationaal belastingrecht), 0.5.3, blz. 12-16 (Suppl. 239 (december 1995)), betoogt : "(...) de niet-inwoner van Nederland (...) is (...) belastingplichtig in Nederland voor zover hij inkomsten uit Nederland ontvangt (...) die zijn begrepen in de wettelijke limitatieve opsomming van de bestanddelen waarvoor niet-inwoners in Nederland buitenlands belastingplichtig zijn (...) Is het woonland van de genieter (...) een verdragsstaat, dan dient in het verdrag te worden nagegaan of Nederland zijn (...) heffingsregels inzake buitenlandse belastingplicht wel onverkort mag toepassen. In vele gevallen wordt de Nederlandse heffingsbepaling door het verdrag gedekt. Een aantal malen wordt er echter een beperking op aangebracht (...)" III. . Het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat ter voorkoming van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen d. d. 12 november 1951 (hierna te noemen het Verdrag). A. . De tekst van het Verdrag is in het Nederlands en in het Frans gelijkelijk authentiek. 1. . Het Verdrag houdt in de Nederlandse tekst in: "(...) Art. 2. 1. Voor zover in dit Verdrag niet anders is bepaald, zijn het vermogen en het inkomen slechts belastbaar in de Staat waar de persoon, aan wie dit vermogen toebehoort of die dit inkomen geniet, zijn woonplaats heeft. (...) Art. 3. 1. Onroerende goederen (...) en de inkomsten, die er uit voortvloeien (...) zijn slechts belastbaar in de Staat waar de goederen zijn gelegen. (...) Art. 4. 1. (1e volzin) Handels-, nijverheids- of handwerksondernemingen van elke aard, alsmede de inkomsten daaruit voortvloeiende (...), zijn slechts belastbaar in die van de beide Staten, waar de onderneming een vaste inrichting heeft. (...) 3. Indien de onderneming vaste bedrijfsinrichtingen in beide Staten onderhoudt, zal ieder van hen slechts belasten het vermogen dat dient voor de vaste inrichting, gelegen op zijn grondgebied en geen andere inkomsten dan die welke deze inrichting oplevert. (...) Slotprotocol (...)
Onroerende goederen welke deel uitmaken van een bedrijfsvermogen worden beschouwd als onroerende goederen in de zin van artikel 3.
Indien in de beide Staten vaste inrichtingen bestaan in de zin van artikel 4, derde lid, zal in de regel bij de verdeling van het inkomen vooraf 10% tot 20% worden toegerekend aan de zetel van de onderneming, waar een wezenlijk gedeelte van de leiding is geconcentreerd.
ministratieve autoriteiten in ieder bijzonder geval of voor zekere groepen van gevallen, bijzondere regelingen treffen omtrent de verdeling van de bevoegdheid tot het heffen van belasting in de zin van artikel 4, derde lid. (...)" 2. . In de Franse tekst houdt het Slotprotocol,
S'il existe dans les deux Etats des établissements stables au sens de l'article 4, 3e alinéa, on accordera en règle générale, lors de la ventilation du revenu, un préciput de 10 à 20 pour cent au siège de l'entreprise où est concentrée une partie essentielle de la direction. 7. (1e volzin) La fortune et le bénéfice des entreprises d'assurances qui ont des établissements stables dans les deux Etats, après déduction, en ce qui concerne le revenu, d'un préciput de 10 pour cent en faveur de l'Etat où se trouve le siège de l'entreprise, sont répartis dans la proportion existant entre les primes afférentes à l'établissement stable et le total des primes encaissées de l'entreprise. (2e volzin) On peut aussi répartir le bénéfice (...) en appliquant aux primes afférentes à l'établissement stable des coefficients fondés sur les résultats moyens des grandes entreprises de la même branche d'assurance dans l'Etat où se trouve l'établissement stable. (...)" B. . Aan Nederlandse zijde werd de totstandkoming van het Verdrag niet begeleid door een officiële toelichting. C. . De Message du Conseil fédéral à l'Assemblée fédérale concernant des accords conclus entre la Suisse et le Royaume des Pays-Bas en vue d'éviter les doubles impositions (Du 20 novembre 1951), hield in (ik citeer "Nederlandse regelingen van internationaal belastingrecht", II.B. (Zwitserland), hoofdstuk 2, onder 2.2, blz. 44 (Suppl. 169 (september 1993))): "(...) Les alinéas (...) 4 à 9 du protocole final
article 4 correspondent pour l'essentiel, aux dispositions analogues du protocol final
article 4 de la 1re convention avec la Suède. En dérogation à ces dispositions, l'Etat où se trouve le siège de l'entreprise ne se voit attribuer un préciput que pour la ventilation du bénéfice net, mais non pour celle de la fortune (6e et 7e al. du prot. fin.
art. 4). (...)" . J. B. J. Peeters, Internationaal belastingrecht in Nederland, 1954 , art. 4 Verdrag, aant. 9, betoogt : "(blz. 22) Voor het geval beide verdragsstaten aan het eerste lid van art. 4 de bevoegdheid tot belastingheffing ontlenen, geeft het derde lid bepalingen omtrent de omvang van het object der belasting. Die omvang wordt afgemeten naar de verrichtingen van de op hun gebied gelegen vaste inrichting (...) Voor ieder van de Staten komen alleen de inkomsten (...) van de vaste inrichting - niet meer maar ook niet minder - in aanmerking. Dit derde lid geeft dan ook voor een verhoudingsgewijze verdeling over de verschillende vaste inrichtingen van het totaal der inkomsten van de onderneming (...) (de z.g. [winstsplitsing]) geen aanleiding. De inkomsten (...) van de vaste inrichting dienen volgens het derde lid, in beginsel zelfstandig te worden bepaald. Op dit beginsel komt de eerste zin van het zevende lid van het Slotprotocol
Immers deze bepaling schrijft met betrekking tot verzekeringmaatschappijen een verhoudingsgewijze verdeling uitdrukkelijk voor. (...) de inkomsten (winst) (...) in haar geheel worden over de vaste inrichtingen verdeeld in de verhouding van de door elk van de vaste inrichtingen geïnde premiën tot het totaal bedrag der geïnde premiën (...) In verband met de woorden: "bij de verdeling van het inkomen" voorkomende in het zesde lid van genoemd Slotprotocol, kan de vraag rijzen of dit lid het beginsel van art. 4, derde lid, ter zijde stelt, althans in die zin uitwerkt, dat voor alle ondernemingen een verhoudingsgewijze verdeling van de totale winst (...) dient plaats te vinden. Deze bedoeling heeft het voorschrift van het zesde lid niet. Onder "verdeling van het inkomen" dient men, mede gelet op de uitdrukking: "ventilation du revenu" in de Franse tekst, te verstaan de toedeling of toerekening aan de vaste inrichting van winst of inkomsten, gelet op haar verrichtingen. Verder wil het voorschrift niet meer bepalen dan dat van de aan de vaste inrichting toegerekende winst een bedrag (...) aan de hoofdleiding wordt toegekend (...) Ten slotte zou het onlogisch zijn de regel van art. 4, derde lid, bij bedoeld zesde lid van het Slotprotocol
ter zijde te stellen, doch die terzijdestelling weer ongedaan te maken door in het achtste lid van dat Slotprotocol voor te schrijven dat het belaste inkomen niet te boven mag gaan het bedrag van de winsten die door de vaste inrichting zijn behaald (hetgeen echter reeds in art. 4, derde lid, is voorgeschreven). Resumerende is de betekenis van het zesde en het achtste lid van meergenoemd Slotprotocol slechts deze, dat op de winst (inkomsten) die aan de vaste inrichting wordt toegerekend een correctie wordt aangebracht en wel volgens het zesde lid een correctie ter honorering van prestaties van de hoofdleiding en volgens het achtste lid om plaats gevonden winstverschuivingen of onttrekkingen ongedaan te maken." . HR 16 november 1955, nr. 12.492, BNB 1956/1 met noot A. J. van Soest , overwoog (blz. 3, regels 30-48), "dat het (...) Verdrag in art. 2 als regel stelt, dat, voorzover in het Verdrag niet anders is bepaald, het vermogen en het inkomen slechts belastbaar zijn in den staat waar de persoon (...) zijn woonplaats heeft; dat op dezen regel uitzonderingen zijn gemaakt onder meer in art. 3 (...) en in art. 4 (...); dat de regeling van art. 4, lid 3, betrekking heeft op vermogen, dat dient voor de vaste inrichting, doch - naar ook uit het Slotprotocol
artikel 3, lid 2, blijkt - voor van een bedrijfsvermogen deel uitmakende onroerende goederen (...) art. 3 van het Verdrag voorgaat; dat daarom de Raad van Beroep ten onrechte de
artikel 4, lid 7, overeengekomen verklaring in het Slotprotocol, welke slechts de uitwerking voor verzekeringmaatschappijen geeft van hetgeen in art. 4 van het Verdrag bepaald is, van toepassing heeft geacht op (...) inkomsten (...) welke volgens art. 3 van het Verdrag in Zwitserland belastbaar zijn (...)" . A. Vonk Noordegraaf, Cahiers de Droit Fiscal International XXXIV, 1957, blz. 344 , betoogt: "(...) Practically all agreements concluded after 1945 to which the Netherlands is a party, stipulate that the attribution of profit to a permanent establishment is to take place as if it were a separate enterprise. Except in the agreement with Switzerland, in which a percentage (...) is mentioned, invariably a provision regarding the attribution of a certain part of the profit to the enterprise's general management is missing. The last-mentioned agreement is the only one containing a special provision for insurance companies. May be for that agreement fractional allocation is on the foreground, but it seems to me that that view cannot be correct, since either of the two States has to calculate the profit attributable to the permanent establishment in its territory according to its own statutory regulations. (...)" . T. J. F. Zeij, Weekblad voor fiscaal recht (WFR) 1957/4369, betoogt : "(blz. 773) (...) Het bestaan van een vaste inrichting (...) brengt in (...) het algemeen belastingplicht mede. In de meeste gevallen beperkt deze belastingplicht zich tot de winst die door middel van de vaste inrichting is gemaakt. De vraag is thans: hoe moet men die winst bepalen? Men kan hierbij uitgaan van twee beginselen: I. dat der winstsplitsing en II. dat der ondernemingssplitsing. (...) (blz. 778) (...) Zwitserland Het Verdrag zelf geeft generlei aanwijzing. Het Slotprotocol spreekt in
art. 4, lid 5 , over "verdeling van het inkomen". Hieruit zou men kunnen afleiden, dat de bedoeling van de Verdragsluitende Staten is geweest winstsplitsing toe te passen. Voor de verzekeringmaatschappijen is de proportionele methode imperatief voorgeschreven in het Slotprotocol
art. 4, lid 7. Opgemerkt dient hierbij te worden dat op grond van het bepaalde bij art. III van het Verdrag de onroerende goederen (...), die in het situs- en domicilieland zijn gelegen (...) eerst uitgeschakeld moeten worden voor men tot winstsplitsing overgaat (H.R. B.N.B. 1956/1). Na de winstsplitsing moet de winst verhoogd worden met de in elk der Staten gelegen opbrengst der onroerende goederen (...)" D. . L. Lancée, Fiscale winstsplitsing, 1959, blz. 106, noot 2, vraagt: "Zou ZEIJ hetzelfde argument hebben gebezigd indien de in de Franse tekst van het verdrag [met België] voorkomende uitdrukking "règles de ventilation" niet weergegeven was door "regelen voor de verdeling van inkomsten", maar - juister - door "toerekeningsnormen" ?"; en betoogt: "(blz. 106) (...) Tenslotte het verdrag van 12 november 1951 met Zwitserland. Ook hier wordt in het Slotprotocol in
art. 4, lid 6 gesproken van "verdeling van inkomen", hetwelk aan ZEIJ (...) aanleiding geeft (...) dit verdrag in te delen bij de regelingen, die "winstsplitsing" en geen "ondernemingssplitsing" eisen. (...) PEETERS (...) bestrijdt deze indeling terecht (...) Ook de in dezelfde bepaling voorgeschreven "Voraus" (...) aan de zetel van de onderneming acht PEETERS geen aanleiding te geven tot het standpunt dat het Zwitserse verdrag voor "winstsplitsing" instede van "ondernemingssplitsing" opteert. En tóch is dit een veel sterker argument. De "Voraus" aan de hoofdleiding is een verschijnsel dat geheel past in de sfeer van het Zwitserse nationale systeem (blz. 107) hetwelk niet gekarakteriseerd wordt door de aanduiding "verdeling van de totale winst", doch wél door "verdeling van de totale winst naar maatstaf van de winstvormende invloed der betrokken bedrijfsinrichtingen". Niettemin acht ook ik deze concessie aan het Zwitserse autonome systeem (welke overigens in verreweg de meeste door Zwitserland met andere staten gesloten verdragen ontbreekt) niet voldoende motief voor de conclusie, dat nu ook het gehele verdrag zich bij dat systeem bedoelt aan te sluiten. PEETERS leest in art. 4 lid 3 van het verdrag1 en in
art. 4 lid 8 van het Slotprotocol (...) het tegendeel. Inderdaad komt het voor dat, indien met de woorden "inkomsten, ... welke deze inrichting oplevert" in het eerste voorschrift, en "... winsten die door de vaste inrichting zijn behaald" in het tweede gedoeld zou zijn op de winstvormende invloed van de vaste inrichting op het generale resultaat, deze bedoeling wel duidelijker geformuleerd tot uiting zou zijn gekomen. (...) Naar ik (...) als conclusie (...) meen te mogen neerschrijven blijkt uit tekst en systeem van de Nederlandse fiscale wetgeving - zowel van de autonome wetgeving als van de door Nederland gesloten verdragen ter voorkoming van dubbele belasting - een vrij consequent volgehouden keuze van een winstsplitsing op basis van de fictie van de zelfstandige bedrijfsvoering door de vaste inrichting. Als enige duidelijke afwijking ontmoetten wij de in het Slotprotocol van het Zwitserse verdrag voorgeschreven Voraus aan de hoofdleiding, doch deze doet zich in het kader van de gehele wetgeving zó kennelijk voor als een uit het systeem vallend vreemd element, dat zij, zoals alle uitzonderingen, slechts kan strekken tot bevestiging van de algemene bedoeling van de wetgever." De bijbehorende noot 1 houdt in: "(...) Het uit deze tekst - welke wijst op een onafhankelijk van elkaar vaststellen van de winsten van de onderscheiden bedrijfsinrichtingen - voortvloeiende gevolg, dat de som van deze winsten niet overeen zou komen met de totale ondernemingswinst wordt opgeheven door het bepaalde in "
art. 2 tot 8" van het Slotprotocol. (...)" E. . Het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht houdt in: "(...) Art.
art. 4, lid 7, van het Slotprotocol, welke winst voor een premie-evenredig gedeelte aan de hier te lande gevestigde vaste inrichting dient te worden toegerekend, zoveel mogelijk volgens de Nederlandse fiscale bepalingen dient te worden berekend; dat hieruit voortvloeit dat ook het bepaalde in de artt. 10 juncto 15, van het Besluit zoveel mogelijk toepassing dient te vinden; dat (...) in belanghebbendes totale commerciële winst (...) dividend is begrepen (...) welke dividenden na aftrek van de beheerskosten (...) pro resto derhalve SF p ingevolge de artt. 10 (blz. 1130, tot en met regel 11) juncto 15 van het Besluit zouden zijn vrijgesteld, indien zij door een Nederlandse vennootschap zouden zijn genoten; dat alsdan bij de toepassing van de premiebreukmethode voormeld bedrag
SF p op die commerciële winst in mindering dient te worden gebracht ter bepaling van de totale winst bedoeld in
art. 4, lid 7, van het Slotprotocol; dat, zoals hierboven (...) overwogen, bij de premiebreukmethode de aan de vaste inrichting toe te rekenen winst op forfaitaire wijze wordt benaderd; dat alsdan evenzeer (...) de vraag of en in hoeverre het totaal van de door belanghebbende aangehouden deelnemingen voor de vaste inrichting van betekenis is, van geen belang is (...)" . Hof 's-Gravenhage 27 september 1979, nr. 14/1979 MII, BNB 1980/327 , overwoog, "(blz. 1648, van regel 38 af) dat in deze methode alle directe en indirecte kosten van het hoofdkantoor naar evenredigheid van de premiën worden toegerekend aan de vaste inrichting, zoals ook alle kosten van de vaste inrichting naar evenredigheid worden toegerekend aan het hoofdkantoor; dat in deze methode (...) geen verband bestaat tussen het aan de vaste inrichting toe te rekenen resultaat en het door de vaste inrichting in werkelijkheid behaalde (economische) resultaat; dat het immers geenszins uitgesloten is (...) dat de verhouding tussen de geïnde premiën enerzijds, en de vergoede schaden en gemaakte kosten anderzijds, bij de vaste inrichting in gunstige of ongunstige zin afwijkt van die verhouding bij het hoofdkantoor; dat de premiebreukmethode mitsdien is te beschouwen als een forfaitaire methode (...); dat ook het praecipuum (...) forfaitair is bepaald; dat geen verband aanwezig is tussen de kosten die het hoofdkantoor maakt ten behoeve van de vaste inrichting en het bedrag van het praecipuum; dat immers, als overwogen, de kosten van het hoofdkantoor reeds naar evenredigheid van de premiën aan de vaste inrichting zijn toegerekend; dat het praecipuum niet is te zien als een kostenvergoeding doch als een beloning voor de winstvormende invloed van de leiding van het hoofdkantoor; (blz. 1649, regels 6-8) dat, nu (...) het totale verzekeringsresultaat over het jaar 1974 negatief was, (...) de Inspecteur terecht toekenning van een praecipuum aan het hoofdkantoor van de belanghebbende heeft afgewezen (...)" G. . "Nederlandse regelingen van internationaal belastingrecht" houden in: "(I.B, hoofdstuk 6, nr. 19, blz. 251 (Suppl. 64 (maart 1980) (...) het Zwitserse verdrag [geeft] op twee punten (praecipuum en verzekeringswinst) dwingende voorschriften (...); dit roept (...) de vraag op of Nederland in die gevallen niet toch de ondernemingssplitsing moet toepassen, als de belastingplichtige daarop een beroep doet. (II.B. (Zwitserland), art. 4 (R. J. B. Wijs), blz. 129 (Suppl. 169 (september 1993)) (...) 7.1. (...) De bepalingen betreffende [winstallocatie] in het Verdrag wijken sterk (blz. 130) af van de OESO-modelverdragsbepalingen voor [winstallocatie]: - het Verdrag bevat, in tegenstelling tot de OESO-modelverdragen, geen algemeen voorschrift met betrekking tot de te volgen methode van [winstallocatie] (wel voor verzekeringsondernemingen); - het Verdrag schrijft toekenning van een zogeheten "praecipuum" voor (...); - het Verdrag kent een aparte regeling voor verzekeringsmaatschappijen (...) 7.2. (...) Het Verdrag geeft geen expliciete keuze voor de directe, dan wel de indirecte methode van toerekening in art. 4, derde lid. (...)" H. . HR 16 maart 1994, nr. 27.758, met conclusie van de toenmalige
vocaat-generaal Verburg, BNB 1994/166 met noot P. den Boer .
artikel 4, lid 7, van het Protocol te rechtvaardigen. (...)" 3. . Den Boer annoteerde (onder 1): "(blz. 1200, van regel 51 af) Met betrekking tot de "Volkenbondsrapporten" wijs ik (...) op de (...) modelconventie en het daarbij behorende commentaar. Deze gaan voor de vaste inrichting in art. 5 duidelijk uit van een indirecte toerekening ("ventilation") op grond van bepaalde factoren. Dit is in zover van belang, omdat de Franse tekst van het belastingverdrag met Zwitserland en het Slotprotocol nog steeds de woorden "ventilation" of "répartition" gebruikt (in de Petit Robert wordt "ventilation" omschreven als: "Répartition entre divers comptes, divers chapitres"). (blz. 1201, tot en met regel 36) Art. 5, derde alinea, van de genoemde modelconventie luidt als volgt: "Si l'entreprise a des établissements stables dans les deux Etats contractants, chacun de ces deux Etats perçoit l'impôt afférent à la partie des revenus produits (...) sur son territoir. Les
ministrations compétentes des deux Etats contractants s'entendront pour arrêter les règles de ventilation." (...) Als voorbeeld van de verdelingsregels noemt het commentaar, "à titre purement indicatif", le "nombre d'ouvriers, des salaires payés, des recettes effectuées, etc." Dit vormt dus de achtergrond van het nogal afwijkende verdrag met Zwitserland en tevens blijkt daaruit de gedachte dat het in het bijzonder de verdragsluitende partijen zelf zijn die de regels behoren vast te stellen. (...) daar [is] in de praktijk echter weinig van terecht gekomen. Bovendien is de evolutie in een andere richting gegaan, namelijk een meer zelfstandige winsttoerekening voor de vaste inrichting (...) Onder 3.3.3 stelt de Hoge Raad voorop dat (...) Nederland niet gerechtigd is belasting te heffen over tot het vermogen van de vaste inrichting behorende onroerende goederen en de inkomsten daaruit, indien deze onroerende goederen in derde landen zijn gelegen. Daarna zegt de Hoge Raad, wellicht wat cryptisch, dat de opzet van het Verdrag noch de aard van de premiebreukmethode vervolgens kunnen worden aangevoerd om "achterstelling van artikel 3 van het Verdrag bij
artikel 4, lid 7, van het Protocol te rechtvaardigen". Dit zullen we, dunkt mij, zo mogen lezen dat, nu voor tot het vermogen van een Nederlandse vaste inrichting behorend in het buitenland gelegen onroerend goed (...) Nederland dient terug te treden, ditzelfde eveneens of a fortiori moet gelden voor niet tot een Nederlandse vaste inrichting behorend onroerend goed. (...)"
art. 4, lid 9, wordt algemeen geconstateerd dat het voorschrift nauwelijks of niet toegepast wordt. . In de thans aanhangige procedure heeft de Inspecteur in zijn aan het Hof overgelegde pleitnota betoogd (ik nummer de bladen), "(blad 1) (...) dat gemachtigde van belanghebbende in BNB 1977/257 (...) bewerkstelligd heeft dat een procedure amiable werd aangevangen. In deze procedure is uiteindelijk de bevoegdheid aan de inspecteur in Amsterdam gedelegeerd een regeling te treffen met belanghebbende. Deze -overigens ingewikkelde- regeling wordt thans nog steeds toegepast op alle Zwitserse vaste inrichtingen hier te lande waarop de premie breuk methode van toepassing is. (...)" B. . Het Hof heeft dit betoog in zijn korte samenvatting van het standpunt van de Inspecteur (onder 4.2.1, blz. 7) weergegeven, maar enig nader gegeven ontbreekt. V. . Enkele gegevens over de premiebreukmethode. A. . Art. 29 Wet op de Inkomstenbelasting 1914 (Wet IB 1914), tekst zoals gewijzigd bij Wet van 2 juni 1923, Stb. 242, hield in (ik nummer de leden): "
artikel 4, lid 7, van het Slotprotocol, welke winst voor een premie-evenredig gedeelte aan de Nederlandse vaste inrichting dient te worden toegerekend, zoveel mogelijk volgens de Nederlandse fiscale bepalingen te worden berekend. De andersluidende opvatting van belanghebbende zou kunnen medebrengen dat aan Nederland ter belastingheffing zou worden toegewezen een gedeelte van de opbrengsten die naar Nederlandse fiscale maatstaven niet tot de belastbare winst behoren, of dat kosten die naar Nederlandse maatstaven ten laste van de fiscale winst behoren te komen, gedeeltelijk buiten aanmerking (blz. 10) zouden blijven. Zodanige gevolgen acht het Hof niet aanvaardbaar." VII. . Middel I. Middel I houdt in (ik vermeld de vindplaatsen in het beroepschrift in cassatie): "(blz. 2) (...)
artikel 4, lid 7, van het Slotprotocol, welke winst voor een premie-evenredig gedeelte aan de Nederlandse vaste inrichting dient te worden toegerekend, zoveel mogelijk volgens de Nederlandse fiscale bepalingen [dient] te worden berekend", weg. J. . Daarmee heb ik evenwel nog niet beweerd dat die opvatting onjuist zou zijn. K. . Het lijdt namelijk geen twijfel dat voor het antwoord op de onderhavige rechtsvraag weinig doorslaggevende argumenten te vinden zijn. L. . De rechtsvraag is, hoe "de winst", als bedoeld in het Slotprotocol,
art. 4, lid 7, 1e volzin, van de belanghebbende moet worden bepaald. M. . De keus lijkt te gaan tussen twee antwoorden, te weten naar het recht van de belanghebbende (Zwitsers recht) of naar het recht van de belastingheffer (Nederlands recht). N. . Er lijkt een derde antwoord mogelijk, te weten naar commerciële maatstaven. Naar de stellingen van de belanghebbende zou dit overeenkomen met bepaling naar Zwitsers recht. O. . Naar het mij voorkomt, schiet er voor de keus van het antwoord weinig beslissends over dan dat gekozen moet worden voor de methode die het best uitvoerbaar is en voor de belastingplichtige en de belastingheffer de meest objectieve zekerheid geeft. P. . Dit brengt mee dat, waar het om belastingheffing in Nederland gaat, het Nederlandse recht aangewezen is. Q. . Ik meen dat dit antwoord strookt met een goede verdragsuitlegging: nu het begrip in het Verdrag niet nader omschreven is, wordt het uitgelegd naar het recht van de verdragstoepasser. R. . Ik ontken dat aldus een element van ondernemingssplitsing zou worden gemengd in de voorgeschreven methode van winstsplitsing: voor winstsplitsing moet eerst de winst vastgesteld worden en daarvoor is nu eenmaal een methode nodig; deze is onafhankelijk van het onderscheid tussen ondernemingssplitsing en winstsplitsing. S. . De verwijzing in middelonderdeel I, 1, naar de coëfficiëntenmethode overtuigt mij niet: de coëfficiëntenmethode maakt geen gebruik van het begrip "generale" winst en kan dan ook niets zeggen over de uitlegging ervan. T. . Ik moet toegeven dat het de strekking van het Slotprotocol,
art. 4, lid 7, 1e volzin, lijkt te zijn dat in totaal niet meer en niet minder belast wordt dan de "winst", maar die strekking reikt geen antwoord aan op de vraag, waar het nu juist om gaat, welke die "winst" is. U. . Ik kan tot geen ander oordeel komen dan dat middel I faalt. X. . Schommelreserves. A. . Het Hof heeft overwogen, "(blz. 10) (...) 5.3.
ministratie van de Nederlandse vaste inrichting blijken. (...)" B. . Middel III komt tegen deze overweging op. C. . Het vertoogschrift in cassatie houdt in (blz. 3): "(...) Belanghebbende zij toegegeven dat het theoretisch juister is, de correctie te bepalen op het premie-evenredige deel van het bedrag aan "Oort-kosten" dat is begrepen in de totale winst volgens de Nederlandse fiscale bepalingen, na aftrek van het praecipuum van 10 procent. Nu belanghebbende voor het Hof kennelijk niet in staat was om inzicht te geven in het werkelijke bedrag aan "Oort-kosten" in de totale winst (...), is de forfaitaire vaststelling door het Hof niet onbegrijpelijk. Ik begrijp de forfaitaire vaststelling aldus, dat daarin ook het praecipuum is vergolden. Belanghebbendes verdere klacht dat het bedrag van de aangebrachte correctie ten onrechte niet met het praecipuum is verminderd, mist dan ook grond." D. . Naar het mij voorkomt, moet in theorie art. 8a Wet IB 1964 jo. art. 18, lid 1, Wet Vpb. 1969 op de "generale" winst toegepast worden. E. . Dat daartoe de gegevens in Nederland ontbreken, zal regel zijn. F. . Dus zullen zij zo goed mogelijk geschat moeten worden. G. . Naar het mij voorkomt, heeft 's Hofs uitkomst geen ander resultaat dan een dergelijke schatting. H. . Derhalve faalt middel III. XII. . Conclusie. De middelen ongegrond bevindende, concludeer ik tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.