← Nederland

ECLI:NL:HR:1997:ZC2528

12 december 1997 Eerste Kamer Rek.nr. 8961 (R97/26 HR) CS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van:

  1. [de man], wonende te [woonplaats],
  2. Mr Antonius Franciscus Maria DE KOK, wonende te [woonplaats], VERZOEKERS tot cassatie, advocaat: mr drs R.A. van der Hansz, tegen [de vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr J.E. Molenaar.
  3. Het geding in feitelijke instanties Met een op 4 september 1996 ter griffie van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch ingekomen verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die Rechtbank met het verzoek de beschikking van die Rechtbank van 31 juli 1996 aldus te wijzigen, dat zij bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [a-straat 1] te [plaats] en dat wordt verstaan dat verzoeker tot cassatie sub 1 - verder te noemen: de man - voor zijn rekening zal nemen en betalen zonder nadere verrekening met de vrouw bij de verdeling van de gemeenschap de maandelijkse hypotheeklasten ten bedrage van f 2.266,
  4. De man heeft in zijn verweerschrift verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans dit verzoek af te wijzen. De Rechtbank heeft bij beschikking van 11 oktober 1996 voormelde beschikking van 31 juli 1996 voor wat betreft het destijds toegekende uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aldus gewijzigd dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning op voormeld adres met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze niet verder mag betreden. Voor het overige heeft de Rechtbank de beschikking van 31 juli 1996 gehandhaafd en het meer of anders verzochte afgewezen. Tegen de beschikking van 11 oktober 1996 heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij beschikking van 15 januari 1997 heeft het Hof het beroep verworpen en verzoeker in cassatie sub 2, de raadsman van de man, hierna: mr De Kok, veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van de vrouw gevallen. De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
  5. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het Hof hebben de man en mr De Kok beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda strekt - in het cassatieberoep van de man tot verwerping, en - in het cassatieberoep van mr De Kok tot vernietiging van de bestreden beschikking, voor zover daarbij mr De Kok is veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van de vrouw gevallen en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad zelf door het verzoek van de vrouw tot veroordeling van de raadsman in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van de vrouw als niet steunend op de wet alsnog af te wijzen.
  6. Beoordeling van de middelen 1-4 De door de man in de middelen 1-4 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
  7. Beoordeling van middel 5 4.1 Het door mr De Kok aangevoerde middel 5 is gericht tegen diens veroordeling in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van de vrouw gevallen, en tegen 's Hofs rov. 4.
  8. 4.2 Blijkens het proces-verbaal van de zitting van het Hof van 11 december 1996 heeft de procureur van de vrouw verklaard: "Ik vind het jammer dat ik hier vandaag voor niets moet verschijnen. Ik vraag daarom de wederpartij, subsidiair zijn raadsman, te veroordelen in de kosten van deze procedure in hoger beroep. " 4.3 Het Hof heeft de betreffende raadsman hieromtrent ter zitting gehoord. Het heeft het subsidiaire verzoek van de vrouw toegewezen, "gelet op de standaard jurisprudentie met betrekking tot de gestelde schending van de motiveringsplicht terwijl het appel voor het overige volstrekt kansloos was te achten mede gezien de eerder ingenomen proceshouding van de kant van de man". 4.4 De in art. 58 Rv. aan de rechter gegeven bevoegdheid tot veroordeling van advocaten en procureurs persoonlijk in de proceskosten kan worden uitgeoefend ten aanzien van degenen "die zich in hunne bedieningen te buiten mogten gaan". Deze bevoegdheid is gegeven teneinde de cliënt van de desbetreffende advocaat of procureur te vrijwaren van een veroordeling in de proceskosten in gevallen waarin zulk een veroordeling - naar de hierna te formuleren maatstaf - misplaatst zou zijn, en is niet gegeven in het belang van de wederpartij. Voor gebruikmaking ervan is slechts plaats, indien (a) sprake is van een niet aan de cliënt toe te rekenen processuele fout of verzuim, welke fout of welk verzuim een ernstige beroepsfout van de advocaat of procureur oplevert, (b) die fout of dat verzuim anders een veroordeling van de cliënt in de proceskosten van de wederpartij tot gevolg zou hebben, en (c) dit gevolg, mede gelet op de ernst van de fout of het verzuim, in de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet kan worden aanvaard. De rechter die tot een zodanige beslissing komt, zal dienen te motiveren dat in het gegeven geval inderdaad aan dit een en ander is voldaan. 4.5 Het Hof is niet van deze maatstaf uitgegaan en heeft mr De Kok, de advocaat van de man, veroordeeld in de proceskosten van de vrouw op grond van zijn oordeel dat het appel van de man kansloos was. Aldus heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het middel hierover klaagt, is het gegrond. Voor het overige behoeft het geen behandeling.
  9. Beslissing De Hoge Raad: in het beroep van de man: verwerpt het beroep; in het beroep van mr De Kok: vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 januari 1997 voor zover daarbij mr De Kok is veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van de vrouw gevallen; compenseert de kosten van het geding in hoger beroep en van het geding in cassatie aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Mijnssen, Heemskerk, Herrmann en Jansen, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 12 december 1997.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.