← Nederland

ECLI:NL:HR:1997:ZD0630

4 februari 1997 Strafkamer nr. 103.822 SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 mei 1995 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, wonende te [plaats].

  1. De bestreden einduitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 29 december 1994 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 3 telastegelegde en hem voorts ter zake van
  2. en
  3. "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf.
  4. Het cassatieberoep Het beroep - dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr A.A. Franken, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
  5. De conclusie van het Openbaar Ministerie De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak voorzover het betreft de strafoplegging en de motivering daarvan en - voor het geval de Hoge Raad niet zelf de straf zou verlagen - verwijzing van de zaak in zoverre naar een aangrenzend hof, met verwerping van het beroep voor het overige.
  6. Beoordeling van het middel 4.
  7. De inleidende dagvaarding houdt na de opgave van de telastegelegde feiten in: "Deelt mede, dat ter terechtzitting de rechtbank zal worden gevraagd bij de straftoemeting rekening te houden met de overige strafbare feiten, vermeld in de processen-verbaal 10.328/1994 en 10.328-I-/1994 te weten ( ... ) valsheid in geschrift c.q. oplichting ( ... , [A] , ... ) ". 4.
  8. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is de verdachte aldaar niet verschenen. 4.
  9. Ten aanzien van de opgelegde straf heeft het Hof onder meer overwogen: Bij het onderzoek ter terechtzitting is aannemelijk geworden, dat de verdachte zich ook heeft schuldig gemaakt aan andere, niet telastegelegde feiten, vermeld in de processen-verbaal 10.328/1994 en 10.328-I-/1994, te weten valsheid in geschrift (aanvraag [creditcard 1] en aanvraag rijbewijs) en valsheid in geschrift c.g. oplichting ( [B] Hotel, [A] , fotostudio [C] , [D] , [E] , [F] kantoorbenodigdheden) . Die feiten zijn door het openbaar ministerie bij deze strafzaak gevoegd met het oog op de aan de verdachte op te leggen straf. Gebleken is dat het openbaar ministerie bij het uitbrengen van de inleidende dagvaarding aan de verdachte heeft medegedeeld dat deze feiten met dat doel ter terechtzitting ter sprake zullen worden gebracht. Het hof heeft op deze feiten acht geslagen bij de beslissing over de straf, waarbij het ervan is uitgegaan dat de verdachte ter zake van die feiten niet afzonderlijk zal worden vervolgd. 4.
  10. Tot de stukken van het geding behoort een ambtsedig proces-verbaal van de Politie Regio Haaglanden van 13 september 1994, genummerd 10.328-I-/1994, onder meer inhoudende de volgende verklaring van de verdachte: "Op donderdag 30 augustus 1994 heb ik bij [A] autoverhuur, gevestigd [a-straat 1] te [plaats] , een Volvo type 850 gehuurd voor een periode van een maand. Ik behoefde mij, voordat ik de auto meekreeg, niet te legitimeren. Ook hoefde ik geen borgsom te betalen. Ik weet niet wat er voor huurprijs moest worden betaald. Het personeelslid dat mij op dat moment hielp ken ik van gezicht. Ik weet dat zijn naam [betrokkene 1] is. Ik ken hem omdat mijn vader daar al eerder een auto heeft gehuurd. U toont mij een afschrift van het huurcontract, dat door mij is ondertekend. Hierop staat de naam [betrokkene 2] vermeld, met de geboortedatum [geboortedatum] 1968, wonende [b-straat 1] te [plaats] . De naam [betrokkene 2] heb ik niet opgegeven. Ook de geboortedatum [geboortedatum] 1968 heb ik niet opgegeven. Ik vermoed dat [betrokkene 1] de voorletter van mijn vader op het formulier heeft geplaatst en een fictieve geboortedatum heeft ingevuld. Ik vermoed dat dit is omdat een auto niet kan worden verhuurd aan personen die de leeftijd van 25 jaar nog niet hebben bereikt. Verder zijn op het formulier gegevens van een rijbewijs vermeld, [nummer rijbewijs] , afgegeven op 14 juli 1988 te [plaats] , geldig tot 14 juli 1998, en van een paspoort, [nummer paspoort] , afgegeven op 01 februari
  11. Deze gegevens zijn in zijn geheel verzonnen door [betrokkene 1] . Ik ben niet in het bezit van een rijbewijs en paspoort met de genoemde nummers. [betrokkene 1] heeft alle gegevens via de computer ingevuld op het huurcontract en dit daarna uitgeprint. Ik had geen zicht op de gegevens die hij invulde. Ik weet zeker dat hij ze zelf heeft verzonnen. Ik denk dat hij dit deed om mij de auto toch te kunnen verhuren. Ik heb mijn handtekening onder het contract geplaatst, zonder het eerst door te lezen. Ik heb het contract niet gelezen omdat ik er volledig op vertrouwde dat alles "correct was ingevuld. Ik heb aan [betrokkene 1] de [creditcard 2] overhandigd. Hij heeft de gegevens hiervan afgedrukt op het huurcontract. Vermoedelijk hoefde ik daardoor geen borg te betalen". 4.
  12. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte aldaar onder
  13. meer verklaard: Ik heb op 1 september 1994 bij [A] in [plaats] een Volvo gehuurd. Dat heb ik niet op naam van mijn vader [betrokkene 2] gedaan. Ik heb een creditkaart en mijn OV-jaarkaart getoond. Ik heb het formulier alleen ondertekend zonder te kijken wat erin stond. Ik had de Volvo voor een maand gehuurd. De mensen van [A] kenden mij omdat mijn vader daar wel vaker auto's had gehuurd. 4.
  14. Een door de verdachte begaan strafbaar feit dat hem niet telaste is gelegd mag als bijzondere reden ter bepaling van de straf in aanmerking worden genomen, wanneer op grond van verdachtes erkenning ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat hij dat feit heeft begaan en wanneer ervan mag worden uitgegaan dat ter zake van dat feit tegen de verdachte geen vervolging meer zal worden ingesteld. Niettemin kan ook indien de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen de omstandigheid dat op grond van een elders door hem gedane erkenning aannemelijk is dat hij een hem niet telastegelegd feit heeft begaan als bijzondere reden ter bepaling van de straf in aanmerking worden genomen, indien ervan mag worden uitgegaan dat ter zake van dat feit tegen hem geen vervolging meer zal worden ingesteld en aan de verdachte voor de aanvang van de terechtzitting is medegedeeld dat bedoeld niet ten laste gelegd feit door het openbaar ministerie ter terechtzitting met dat doel ter sprake zal worden gebracht. 4.
  15. Tegen de achtergrond van het onder 4.6 overwogene is het oordeel van het Hof dat bij het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat de verdachte zich ook aan het hiervoor onder 4.1 vermelde feit heeft schuldig gemaakt, onbegrijpelijk, nu de stukken niets inhouden waaruit kan volgen dat de verdachte, die niet ter terechtzitting van het Hof was verschenen, dat feit heeft erkend, terwijl de onder 4.4 en 4.5 weergegeven verklaringen van de verdachte voor geen andere uitleg vatbaar zijn dan dat hij ontkent dat feit te hebben gepleegd. Het Hof had derhalve dit feit niet bij de strafoplegging in aanmerking mogen nemen. 4.
  16. Het middel is derhalve gegrond.
  17. Slotsom Het evenoverwogene brengt mee dat het bestreden arrest voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf niet in stand kan blijven. De Hoge Raad oordeelt geen grond aanwezig waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd. Om proces-economische redenen zal de Hoge Raad de zaak zelf afdoen door, bedoeld feit geheel buiten beschouwing latende, de duur van de door het Hof opgelegde gevangenisstraf te verminderen.
  18. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak voorzover aan zijn oordeel onderworpen, doch uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf ; Bepaalt de duur van de opgelegde gevangenisstraf op elf maanden; Verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp en Koster, in bijzijn van de waarnemend-griffier Jansen, en uitgesproken op 4 februari 1997.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.