← Nederland

ECLI:NL:HR:1997:ZD0839

21 oktober 1997 Strafkamer nr. 3704 Besch. LD Hoge Raad der Nederlanden Beschikking op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 30 oktober 1996 op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door: [klaagster] N.V., gevestigd te [vestigingsplaats].

  1. De bestreden beschikking De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door [klaagster] N.V. ingediende beklag strekkende tot teruggave aan haar van de in bovenvermelde beschikking omschreven personenauto.
  2. Het cassatieberoep 2.
  3. Het beroep is namens klaagster ingesteld op 5 december
  4. 2.
  5. Door een advocaat is een schriftuur, houdende een middel van cassatie, ingediend, die op 24 februari 1997 ter griffie van de Hoge Raad is binnengekomen. 2.
  6. Uit het voorgaande volgt dat, nu bij de indiening van de schriftuur de termijn van een maand genoemd in het te dezen toepasselijke art. 447, derde lid, Sv is overschreden, de Hoge Raad daarop geen acht kan slaan (DD 95.129).
  7. De conclusie van het Openbaar Ministerie De Advocaat-Generaal Van Dorst heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
  8. Motivering van de bestreden beschikking De Rechtbank heeft haar beschikking als volgt gemotiveerd: De inbeslagneming van voornoemde auto is op 26 Juli 1996 onder [betrokkene 1] geschied wegens verdenking van rijden onder Invloed en rijden ten tijde dat het rijbewijs was Ingevorderd. Blijkens de in het proces-verbaal gerelateerde feiten is voornoemde auto naar het oordeel van de rechter op goede gronden inbeslaggenomen. Tussen [betrokkene 1] en General Motors geldt, met betrekking tot de auto, een huurkoopovereenkomst. [betrokkene 1] heeft volgens General Motors ongeveer een kwart van het verschuldigde bedrag van fl. 44.402, -- terugbetaald. In raadkamer Is niet vast komen te staan dat [betrokkene 1] een betalingsachterstand heeft van tenminste twee maandelijkse termijnen. De omstandigheid dal General Motors de eigendom van de auto heeft voorbehouden slaat er in principe niet aan in de weg dat de rechter, later oordelend de auto zal verbeurd verklaren, wat in de zaak van [betrokkene 1] bovendien niet hoogst onwaarschijnlijk is. Er zijn geen omstandigheden op grond waarvan niettemin lot afgifte van de auto aan General Motors zou moeten worden besloten.
  9. Ambtshalve beoordeling van de bestreden beschikking 5.
  10. De Rechtbank heeft vastgesteld dat de inbeslaggenomen auto toebehoorde aan klaagster. Ingevolge het bepaalde in art. 33a, tweede lid, Sr kan - voorzover te dezen van belang - een niet aan de verdachte toebehorend voorwerp met behulp waarvan het feit is begaan alleen worden verbeurdverklaard indien degene aan wie het voorwerp toebehoort bekend was met het gebruik daarvan in verband met dat strafbare feit, dan wel deze dat gebruik redelijkerwijs had kunnen vermoeden. 5.
  11. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat het klaagschrift uitsluitend inhoudt dat tussen klaagster en de verdachte [betrokkene 1] ten aanzien van de inbeslaggenomen auto een huurkoopovereenkomst is totstandgekomen, waarbij klaagster als huurverkoper eigenaar van de auto te zijn, terwijl de stukken niets inhouden waaruit kan volgen dat klaagster ermee bekend was of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat [betrokkene 1] de aan klaagster toebehorende auto zou gaan besturen onder zodanige omstandigheden dat ter zake van de in de beschikking genoemde strafbare feiten tegen hem proces-verbaal zou worden opgemaakt, is het oordeel van de Rechtbank dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de auto in de strafzaak tegen [betrokkene 1] zal worden verbeurdverklaard, zonder nadere motivering, welke in de bestreden beschikking ontbreekt, niet begrijpelijk. De beschikking is dus niet naar de eis der wet met redenen omkleed, zodat deze niet in stand kan blijven. 5.
  12. Opmerking verdient dat indien na verwijzing van de zaak blijkt dat het belang van de strafvordering de handhaving van het beslag niet meer vordert, de vraag of de onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen auto aan klaagster dient te worden teruggegeven daarvan afhangt of die teruggave op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is. Naar ook uit de parlementaire geschiedenis van de Wet van 12 april 1995, Stb. 254 blijkt, is daarbij immers gehandhaafd het uitgangspunt van de regeling omtrent de teruggave van inbeslaggenomen goederen, te weten dat de toestand zoals deze voor de inbeslagneming bestond wordt hersteld, tenzij in redelijkheid kan worden aangenomen dat herstel van de rechtmatige toestand met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen een beslissing in andere zin vergt. Dat brengt in deze zaak mee dat bovengenoemde vraag mede dient te worden beoordeeld in het licht van de huurkoopovereenkomst en de aanspraken die klaagster onderscheidenlijk [betrokkene 1] ten tijde van de beslissing daaraan kunnen ontlenen. 5.
  13. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.
  14. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan. Deze beschikking is gegeven door de vice-president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Bleichrodt, Corstens, Aaftink en Orie, in bijzijn van de griffier Bogaert in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 oktober 1997.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.