gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 5 februari 1997 betreffende na te melden aan X te Z opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het motorrijtuig met ken teken AA-00-AA een naheffingsaanslag in de motorrijtui genbelasting opgelegd, berekend over het tijdvak 1 januari 1995 tot en met 31 maart 1995, ten bedrage van f 619,-- aan enkelvoudige belasting en f 309,-- aan ver hoging. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep ge komen bij het Hof, dat deze uitspraak, alsmede de naheffingsaanslag heeft vernietigd. 's Hofs uitspraak is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassa tieberoep bestreden. Partijen hebben de zaak mondeling doen toelichten, de Staatssecretaris door Mr R.L.H. IJzerman, advocaat te 's-Gravenhage, en belanghebbende door Mr M. Mees, advocaat te Amsterdam. De Advocaat-Generaal Van den Berge heeft op 29 januari 1998 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof, ter verdere behandeling en beslissing van de zaak. Belanghebbende heeft een schriftelijke reactie op die conclusie gegeven. 3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. Uitgangspunten in cassatie In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende was sedert 21 februari 1992 houder van het onderhavige motorrijtuig, merk Nissan, type Patrol R 2.8 DT HTP Van. Deel I van het kentekenbewijs stamt van dezelfde datum. Het motorrijtuig beschikt niet over een laadruimte die in haar geheel is voorzien van een vlakke laadvloer en die over ten minste 125 cm. van de lengte en over ten minste 20 cm. van de breedte een hoogte heeft van ten minste 98 cm. De rechter zijkant van de laadruimte is voorzien van een ruit. Tussen de bestuurderszitplaats en de laadruimte is geen vaste wand van ten minste 30 cm. hoogte aangebracht. Ingevolge artikel 1, onderdeel b, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 (hierna: de Wet) jo. artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet BPM ) zoals dit luidde na de wijziging van de Wet BPM bij de Wet van 16 december 1993, Stb. 1993, 673, wordt een motorrijtuig als het onderhavige aangemerkt als personenauto, in verband waarmede met ingang van 1 januari 1995 de belasting diende te worden betaald naar het tarief voor personenauto's en niet zoals voordien naar het (lagere) tarief voor andere auto's (hierna ook: bestelauto's). Op 16 maart 1995 is in Q met het motorrijtuig van de weg gebruik gemaakt, terwijl de belasting was betaald naar het tarief voor bestelauto's. Bij de onderhavige naheffingsaanslag is over het naheffingstijdvak het verschil tussen de betaalde belasting en de belasting, berekend naar het tarief voor personenauto's, nageheven. 3.2. Het geschil Het geschil voor het Hof betreft de vraag of voor het onderhavige motorrijtuig de belasting is verschuldigd naar het tarief voor personenauto's, zoals de Inspecteur verdedigt met een beroep op de voor het onderhavige tijdvak geldende wetstekst, dan wel naar het tarief voor bestelauto's, zoals belanghebbende verdedigt, zich in de eerste plaats beroepende op een door artikel VII van genoemde Wet van 16 december 1993 voor houders van motorrijtuigen als de onderhavige geschapen verboden discriminatie als bedoeld in artikel 26 IVBPR. 3.3. Beslissing van het Hof 3.3.1. Het Hof heeft beslist dat belanghebbende voor het onderhavige motorrijtuig, dat is ingericht op dezelfde wijze als de motorrijtuigen, waarvoor op grond van de regeling voor omvangrijke wagenparken sedert 1 januari 1995 bij voortzetting het lagere tarief voor bestelauto's geldt, de belasting is verschuldigd naar dit lagere tarief. 3.3.2. Het Hof heeft hiertoe geoordeeld dat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het verschil in tarief voor het door belanghebbende gehouden motorrijtuig en motorrijtuigen die onderdeel uitmaken van een omvangrijk wagenpark, ontbreekt, dat de regeling voor omvangrijke wagenparken niet wordt gerechtvaardigd om redenen van uitvoerbaarheid en doelmatigheid, en dat de wijze waarop die regeling in het vat is gegoten, tot een niet te rechtvaardigen ongelijkheid tussen (groepen van) belastingplichtigen leidt, waardoor sprake is van verboden discriminatie in de zin van artikel 26 IVBPR. 3.3.3. Tegen deze oordelen richt zich middel 1 met de klachten dat belanghebbende ten onrechte op één lijn wordt gesteld met een houder van een groot wagenpark, aangezien geen sprake is van gelijke gevallen, en dat ten onrechte de conclusie is getrokken dat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de regeling voor houders van een groot wagenpark ontbreekt, waarmee de door de wetgever gegeven objectieve en redelijke rechtvaardiging is genegeerd. 3.3.4. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat het passend voorkomt de geconstateerde discriminatie op te heffen door de voor het motorrijtuig van belanghebbende verschuldigde belasting te stellen op het bedrag dat verschuldigd is indien de in artikel VII, lid 4, van de Wet van 16 december 1993 getroffen regeling ook in zijn geval toepassing kan vinden. 3.3.5. Dit oordeel wordt door middel 2 bestreden met de klacht dat het Hof zijn taak als rechter te buiten is gegaan door het fiscale privilege dat slechts een kleine groep houders was toegedacht, uit te breiden tot houders als belanghebbende. 3.4. Voorgeschiedenis van de Wet van 16 december 1993, hierna: de grijskentekenproblematiek De Wet maakte onderscheid in het tarief van de belasting, ter zake van het gebruik van de weg geheven van de houder van een motorrijtuig, al naar gelang het betrof - voorzover te dezen van belang - een motorrijtuig op drie of meer wielen, ingericht voor personenvervoer (personenauto) dan wel een ander motorrijtuig (bestelauto). De belasting werd geheven voor elk motorrijtuig afzonderlijk (behoudens een hier niet van belang zijnde uitzondering voor fabrieks- of handelsvoorraad); het gebruik dat van het motorrijtuig in feite werd gemaakt, was hierbij niet van belang. Omdat het tarief voor bestelauto's lager was dan dat voor personenauto's, was het voor particuliere gebruikers aantrekkelijk om over te gaan tot de aanschaf van bestelauto's, waarvoor grijze kentekens werden afgegeven, in het bijzonder van bestelauto's die waren afgeleid van personenauto's, de zogenoemde uitgeklede personenauto's. Dit gebruik leidde tot derving van belasting, met name ook van motorrijtuigenbelasting. Om hieraan een halt toe te roepen is met ingang van 1 januari 1988 het begrip personenauto gewijzigd (Wet van 18 december 1987, Stb. 580), zodat voor een bestelauto de laadruimte nog slechts mocht zijn voorzien van een zijruit van beperkte afmetingen aan de rechterzijde en meer zijruiten alleen waren toegestaan indien de laadruimte hoger was dan 130 cm. Deze uitbreiding van het begrip personenauto, waardoor ook auto's met een grijs kenteken daaronder konden vallen, gold niet voor motorrijtuigen waarvoor vóór 1 januari 1988 deel II van het kentekenbewijs was afgegeven, zolang het houderschap niet werd overgedragen (een "uitsterfregeling"). 3.5. Wetsgeschiedenis van de overgangsregeling Ook na de invoering van de hiervóór in 3.4 genoemde Wet van 18 december 1987 bleven particulieren op zo grote schaal gebruikmaken van auto's die volgens de nieuwe criteria geen personenauto waren, dat een aanscherping van de definitie van het begrip personenauto nodig werd geacht, zoals werd gemeld in de Memorie van Toelichting bij het voorstel dat leidde tot de Wet BPM (Kamerstukken II 1992/93, 22 868, nr. 3, blz. 28). Hierop volgde het voorstel dat leidde tot de Wet van 16 december 1993 tot wijziging van de Wet BPM in verband met de verruiming van het begrip personenauto (Stb. 673), waarin nadere eisen werden gesteld, waaraan moest worden voldaan om aan het begrip bestelauto te beantwoorden, met aanpassing van artikel 1 van de Wet door verwijzing naar de in de Wet BPM opgenomen definitie van personenauto (Kamerstukken II 1992/93, 23 215, nrs 1-2). Als overgangsregeling (artikel VII) werd voorgesteld dat voor motorrijtuigen waarvan de dagtekening van deel II van het kentekenbewijs een vroegere datum was dan 1 januari 1994 (de voorgestelde ingangsdatum van die wet) de oude regeling werd gehandhaafd. De nadere eisen waaraan moest worden voldaan om aan het begrip bestelauto te beantwoorden, betroffen de inrichtingseisen, met name de laadruimte, terwijl het gebruik als criterium uitvoerig gemotiveerd werd afgewezen (Memorie van Toelichting, nr. 3, blz. 12-13). Vanuit de Tweede Kamer werd aangedrongen op een uitzonderingsregeling voor bepaalde groepen houders van motorrijtuigen, zoals de Wegenwacht of ondernemers die wagenparken hebben van auto's waarvan het evident is dat zij slechts voor goederenvervoer worden gebruikt. De tegenwerpingen van de Staatssecretaris van Financiën dat op deze wijze alsnog het gebruikscriterium zou worden geïntroduceerd en in strijd zou worden gehandeld met het gelijkheidsbeginsel, waarvoor op grond van uitvoeringstechnische overwegingen geen rechtvaardigingsgrond werd gezien, terwijl de inrichting van de auto's van de grotere wagenparken zich niet van die van andere bestelauto's onderscheidt (Kamerstukken II 1993/94, 23 215, Memorie van Antwoord, nr. 5, blz. 3, en Nota naar aanleiding van het Eindverslag, nr. 7, blz. 3), werden in de Kamer onvoldoende argumenten geacht om de gesuggereerde uitzondering af te wijzen (Eindverslag, nr. 6, blz. 2 en 5) Ook de voorgestelde overgangsregeling vond geen genade in de ogen van de Tweede Kamer, die er moeite mee had om particulier en consumptief gebruik van een bestelauto nog jarenlang in de motorrijtuigenbelasting te sauveren, doch dit slechts wilde aanvaarden voor auto's die uitsluitend voor goederenvervoer worden gebruikt (Voorlopig Verslag, nr. 4, blz. 8-9; Eindverslag, nr. 6, blz. 6). De reactie van de Staatssecretaris was, dat de in het wetsvoorstel opgenomen overgangsregeling met betrekking tot de motorrijtuigenbelasting in het verlengde lag van de in 1988 uitgezette koers, waarbij het oude regime werd geëerbiedigd tot aan de datum van de eerste verkoop van de auto na de datum van inwerkingtreding van de aanscherping (Memorie van Antwoord, nr. 5, blz. 12), doch dat hij wel de overgangsregeling van artikel VII wilde aanscherpen zodat de nieuwe eisen - wat de motorrijtuigenbelasting betreft - (dus voor een ieder) zouden ingaan op 1 januari 1995 (Nota van wijziging, nr. 8, blz. 1-2). Bij amendement van de leden Reitsma en Van der Vaart (nr. 11) werd een uitzondering op die overgangsregeling voorgesteld, dat aldus werd toegelicht: " Het amendement beoogt een versoepeling van het overgangsrecht voor auto's die behoren tot omvangrijke wagenparken en die uiterlijk kenbaarheid als bestelauto hebben. Voor deze auto's zal de motorrijtuigenbelasting niet per 1 januari 1995 naar het personenautotarief worden geheven maar vanaf de datum waarop na 1 januari 1995 deel II van het kentekenbewijs wordt overgeschreven. Op deze wijze worden de houders van omvangrijke wagenparken niet per 1 januari 1995 geconfronteerd met een hogere heffing, maar pas bij vervanging van het Wagenpark. Daarbij kan gedacht worden aan de Wegenwacht. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan de wijze waarop het verzoek om toepassing van de verzachtende maatregel moet worden gedaan. Voorts kan de minimale omvang van het wagenpark worden vastgelegd: gedacht wordt aan ten minste 100 voor 1 november 1993 geregistreerde auto's die niet voldoen aan de voor bestelauto's per 1 januari 1994 geldende eisen. De kosten van het amendement belopen structureel 0 mln." Dienaangaande werd bij de mondelinge behandeling (Handelingen II, 1993/94, blz. 23-1699
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.