gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 januari 1997 betreffende na te melden be schikking inzake vennootschapsbelasting.
(1992)heeft C B.V. een bedrag van ƒ 99.488,-- als rente aan B B.V. voldaan. Schriftelijke vastlegging van deze lening heeft plaatsgevonden op 28 december 1993, zulks in het ka der van een achterstelling van een groot gedeelte van de lening ten opzichte van alle andere schulden van C B.V. Wegens vermoedelijke oninbaarheid van de vorde ring op C B.V. heeft belanghebbende in 1991 en 1992 een voorziening gevormd. In 1992 heeft zij te dier zake een bedrag van ƒ 670.530,-- ten laste van haar winst gebracht. De Inspecteur heeft deze voorziening niet aanvaard, terwijl hij het bedrag van ƒ 99.488,-- , dat B B.V. in 1992 ten titel van rente van C B.V. heeft ontvangen, als deelnemingsdividend heeft vrijge steld op de voet van artikel 13 van de Wet. 3.
- Voor het Hof was tussen partijen in geschil of belanghebbende het bedrag van ƒ 670.530,-- ten laste van haar winst mocht brengen. 3.
- Het Hof heeft geoordeeld dat het aan B B.V., en daarmee aan belanghebbende, bij het verstrekken van de lening in de laatste maanden van 1991 en begin 1992 reeds aanstonds duidelijk moet zijn ge weest dat aan de uit de lening voortvloeiende vor dering voor een gedeelte, ten minste belopende het bedrag van voormelde door belanghebbende gevormde voorziening, geen waarde toekwam, omdat het ter leen verstrekte bedrag niet ten volle door C B.V. zou kunnen worden terugbetaald, zodat in ieder geval dit bedrag het vermogen van belanghebbende blijvend heeft verlaten. Aan dit oordeel heeft het Hof mede ten grondslag gelegd dat de opgestelde exploitatiebegroting niet is aangepast aan de effecten van het besluit dat C B.V. alle investeringen voor haar rekening zou nemen en dat een herziene prognose onvoldoende ruimte zou bieden tot betaling van rente en aflossing op de door B B.V. verstrekte lening gedurende een reeks van jaren. Het Hof diende echter, gelet op de stelling van belanghebbende dat de aanvankelijke exploitatiebe groting C B.V. voldoende ruimte bood te voldoen aan de verplichtingen uit genoemde lening, nader - cijfer matig - tot uitdrukking te brengen in hoeverre de extra lasten, opgeroepen door de verhoging van het in vesteringsbedrag en de daarmee samenhangende lening, met daartegenover een - mogelijke - verlaging van de huur, in een nieuwe prognose voor C B.V. een belemmering vormen te voldoen aan genoemde verplich tingen. Het middel, dat betoogt dat 's Hofs hiervóór weergegeven oordeel onvoldoende is gemotiveerd, slaagt derhalve, zodat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing dient te volgen.
- Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie redelijker wijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.
- Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de uitspraak van het Hof; verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest; gelast dat door de Staatssecretaris van Finan ciën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--; veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 2.840,-- voor be roepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit arrest is op 28 januari 1998 vastgesteld door de raadsheer Bellaart als voorzitter, en de raadsheren Van der Putt-Lauwers, Van Brunschot, Meij en Van Vliet, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.