gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ´s-Gravenhage van 8 januari 1998 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen.
(70)aandelen, met een totale nominale waarde van f 35.000,--, in de vennootschap E Pensioen B.V. voor een bedrag van f 178.159,-- hebben verkocht en dat C 20 van de 70 aandelen hield, kan niet worden gezegd dat deze akte geen reden was te twijfelen aan de juistheid van de aangifte van belanghebbende, zodat de Inspecteur, door een aanslag op te leggen zonder naar aanleiding van de te zijner beschikking staande akte een nader onderzoek in te stellen naar een bij belanghebbende in het onderhavige jaar in aanmerking te nemen winst uit aanmerkelijk belang, een ambtelijk verzuim heeft begaan. Middel 1, dat zich tegen het hiervóór in 3.3 genoemde oordeel richt, slaagt derhalve. 3.
- Middel 2 kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechter lijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het be lang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 3.
- Gelet op hetgeen hiervóór in 3.4 is overwogen, kan ´s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing dient te volgen ter beoordeling van de vraag of belanghebbende ter zake van het niet aangeven van de winst uit aanmerkelijk belang te kwader trouw was.
- Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld. De vraag of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend, zal door het verwijzingshof worden beoordeeld.
- Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de uitspraak van het Hof; verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest; gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 315,--; veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit arrest is op 16 december 1998 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Bellaart, Van Brunschot, van Vliet en Hammerstein, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Hooff en in het openbaar uitgesproken.