gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 februari 1998 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en beschikking inzake heffingsrente.
(1989)op te stellen, in deze sprake is van een nieuw feit, zodat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd. Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op hun juistheid worden getoetst. Ze zijn ook niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. De middelen II en III kunnen derhalve niet tot cassatie leiden. 3.
- Het Hof heeft geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat door het enkele verloop van 15 maanden na het indienen van de conclusie van dupliek de redelijke termijn van de behandeling van de verhoging door de rechter is overschreden. Het heeft daarbij in aanmerking genomen dat belanghebbende niet heeft verzocht om een versnelde behandeling en dat de zaak, nadat belanghebbende op 30 juni 1997 bij de Griffie van het Hof navraag had gedaan naar de verwachte datum van behandeling, ter zitting op 2 september 1997 is behandeld. Tegen voormeld oordeel komt middel IV op. Het middel betoogt, onder verwijzing naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 15 juli 1982, Series A, Vol. 51 (zaak Eckle), par. 82, terecht dat, anders dan waarvan het Hof kennelijk is uitgegaan, het niet aan belanghebbende was om bij het Hof aan te dringen op een spoedige behandeling van zijn zaak ten einde de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM te voorkomen. 's Hofs oordeel berust derhalve in zoverre op een onjuiste rechtsopvatting. 3.
- Het Hof heeft tenslotte geoordeeld: dat uit de in onderdeel 2.12 van 's Hofs uitspraak opgenomen brief van 18 januari 1996 niet kan worden afgeleid dat de Staatssecretaris van Financiën heeft bedoeld het door hem voor de gevallen waarin sprake is van navorderingsaanslagen in overeenstemming met de aangifte - en tijdig gedane aanvullingen - gevoerde beleid uit te breiden tot andere gevallen, zoals dat van belanghebbende. Dit oordeel, dat berust op de aan het Hof voorbehouden uitlegging van bedoelde brief, kan als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Middel V, dat tegen dit oordeel opkomt, faalt derhalve. 3.
- Gelet op het hiervóór in 3.4 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Het Hof heeft bij zijn oordeel dat niet kan worden gezegd dat de redelijke termijn is overschreden geen andere omstandigheden in aanmerking genomen dan hiervóór in 3.4 vermeld. Het hiervóór in 3.4 overwogene brengt in dat geval mee dat de behandeling van de onderhavige zaak voor het Hof gedurende meer dan 15 maanden heeft stilgelegen zonder dat daarvoor - voorzover in cassatie gebleken - een bevredigende verklaring bestaat. De Hoge Raad vindt in die omstandigheid, gelet op het bepaalde in artikel 6, lid 1, EVRM, aanleiding van de verhoging kwijtschelding te verlenen tot op 50%.
- Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van haar beroep in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.
- Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de uitspraak van het Hof alsmede de uitspraak van de Inspecteur, behoudens voorzover betrekking hebbend op de beschikking inzake heffingsrente vermindert de navorderingsaanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 357.390,--, met een verhoging van de nagevorderde belasting van 50%; gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschul digd geworden griffierecht ten bedrage van f 315,-- alsmede het bij het Hof gestorte griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van f 75,--, derhalve in totaal f 390,--; veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 2.840,-- voor beroepsma tig verleende rechtsbijstand; veroordeelt voorts de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 3.550,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst aan de Staat als de rechtspersoon die de bij het Hof gemaakte kosten moet vergoeden. Dit arrest is op 16 december 1998 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Bellaart, Van Brunschot, Van Vliet en Hammerstein, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff en in het openbaar uitgesproken.