20 februari 1998Eerste KamerNr. 16.353 (96/171 HR)AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiseres] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,EISERES tot cassatie,advocaat: mr J.L. Hofdijk, t e g e n de rechtspersoonlijkheid bezittende stichtingSTICHTING PENSIOENFONDS ABP ,gevestigd te Heerlen ,VERWEERSTER in cassatie,advocaat: mr R. van Gelder. 1. Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 8 juli 1993 verweerster in cassatie - verder te noemen: het ABP - op verkorte termijn gedagvaard voor de Kantonrechter te Rotterdam en gevorderd: 1. vernietigd te verklaren, althans te vernietigen de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de bedrijfsruimte, gelegen aan [a-straat 1] en [a-straat 2] te [plaats] , zulks vanwege dwaling en/of bedrog zijdens het ABP ; 2. ontbonden te verklaren, althans te ontbinden de huurovereenkomst met betrekking tot voormelde bedrijfsruimte, zulks vanwege de toerekenbare tekortkomingen van het ABP en/of voor het geval onder sub 1 gevorderde niet voor toewijzing in aanmerking zou komen op grond van een onvoorziene wijziging van omstandigheden, waardoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de overeenkomst niet in stand kan blijven; 3. voor het geval het onder sub 1 en 2 gevorderde niet voor toewijzing in aanmerking zou komen: te bepalen dat het ABP [eiseres] , naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, niet (langer) gebonden mag houden aan de huurovereenkomst met betrekking tot voormelde bedrijfsruimte en daartoe te bepalen dat [eiseres] ontheven zal zijn van de verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst; 4.Het ABP te veroordelen om binnen 8 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan [eiseres] in huur aan te bieden een winkelruimte, gelegen op een lokatie met veel winkelend publiek (een zogenaamde A-lokatie), gelegen te [plaats] en geschikt voor de vestiging van een juweliersbedrijf, zulks op straffe van een dwangsom van ƒ 10.000,-- per dag; 5. het ABP primair te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan [eiseres] , welke schade bestaat uit door haar geleden bedrijfsschade, alsmede nodeloos in het gehuurde gepleegde investeringen, begroot op ƒ 227.229,59 tot ƒ 312.229,29, vermeerderd met een bedrag van ƒ 7.500,-- tot ƒ 10.000,-- per week, tevens vermeerderd met de wettelijke rente, subsidiair tot een schadevergoeding als voormeld, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en vermeerderd met de wettelijke rente. Het ABP heeft de vorderingen bestreden en harerzijds in reconventie de veroordeling van [eiseres] gevorderd tot betaling van een bedrag van ƒ 58.289,94 aan achterstallige huurpenningen, te vermeerderen met de wettelijke rente over ƒ 52.083,35 vanaf 13 oktober 1993.Na een ingevolge een tussenvonnis van 26 oktober 1993 bevolen comparitie van partijen heeft [eiseres] het onder 1 in de inleidende dagvaarding gevorderde in dier voege vermeerderd c.q. gewijzigd dat de overeenkomst nietig dient te worden verklaard, zulks vanwege dwaling en/of bedrog, subsidiair wegens wederzijds dwaling.De Kantonrechter heeft bij eindvonnis van 29 maart 1994 in conventie de huurovereenkomst per 1 oktober 1993 ontbonden op grond van onvoorziene omstandigheden, zoals vernoemd in art. 6:258 BW; in reconventie heeft de Kantonrechter [eiseres] veroordeeld om aan het ABP te betalen een vergoeding van ƒ 33.081,61 met de wettelijke rente over ƒ 32.083,35, en in conventie en in reconventie het meer of anders gevorderde afgewezen.Tegen het zowel in conventie als in reconventie gewezen eindvonnis heeft het ABP hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Rotterdam . [eiseres] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.Bij vonnis van 1 februari 1996 heeft de Rechtbank in het principale beroep voormeld eindvonnis van de Kantonrechter vernietigd. Opnieuw rechtdoende heeft de Rechtbank in conventie de vorderingen van [eiseres] afgewezen en in reconventie [eiseres] veroordeeld om aan het ABP te betalen ƒ 53.081,61 ter zake van achterstallige huurpenningen tot 1 oktober 1993 en de contractuele rente tot 13 oktober 1992, te vermeerderen met de contractuele rente over ƒ 52.083,35 vanaf 13 oktober 1993, alsmede ƒ 79.787,23 ter zake van schadevergoeding over de periode van 1 oktober 1991 tot en met 30 juni 1994 en ƒ 1.500,-- ter zake van buitengerechtelijke kosten, en - behoudens de proceskosten - het meer of anders gevorderde afgewezen. Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en drie herstelexploiten zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.Het ABP heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 3.1 Partijen hebben gestreden over de vraag of [eiseres] kan worden ontvangen in haar cassatieberoep.In het geding in de feitelijke instanties was de wederpartij van [eiseres] de publiekrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in art. L 1 van de toenmalige Algemene burgerlijke pensioenwet: het Algemeen burgerlijk pensioenfonds . Bij de wet van 21 december 1995, Stb. 639, in werking getreden op 1 januari 1996 (verder Wet Privatisering ABP ), is de Algemene burgerlijke pensioenwet ingetrokken en zijn - behoudens de in lid 1 van art. 24 van de Wet privatisering ABP aangegeven uitzonderingen - alle vermogensbestanddelen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds onder algemene titel overgegaan op de op 28 december 1995 opgerichte Stichting Pensioenfonds ABP (verder ABP ). ABP - gevestigd op hetzelfde adres als het Algemeen burgerlijk pensioenfonds - heeft de personeelsleden van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds wier werkzaamheden lagen op het terrein waarop het ABP de taken van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds heeft voortgezet, in dienst genomen.ABP heeft, na 1 januari 1996 en vóór het uitbrengen van de cassatiedagvaarding - te weten op 22 februari 1996 - het vonnis van de Rechtbank aan [eiseres] doen betekenen. Het desbetreffende betekeningsexploit vermeldde dat de betekening geschiedde ten verzoeke van de "rechtspersoon HET ALGEMEEN BURGERLIJK PENSIOENFONDS " De cassatiedagvaarding van 26 april 1996 is, uitgebracht aan "de rechtspersoon HET ALGEMEEN BURGERLIJK PENSIOENFONDS ". Bij exploit van 24 mei 1996 is de cassatiedagvaarding betekend aan "de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting: STICHTING PENSIOENFONDS ABP ". Bij dit exploit is voorts aanzegging gedaan dat voor het geval het Algemeen burgerlijk pensioenfonds ten tijde van het exploit van 26 april 1996 niet meer zou bestaan dan wel niet of niet meer als procespartij kan worden gezien, daar waar in dit exploit is vermeld: "de rechtspersoon HET ALGEMEEN BURGERLIJK PENSIOENFONDS , gevestigd en kantoorhoudende te Heerlen ", dient te worden gelezen: "de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting: STICHTING PENSIOENFONDS ABP , statutair gevestigd te Heerlen ."Gelet op dit een en ander moet het voor ABP die op de cassatiedagvaarding is verschenen, van meet af aan duidelijk zijn geweest dat het feit dat in deze dagvaarding degene die werd gedagvaard, werd aangeduid als het Algemeen burgerlijk pensioenfonds , op een vergissing berustte en dat met deze aanduiding niet haar rechtsvoorgangster, maar zij zelf werd bedoeld. Onder deze omstandigheden kan ABP niet aan [eiseres] tegenwerpen dat zij het oude Algemeen burgerlijk pensioenfonds en niet de nieuwe Stichting Pensioenfonds ABP in de cassatieprocedure heeft betrokken.Het voorgaande leidt tot de gevolgtrekking dat [eiseres] ontvankelijk is in haar beroep in cassatie. 4. Beoordeling van de middelen 4.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.